Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8531

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
10/197596-17 / parketnummer vordering TUL:10/681316-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pilotzaak digitaal politiedossier/digitaal procesdossier. Huiselijk geweldzaak, vrijspraak op inhoudelijke gronden. In het kader van de pilot maakt de rechtbank opmerkingen over aspecten van het digitaal dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/197596-17

Parketnummer vordering TUL: 10/681316-15

Datum uitspraak: 3 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. L.A.E. Timmer, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 oktober 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. van der Maas heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het ten laste gelegde;

  • -

    afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/681316-15.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Het gaat in deze zaak om een beschuldiging van huiselijk geweld. Het betreft een zaak die normaalgesproken zou zijn voorgelegd aan de politierechter. Deze zaak is aan de meervoudige strafkamer voorgelegd in het kader van een pilot die in dit arrondissement wordt uitgevoerd in verband met het gebruik van een digitaal procesdossier.

Zoals ter terechtzitting ook is besproken, kent deze zaak daarmee twee elementen. Voorop staat de verdenking tegen de verdachte met de bijbehorende bewijs en afdoeningsvragen.

In de sleutel van de bewijsvraag moet de rechtbank zich ook buigen over de vraag in hoeverre het aangeleverde dossier bruikbaar is om oordelen op te baseren. Dit dossier verschilt van het dossier van andere zaken, omdat niet eerder een dossier is aangeleverd dat louter digitaal bestaat, zonder papieren origineel.

4.2.

Vrijspraak

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen.

De verdachte en de aangeefster woonden samen. In de nacht van 8 oktober 2017 kwam de verdachte laat thuis, terwijl hij onder invloed was van alcohol. Er ontstond ruzie waarbij over en weer geweld is gebruikt. Dit blijkt uit het letsel dat zowel bij de verdachte als bij de aangeefster is geconstateerd. Opvallend is dat de bult waarover de aangeefster spreekt, niet wordt gezien door de politieambtenaren. Ook is opvallend dat de aangeefster heeft verklaard dat zij de televisie en het bankstel die in de woning van de verdachte stonden heeft gesloopt, zodat de verdachte geen plezier meer zou hebben van deze spullen.

De rechtbank kan niet vaststellen wie is begonnen met het gebruiken van geweld, noch kan zij vaststellen dat de verdachte disproportioneel op geweld van de aangeefster heeft gereageerd.

De wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte is hierdoor niet vast te stellen. Omdat de wederrechtelijkheid bestanddeel is van het ten laste gelegde feit, zal de verdachte worden vrijgesproken.

4.3.

Het digitaal procesdossier

Bij de beslissing van de rechtbank tot vrijspraak heeft geen rol gespeeld dat het hier gaat om een zaak met een digitaal procesdossier. De vrijspraak is gebaseerd op een weging van de bewijsmiddelen uit het dossier. Over de materiële inhoud van de bewijsmiddelen - wie heeft wat verklaard? - was in deze zaak geen discussie.

Hoewel een individuele strafzaak en zeker één waarin vrijspraak volgt om inhoudelijke redenen zich minder goed leent voor een integrale en uitputtende beoordeling van de werking van het digitaal procesdossier, overweegt de rechtbank mede met het oog op de nog volgende procedures in de pilot over het digitaal procesdossier nog het volgende.

4.3.1.

Inleiding

In deze zaak heeft het openbaar ministerie een procesbeschrijving met betrekking tot het vormen van een digitaal dossier bij de processtukken gevoegd. Daarin wordt gesproken van een digitaal procesdossier. Die term kan twee betekenissen hebben. In de documentatie wordt de term gebruikt voor het dossier dat door de politie wordt aangeleverd. De term kan ook slaan op het procesdossier zoals dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting wordt gehanteerd en dat naast het politiedossier ook vele andere stukken bevat (zoals de dagvaarding, rapportages, justitiële documentatie). Om het onderscheid te maken zal de rechtbank hierna de term digitaal politiedossier hanteren voor hetgeen de politie aanlevert aan het openbaar ministerie en de term (digitaal) procesdossier hanteren voor hetgeen het openbaar ministerie aanlevert voor de zitting.

Uit de documentatie blijkt dat het digitaal politiedossier onder meer inhoudt dat stukken in het politiedossier middels een tablet-handtekening dus ook volledig digitaal worden ondertekend. In het ondertekeningsproces is een procedure ingebouwd waarmee de politieambtenaar zichzelf moet aanmelden voorafgaand aan de ondertekening. Op die manier worden de identiteit van de ondertekenaar en het moment van ondertekenen bijgehouden. Deze worden onder de handtekening zichtbaar. Ook houdt het gebruik van het digitaal politiedossier in dat het politiedossier volledig digitaal wordt verzonden vanuit de politie naar het openbaar ministerie.

Niet nieuw is de digitale verzending van het procesdossier door het openbaar ministerie aan de rechtbank: dat systeem werkt al geruime tijd. Eerder bestond het politiedossier uit een pdf-bestand met daarin scans van een papieren dossier, nu is het politiedossier een pdf-bestand dat zonder tussenkomst van papier is opgemaakt.

4.3.2.

Wettelijke basis

De wettelijke basis van het digitaal politiedossier en de tablethandtekening wordt gevormd door het Wetboek van Strafvordering (Sv), zoals gewijzigd door de Wet digitale processtukken Strafvordering van 17 februari 2016, en het Besluit digitale stukken Strafvordering (hierna: het Besluit).

De wet bepaalt onder meer het navolgende:

- onder een elektronische handtekening wordt verstaan een handtekening die bestaat uit elektronische gegevens die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere elektronische gegevens en die worden gebruikt door de ondertekenaar om te ondertekenen (artikel 138e Sv);

- onder ‘getekend of ondertekend’ (…) wordt mede verstaan een ondertekening (…) met een elektronische handtekening die voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van in elk geval het betrouwbaarheidsniveau van authenticatie (artikel 138f Sv);

- van een processtuk in elektronische vorm kan de integriteit worden nagegaan doordat iedere wijziging daarvan kan worden vastgesteld (art. 149a, derde lid, Sv).

De tablethandtekening is nader geregeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit, dat luidt:

“2. De elektronische handtekening, bedoeld in artikel 138e van de wet, zijnde een handgeschreven handtekening op een elektronische gegevensdrager, voldoet aan de volgende eisen:

a. de ondertekening heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van of wordt gedaan door:

– een rechter of griffier;

– de bevoegde ambtenaar, bedoeld in artikel 163, eerste lid, van de wet met het oog op de aangifte of klachte, bedoeld in artikel 161 van de wet, en

b. de biometrische of grafische handtekening is op zodanige wijze aan de elektronische gegevens waarop zij betrekking heeft verbonden, dat het moment van ondertekening en elke wijziging na ondertekening van de elektronische gegevens kan worden vastgesteld.”

4.3.3.

Papier versus digitaal

Voor de beantwoording van de vraag of de verklaring van iemand die is gehoord (aangever, verdachte of getuige), zoals opgetekend door de politie, inhoudelijk moet worden vertrouwd, maakt het geen wezenlijk verschil of de verklaring alleen digitaal, of ook op papier beschikbaar is. Met andere woorden: voor de vraag of iemand wordt geloofd of niet, maakt de vorm waarin zijn verklaring in het dossier is opgenomen (digitaal of op papier) niet uit.

Dat is anders voor de beantwoording van de vraag of erop vertrouwd kan worden dat wat als de verklaring van de gehoorde persoon wordt gepresenteerd, ook daadwerkelijk de verklaring van die persoon is, zoals deze daarin heeft volhard blijkens zijn ondertekening. Wanneer de verklaring op papier is gesteld kan onderzoek worden gedaan naar letterlijk de ongeschondenheid van dat papier. Dat is een heel ander onderzoek dan het onderzoek naar de ongeschondenheid (integriteit) van een digitaal bestand.

De rechtbank constateert allereerst dat de vraag naar de ongeschonden overdracht van papieren verklaringen in de praktijk nooit wordt gesteld. Er wordt van uitgegaan dat tussen de ondertekening en de indiening bij de rechtbank niet aan een verklaring is gemorreld. Waar de verklaringen van verdachten op iedere pagina plegen te worden ondertekend door de verdachte, gebeurt dat lang niet bij alle andere verklaringen. Evenmin worden processen-verbaal van bevindingen of deskundigenberichten op iedere pagina ondertekend of geparafeerd. Dat maakt het mogelijk dat pagina’s worden vervangen door kwaadwillenden. Niettemin vertrouwt de rechtspraak in het algemeen de politie op haar woord als er een voor kopie-conform getekende set kopieën wordt aangeleverd en dit is in de praktijk ook zo goed als nooit een punt van discussie tijdens de behandeling van de zaak.

Aan de digitale kant is van belang dat digitale ondertekening niet de enige waarborg kan of hoeft te zijn dat een verklaring ongeschonden de rechtbank bereikt. Ook andere factoren kunnen van belang zijn, zoals de manier waarop het digitale document uiteindelijk zijn weg vindt naar de rechtbank.

4.3.4.

Beperkt belang van de proces-verbaal-status

De wet verbindt slechts in een beperkt aantal gevallen bewijstechnisch consequenties aan de vraag of een geschrift een proces-verbaal of een ander geschrift is. Het bekendste voorbeeld is zonder twijfel het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar als enige bewijsmiddel voor een door deze opsporingsambtenaar zelf geconstateerd strafbaar feit (artikel 344, tweede lid, Sv). Indien in een dergelijk geval de status van proces-verbaal zou wegvallen doordat dat niet is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een elektronisch dossier, dan resteert slechts een ‘ander geschrift’ dat niet als enige bewijsmiddel kan dienen.

Bij bewijsmiddelen die in elk geval niet als enige bewijsmiddel kunnen dienen, geldt

dat, als niet wordt getwijfeld aan de ongeschondenheid en inhoud daarvan, het voor een bewezenverklaring irrelevant is of, bijvoorbeeld, de belastende verklaringen van de aangever en een getuige in een proces-verbaal zijn neergelegd dan wel in een geschrift dat er wel zo uit ziet, maar die status niet heeft omdat er niet is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een elektronisch dossier. Zie in dit verband ook het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC9954).

4.3.5.

De handtekeningen in het dossier

Uit de procesbeschrijving van de tablet-handtekening blijkt dat de identiteit van degene die tekent, moet worden gecontroleerd. In deze zaak blijkt niet steeds uit het proces-verbaal of deze identiteitscontrole is uitgevoerd. De regelgeving eist niet dat deze controle geverbaliseerd wordt. De rechtbank is niettemin van oordeel dat het wenselijk is dat die feitelijke situatie waarin de identiteit gecontroleerd wordt, controleerbaar is voor de procespartijen, en daarom dus ook zou worden vermeld in het desbetreffende proces-verbaal.

In het dossier in deze zaak bevinden zich processen-verbaal waarin dezelfde handtekening van dezelfde ondertekenaar meermalen voorkomt. Een voorbeeld daarvan is de aangifte. De officier van justitie heeft op de terechtzitting toegelicht dat het systeem zo ontwikkeld is dat een ondertekenaar van een proces-verbaal éénmaal op de tablet tekent en dan kan aanwijzen op welke plaatsen in dát proces-verbaal de handtekening wordt gezet. De rechtbank heeft hier op zich geen bezwaar tegen. Dit was uiteraard anders geweest als het systeem handtekeningen zou bewaren om deze naar keuze te gebruiken. Dit is niet het geval, aldus de toelichting van de officier.

4.3.6.

Hashwaardes

Uit de documentatie van het openbaar ministerie begrijpt de rechtbank het volgende. Over opgemaakte documenten wordt een hashwaarde berekend. De berekende hashwaardes worden bewaard. Op die manier kan in een later stadium worden gecontroleerd of er geen wijzigingen zijn geweest in een bestand door het herberekenen van een hashwaarde en deze te vergelijken met de eerder bewaarde hashwaarde.

De rechtbank constateert dat deze methode op zichzelf niet nieuw is, zij wordt bijvoorbeeld ook gebruikt wanneer digitale gegevensdragers forensisch worden uitgelezen.

Uit de documentatie begrijpt de rechtbank voorts dat de berekende hashwaarde in het digitale politiedossier wordt opgeslagen. Dit roept de vraag op of iemand die het digitale politiedossier kan aanpassen dan niet ook de opgeslagen hashwaarde kan aanpassen. Op die manier kan de aanpassing van het politiedossier digitaal onopgemerkt blijven. De aangeleverde documentatie gaat op dit punt niet in.

4.3.7.

Verzending van het dossier

Wat betreft de verdere doorzending van het digitaal politiedossier geldt het volgende. Het dossier wordt, zo blijkt uit de toelichting van de officier van justitie op zitting, digitaal verzonden vanuit de politie naar het openbaar ministerie, en vervolgens wordt het bij de rechtbank aangeleverd. Er is een koppeling gemaakt tussen de politie- en OM-omgeving, met elektronische beveiliging volgens de EBV-standaard (Elektronisch berichten verkeer) van justitie. Dit wordt beheerd door Justid. Dit geeft de rechtbank geen aanleiding tot vragen of opmerkingen in deze zaak.

5 Vordering tenuitvoerlegging

5.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 15 april 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van poging zware mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 30 april 2016.

5.2.

Standpunt officier van justitie en verdediging

Door zowel de officier van justitie als de verdediging is vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit en gelet daarop afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging.

5.3.

Beoordeling

Het ten laste gelegde feit is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de opgelegde voorwaarden heeft overtreden. Daarom zal de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de bij het vonnis van 15 april 2016 aan de verdachte opgelegde straf worden afgewezen.

6 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 15 april 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van den Bos, voorzitter,

en mrs. N. Doorduijn en K.T. van Barneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 8 oktober 2017 te Dordrecht

zijn levensgezel, [naam slachtoffer] ,
heeft mishandeld door haar meermalen, althans eenmaal (met kracht)
- in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te stompen en/of slaan en/of
- tegen het/de be(e)n(en) te trappen en/of schoppen en/of
- bij haar arm(en) vast/beet te pakken;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )