Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8538

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
ROT 17/2052
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW-gat wachtgeld, rechtstreeks beroep, nadere besluitvorming, geen verboden onderscheid naar leeftijd, burgerlijke staat en beloning naar arbeid in navolging van CRvB en eerdere usp rb Rdam. Beroep ongegrond wel pkv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 17/2052

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. W.E. Louwerse,

en

de minister van Defensie, verweerder,

gemachtigden: mr. D.R. Stolwijk en mr. E.I. Dekkers.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2009 (het primaire besluit) is eiser op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) met ingang van 1 oktober 2009 een wachtgelduitkering toegekend, tot 1 oktober 2017.

Bij brief van 24 november 2016 heeft eiser verzocht het wachtgeld door te laten lopen tot de ingangsdatum van het recht op uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Verweerder heeft deze brief aanvankelijk opgevat als bezwaarschrift gericht tegen het toekenningsbesluit.

Bij besluit van 23 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Nadien is verweerder hierop teruggekomen en verweerder stelt zich thans op het standpunt dat het bestreden besluit moet worden aangemerkt als primair besluit, genomen naar aanleiding van het verzoek van eiser.

Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld en verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft hiermee ingestemd.

Op 12 oktober 2017 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2017. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eiser (geboren op [geboortedatum]) is van 14 februari 1972 tot 1 oktober 2009 als burgerambtenaar werkzaam geweest bij verweerder. Per 1 oktober 2009 is hem overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) en het Sociaal Beleidskader Defensie 2004.

1.2.

Bij het primaire besluit is eiser aansluitend aan zijn ontslag wachtgeld op grond van het Wbad toegekend tot 1 oktober 2017, de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Eiser heeft aangevoerd dat de wachtgelduitkering moet doorlopen tot zijn AOW-leeftijd. Met de toekenning van wachtgeld tot de leeftijd van 65 jaar maakt verweerder volgens eiser een ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd.

1.3.

Volgens de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, Stb. 2012, 328 (Wet VAP), en de Wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 218, wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft voor eiseres onder andere tot gevolg dat zij niet vanaf 65-jarige leeftijd recht heeft op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor haar geldende verhoogde AOW-leeftijd. Sinds 1 januari 2015 kent het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) het ouderdomspensioen vanaf deze verhoogde AOW-leeftijd toe.

1.4.

Op 1 oktober 2015 is de Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31.772 (Voorlopige voorziening) in werking getreden. In artikel 2 van de Voorlopige voorziening is bepaald dat een gewezen defensieambtenaar die de leeftijd van 65 jaar bereikt, waardoor zijn uitkering eindigt, tot het bereiken van de voor hem geldende AOW-leeftijd aanspraak heeft op een maandelijkse tegemoetkoming die gelijk is aan de bruto AOW-uitkering (inclusief vakantiegeld) die voor hem volgens de AOW in de desbetreffende maand gegolden zou hebben indien daarop aanspraak zou hebben bestaan.

2. Bij uitspraken van 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2614 tot en met -2618 en ECLI:NL:CRVB:2016:2620 tot en met -2622) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) – voor zover hier van belang – geoordeeld dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming op grond van de Voorlopige voorziening, en gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla).

3.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de beëindiging van het aan eiser toegekende wachtgeld op grond van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd gehandhaafd. Daarbij kent verweerder eiser – met inachtneming van de uitspraken van de CRvB van 18 juli 2016 – voor de periode vanaf dat hij 65 jaar wordt totdat hij de AOW‑leeftijd heeft bereikt een maandelijkse bruto uitkering toe die een netto uitkering oplevert die gelijk is aan de netto AOW-uitkering inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming AOW-hiaat). Daarnaast kent verweerder eiser voor diezelfde periode een compensatie (bruto) toe in verband met het feit dat hij (mogelijk) zijn ouderdomspensioen vervroegd laat ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (compensatie). Daarvoor geeft verweerder als reden dat de vanaf 2014 opgebouwde pensioenaanspraken worden verlaagd als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het ouderdomspensioen vanaf 65 jaar te laten ingaan, omdat deze pensioenaanspraken overeenkomstig de Wet VAP een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar hebben. De compensatie is in waarde (bruto) gelijk aan voornoemde verlaging van de pensioenaanspraken in vergelijking met de situatie vóór invoering van de Wet VAP.

3.2.

Bij nader besluit van 12 oktober 2017 heeft verweerder het bestreden besluit aangevuld. Indien in de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd het totaalbedrag van de tegemoetkoming AOW-hiaat en de compensatie, vermeerderd met het (vervroegd ingegane) ouderdomspensioen, netto minder bedraagt dan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van eiser, dan wordt dit bedrag bruto zodanig aangevuld dat deze in ieder geval gelijk is aan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van eiser (aanvullende maatregel). Dit nadere besluit wordt, gelet op de artikel 6:19 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

4. Bij uitspraak van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1473) heeft de CRvB geoordeeld dat met het pakket van de door verweerder geboden financiële voorzieningen (tegemoetkoming AOW-hiaat, compensatie en aanvullende maatregel) een toereikende oplossing is gevonden voor het gegeven dat als gevolg van de verhoging van de AOW‑leeftijd, de AOW- en pensioenaanspraken van burgerambtenaren Defensie niet meer aansluiten op het wachtgeld op grond van het Wbad, waardoor zij inkomensverlies lijden, en dat met de geboden voorzieningen niet langer sprake is van een verboden onderscheid naar leeftijd.

5. Eiser blijft bij zijn standpunt dat verweerder met het pakket aan compenserende maatregelen verboden onderscheid maakt naar burgerlijke staat als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Dit onderscheid wordt veroorzaakt doordat verweerder voor de hoogte van de tegemoetkoming AOW-hiaat en de aanvullende (90%-)maatregel aansluiting heeft gezocht bij de systematiek van de AOW, dus 70% van het minimumloon voor ongehuwden en 50% van het minimumloon voor gehuwden of daarmee gelijkgestelden. Eiser kan zich niet vinden in rechtsoverweging 2.5.1 van de uitspraak van 26 april 2017, waarin de CRvB heeft gemotiveerd waarom dit onderscheid volgens hem gerechtvaardigd is. Het betoog faalt.

5.1.

In de uitspraken van 26 april 2017 (rechtsoverweging 2.5.1) en 1 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1904, rechtsoverweging 6.4.2) heeft de CRvB geoordeeld dat het verschil in behandeling in de AOW tussen aan de ene kant gehuwden of daarmee gelijkgestelde ongehuwd samenwonenden en aan de andere kant ongehuwden die alleenstaand zijn en daarmee gelijkgestelden, waaraan de tegemoetkoming is gerelateerd, is terug te voeren op een niet vergelijkbare leefsituatie en daarmee samenhangende behoeften. Zo is sprake van besparende voordelen bij het voeren van een gezamenlijke huishouding ten opzichte van een eenpersoonshuishouden. In aanmerking genomen dat de geboden financiële voorzieningen ertoe strekken een oplossing te vinden voor het gegeven dat, als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd, de AOW- en pensioenaanspraken van eiser niet meer aansluiten op het wachtgeld op grond van het Wbad, waardoor hij inkomensverlies lijdt, staat de Awgb er volgens de CRvB niet aan in de weg dat verweerder voor van elkaar te onderscheiden gevallen verschillende voorzieningen treft, waarbij met dat onderscheid rekening wordt gehouden, zoals ook in de AOW geschiedt. De rechtbank ziet geen reden hierover anders te oordelen dan de CRvB.

6. Eiser betoogt voorts dat verweerder met het pakket aan compenserende maatregelen een verboden onderscheid maakt in beloning naar arbeid/arbeidsvoorwaarden als bedoeld in artikel 5 van de Awgb en artikel 3 van de Wgbla, omdat voormalige burgerambtenaren van Defensie als gevolg van de compensatieregeling verschillend worden beloond. Zij die de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt, ontvangen immers wachtgeld en zij die 65 jaar of ouder zijn, ontvangen tot het bereiken van de AOW-leeftijd een inkomen, bestaande uit de tegemoetkoming AOW-hiaat, compensatie en eventueel de aanvullende maatregel, en mogelijk een vervroegd ingegaan ouderdomspensioen. In beide gevallen is volgens eiser sprake van beloning naar arbeid. Omdat voor de hoogte van de tegemoetkoming AOW-hiaat en de aanvullende maatregel aansluiting is gezocht bij de systematiek van de AOW, waarin - anders dan in de wachtgeldregeling - een onderscheid naar burgerlijke status is verdisconteerd, levert dit volgens eiser een ongerechtvaardigd onderscheid op in beloning naar arbeid. Het betoog faalt.

6.1.

De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat het geheel aan compenserende maatregelen net als het wachtgeld een beloning naar arbeid is. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake een financiële compensatie voor het inkomensverlies dat voormalige burgerambtenaren bij Defensie, zoals eiser, lijden als gevolg van het verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd door de Wet VAP, waardoor hun AOW- en pensioenaanspraken niet meer aansluiten op het wachtgeld op grond van het Wbad. Overigens heeft de CRvB in rechtsoverweging 2.6.1 van zijn uitspraak van 26 april 2017 in het midden gelaten of het pakket aan compenserende maatregelen een beloning naar arbeid is, omdat een bevestigend antwoord op die vraag de gewezen defensieambtenaren naar zijn oordeel niet kan baten. De rechtbank verwacht niet dat de CRvB van dit oordeel zal terugkomen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Omdat verweerder in beroep een nader (begunstigend) besluit heeft genomen en zich ter zitting bereid heeft verklaard de in beroep door eiser gemaakte proceskosten te vergoeden, ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

9. De rechtbank ziet tevens aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht – ten onrechte is het verlaagde griffierecht geheven – vergoedt.

Beslissing

De rechtbank verklaart

  • -

    het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.