Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8497

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
10/960365-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met bijzondere voorwaarden. Beroep op psychische overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960365-16

Datum uitspraak: 2 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van de PI,
Lunettenlaan 501, 5263 NT Vught,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de
penitentiaire inrichting Vught, Nieuw Vosseveld, bijzondere afdeling,

raadsman mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C. Hofstee heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, een behandelverplichting, locatieverbod, drugsverbod en andere voorwaarden het gedrag betreffende zoals omschreven in het reclasseringsadvies van 18 oktober 2017, met bevel dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte in oktober 2015 naar Irak is gegaan om zijn broer en diens gezin terug te halen naar Nederland. Toen de verdachte in Irak verbleef, is hij vanaf ongeveer 1 december 2015 door Islamitische Staat (hierna: IS) gedwongen om werkzaamheden te verrichten als kok in een ziekenhuis/verzorgingstehuis en nadien als kabeltrekker. De raadsman is van oordeel dat van de tijd voorafgaand aan dat moment niet kan worden gezegd dat het opzet van verdachte gericht was op deelname aan IS. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte tevoren wist dat hij, indien hij naar Irak zou gaan, enige bijdrage zou hoeven te leveren aan IS. Het enkel verblijf in IS gebied is geen strafbaar feit en kan niet worden gekwalificeerd als lidmaatschap van een terroristische organisatie.

Vanaf het moment dat de verdachte werd gedwongen om voornoemde werkzaamheden te verrichten (1 december 2015) tot 1 april 2016 kan gezegd worden dat de verdachte een bijdrage leverde aan de organisatie. Ten aanzien van deze periode kan de verdachte zich evenwel beroepen op psychische overmacht en daarom dient hij te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Als de verdachte niet zou meewerken en IS niet zou gehoorzamen, zou hij worden vastgezet, mishandeld, gemarteld of waarschijnlijk zelfs gedood. De verdachte had op dat moment geen keuze en kon niet terugkeren naar Nederland.

Vanaf 1 april 2016 probeerde de verdachte het IS gebied te ontvluchten en de verdachte dient ten aanzien van de periode vanaf dat moment tot en met 15 november 2016 eveneens te worden vrijgesproken omdat hij toen ook geen opzet had op deelname aan IS.

4.1.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De broer van verdachte, [naam 1] , en diens gezin hebben zich in de zomer van 2015 in het strijdgebied van IS gevestigd. De verdachte is samen met zijn broer [naam 2] en zijn neef [naam 3] begin oktober 2015 met de auto van Nederland naar Turkije gereden. Van daaruit zijn zij via Syrië doorgereisd naar Mosul in Irak. De verdachte is vier/vijf weken nadat hij was vertrokken uit Nederland herenigd met zijn broer [naam 1] , die even buiten Mosul woonde. De verdachte heeft tijdens zijn verblijf in Mosul gedurende enige maanden, te weten in de periode van december 2015 tot en met 1 april 2016, in een ziekenhuis/verzorgingstehuis gekookt voor gewonde IS-strijders die terug kwamen van het front en heeft nadien ook nog enige tijd telefoonlijnen aangelegd voor IS. Hij verdiende met deze werkzaamheden 50 dollar per maand. Nadien heeft de verdachte ook nog enige tijd verbleven in Raqqa in Syrië.

De verdachte is op 10 december 2016 overgenomen van de Turkse autoriteiten en na aankomst in Nederland aangehouden.

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de verdachte eind oktober 2015 is aangekomen in de omgeving van Mosul. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit in het noorden van Irak ligt en dat Mosul in oktober 2015 in handen was van IS.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar Irak ging om zijn broer [naam 1] en diens gezin op te halen en terug te brengen naar Nederland. Deze verklaring wordt door geen enkele getuige of bevinding in het dossier bevestigd of ondersteund en is niet aannemelijk geworden.

Eerder lijkt uit het dossier het beeld naar voren te komen dat de verdachte het in Nederland niet meer naar zijn zin had en dat hij Nederland is ontvlucht om zich permanent in Irak te vestigen. De verdachte heeft van tevoren niemand ingelicht over zijn plan om naar Irak te vertrekken. Toen hij in Irak was aangekomen, heeft hij tegen zijn broer [naam 4] gezegd dat hij daar ging wonen. Tegen zijn broer [naam 5] heeft de verdachte, toen hem de vraag werd gesteld waarom hij naar Irak was gegaan, gezegd dat hij niet gelukkig was in Nederland, dat hij zo de weg kwijt was dat hij niet meer verder kon en dat zijn broer [naam 5] ‘sorry’ moest zeggen tegen hun moeder. De familie van de verdachte ging er dan ook van uit dat de verdachte zich permanent in IS gebied (in Irak) had gevestigd. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het daar oorlog was.

Dit alles maakt dat de verdachte bewust naar IS gebied (in Irak) is afgereisd om daar te gaan wonen en dat de verdachte wist wat hem daar stond te wachten.

Van belang is voorts dat het rapport van de AIVD “Leven bij ISIS, de mythe ontrafeld” vermeldt dat alle mannen bij binnenkomst in ISIS-gebied een specifiek traject doorlopen. Onderdeel daarvan is een opleiding waarin het gedachtegoed van ISIS wordt onderwezen en een militaire training van enkele weken. De verdachte ontkent deze training te hebben gehad.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, nadat hij bij Turkije de grens met Syrië was overgegaan, werd opgepakt door mannen met vuurwapens en baarden en dat hij aan de kleding zag ‘hoe laat het was’. Vervolgens werd hij met een bus vervoerd en heeft hij drie weken in een woestijn verbleven. De rechtbank acht het derhalve niet uitgesloten dat hij in die tijd bedoelde training heeft gedaan.

Islamitische Staat (IS) een terroristische organisatie

Van een criminele terroristische organisatie is sprake indien deze organisatie beoogt misdrijven met een terroristisch oogmerk te plegen. Dat zijn misdrijven gericht op het aanjagen van vrees van de bevolking dan wel een overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Islamitische Staat (IS), ook wel Islamitische Staat in Irak en al-Sham (IS(IS)) en Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) genoemd, wordt internationaal aangemerkt als een (verboden) terroristische organisatie. Deelname aan IS, levert dan ook deelname aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht op.

Het moet voor de verdachte volstrekt duidelijk zijn geweest dat IS het oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven. Immers, IS wordt in de media voortdurend aangeduid als een terroristische organisatie en is als zodanig aangemerkt in internationaal verband door plaatsing op de UN-sanctielijst.

Deelneming aan een terroristische organisatie

De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie volgt dat van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie sprake is indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (Hoge Raad 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858). Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten, en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken (Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW5161). Niet is vereist dat de betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan de misdrijven die door andere leden zijn, respectievelijk worden gepleegd.

Nu de verdachte naar eigen zeggen als kok en kabellegger heeft gewerkt en verklaard heeft: “daarna niets meer voor IS te hebben gedaan”, maakt dat hij zich bewust was van het feit dat de werkzaamheden die hij verrichte, voor IS waren. Hiermee heeft hij dus een aandeel gehad in, dan wel ondersteuning geboden aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS, als omschreven en bedoeld in het hierboven en hieronder genoemde AIVD-rapport.

Nu niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte dit feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd, zal hij van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De raadsman heeft - nog - bepleit dat het rapport “Leven bij ISIS, de mythe ontrafeld” , dat zich in het dossier bevindt, niet (voor het bewijs) kan worden gebruikt, omdat niet valt uit te sluiten dat het de AIVD vrij staat om desinformatie te verspreiden wanneer dat van belang wordt geacht voor de staatsveiligheid.

De rechtbank overweegt dat de raadsman geen feitelijke grondslag heeft gegeven voor deze stelling en deze reeds daarom buiten beschouwing dient te blijven. De bevindingen in dit rapport worden overigens ondersteund door bevindingen in het rapport “Bestemming Syrië”, op welk rapport de verdediging ten aanzien van een ander punt zelf ook een beroep doet ter onderbouwing van haar standpunt, nu dit een ‘open bron’ betreft. De verdediging heeft van het rapport “Bestemming Syrië” gezegd, onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof Amsterdam, dat er specifieke gevallen kunnen zijn waarop de bevindingen van dit rapport niet van toepassing zouden zijn en dat dit ook geldt voor het bovengenoemde AIVD-rapport “Leven bij ISIS, de mythe ontrafeld”. Nog los van het feit dat de verdediging niet aangeeft waarom dit dan ook voor het AIVD-rapport geldt, laat de verdediging bovendien na gemotiveerd aan te geven om welk specifiek geval het in casu zou gaan waarop de bevindingen van dit rapport niet van toepassing zouden zijn. De rechtbank passeert reeds daarom deze verwijzing.

De verdediging heeft nog aangegeven dat indien de rechtbank op dit punt het rapport “Bestemming Syrië” van belang zou vinden, zij daar nog over gehoord wil worden. Tot dit laatste heeft de verdediging reeds gelegenheid gehad nu dit aspect ter zitting aan de orde is geweest. Voor zover de rechtbank dit moet opvatten als een verzoek tot het horen van getuigen, is dit ongemotiveerd gedaan en wordt het daarom afgewezen onder verwijzing naar vaste jurisprudentie, laatstelijk HR 12 september 2017.

Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 01 augustus 2015 tot en met 15 november 2016 te Syrië en/of Irak,

heeft deelgenomen aan een organisatie, namelijk Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

Zoals hiervoor ook is weergegeven is door de verdediging betoogd dat de verdachte in de periode van ongeveer 1 december 2015 tot en met 1 april 2016 werd gedwongen om werkzaamheden te verrichten voor IS. Ten aanzien van deze periode kan de verdachte zich beroepen op psychische overmacht, want als hij niet zou meewerken en IS niet zou gehoorzamen, zou hij worden vastgezet, mishandeld, gemarteld of waarschijnlijk zelfs gedood. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.2.

Beoordeling

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

De rechtbank is van oordeel dat het ‘ijkmoment’ voor de beoordeling van het beroep op psychische overmacht hier het moment van uitreizen hoort te zijn. De verdachte heeft zich zelf op dat moment immers willens en wetens in de positie gebracht dat hij mogelijk gedwongen werk voor IS moest doen, door vrijwillig uit te reizen naar door IS-bezet gebied, terwijl op het moment van uitreizen voor verdachte voldoende duidelijk was wat op dat moment de situatie in Syrië en Irak was met betrekking tot IS(IS). De rechtbank verwijst in dat verband ook naar de bevindingen in het rapport “Leven bij ISIS, de mythe ontrafeld”, zoals hiervoor overwogen. De rechtbank wil wel aannemen dat de verdachte op enig moment na aankomst in IS-gebied door IS is gedwongen/zich gedwongen heeft gevoeld om werkzaamheden te verrichten en dat het hem op dat moment niet meer vrijstond om terug te keren naar Nederland, maar dat is de consequentie van het afreizen naar en verblijven in IS-gebied. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat er op het moment van uitreizen sprake was van een externe oorzaak die een zodanige psychische drang heeft veroorzaakt dat van de verdachte in redelijkheid niet gevergd kon worden anders te handelen dan hij heeft gedaan. Gelet hierop komt de verdachte geen beroep op psychische overmacht toe.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte is naar Syrië en Irak gereisd met het doel om daar te gaan wonen en heeft daar gedurende een aantal maanden ondersteunende werkzaamheden verricht voor de verboden jihadistische terroristische organisatie IS, door werkzaamheden te verrichten als kok in een ziekenhuis en als kabeltrekker.

Strijdgroepen als IS hebben tot doel het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan zoals standrechtelijke executies, moord, marteling en verminking van krijgsgevangen en burgers. Veel van die misdrijven worden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen en zijn daarmee ontegenzeggelijk terroristische misdrijven. Terrorisme wordt internationaal gezien als één van de ernstigste misdrijven. Hoewel de verdachte ondersteunende werkzaamheden heeft verricht, heeft hij daarmee ook een bijdrage geleverd aan de terroristische misdrijven gepleegd door IS.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 september 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 15 en 16 mei 2017 en 18 oktober 2017. De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

Het rapport van 18 oktober 2017 houdt onder meer het volgende in.

Ondanks de feitelijkheden en daaraan gekoppelde vermoedens, beweert de verdachte dat hij zich niet vrijwillig heeft aangesloten bij een terreurorganisatie. Hij zou geen andere keus hebben gehad. Zijn verhaal roept vragen op, waarop plausibele antwoorden verschuldigd blijven. Ondanks vermeende ontberingen is de verdachte schijnbaar niet belast met voor hem belaste traumatische gebeurtenissen, hetgeen je wel zou vermoeden. Het is wel duidelijk dat hij voorafgaand aan zijn vertrek uit Nederland maatschappelijk gezien weinig perspectief had en daarom de frequentie van het gebruik van middelen toenam.

Na afloop van zijn detentie is er voor de korte termijn op maatschappelijk gebied nog steeds weinig perspectief voor de verdachte.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog/gemiddeld; een inschatting die voornamelijk is gebaseerd op statische en gedateerde gegevens. Kijkend naar de verdenking en de door hem opgedane ervaring, is het professioneel oordeel van de reclassering dat de kans op een herhaalde uitreispoging niet meer waarschijnlijk is. Door het ontbreken van plausibele antwoorden op vragen kan de reclassering evenwel niet uitsluiten dat de verdachte door de aanwezigheid van een extremistisch gedachtegoed mogelijk een gevaar vormt voor de samenleving. Feit is dat de verdachte gedurende een langere periode in een gebied heeft verbleven onder de vlag van terreurorganisatie IS.

Het is de inschatting van de reclassering dat er een laag risico op het onttrekken van de voorwaarden is.

De verdachte geeft aan dat hij zich aan alle voorwaarden en afspraken zal houden, maar dat hij denkt zelfstandig zijn problemen op te kunnen lossen.

Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting, drugsverbod, locatieverbod (grensstreek van Nederland en vliegvelden, te controleren via een elektronisch controlemiddel), meewerken aan gesprekken met een door de reclassering aan te wijzen externe deskundige, gericht op de islam en een verbod op contact met de media worden geadviseerd. Tevens wordt geadviseerd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf wordt meegewogen dat de werkzaamheden die de verdachte voor ISIS heeft verricht gedurende een paar maanden in de tenlastegelegde periode hebben plaatsgevonden en dus niet de gehele tenlastegelegde periode.

Gelet op de inhoud van het rapport van de reclassering, acht de rechtbank begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk. De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de verdachte een mediaverbod op te leggen.

Gezien de aard van het bewezen verklaarde feit en het voorgestelde traject, zal de proeftijd worden bepaald op drie jaar.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De raadsman heeft bepleit de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren aangezien niet is voldaan aan de daarvoor in artikel 14e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde eis, gelet op de aard van de werkzaamheden die de verdachte heeft moeten verrichten en het feit dat de kans nihil is dat hij wederom zal uitreizen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en de aard van de bewezen verklaarde deelname aan een terroristische organisatie, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf, die lager is dan de eis van de officier van justitie, passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 140a van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich, na opheffing van zijn gevangenhouding, direct telefonisch melden bij Reclassering Nederland op het nummer [nummer] en vragen naar de heer [naam ] . De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s. De veroordeelde moet op een constructieve wijze meewerken aan deze gesprekken en openheid van zaken geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. de veroordeelde zal, als volgens de reclassering blijkt dat hij binnen zijn dagelijks functioneren toch tegen (psychische) problemen aanloopt door de (vermeende) traumatische gebeurtenissen, meewerken aan een ambulante behandeling bij een door de reclassering aan te wijzen forensisch psychiatrische polikliniek, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

3. de veroordeelde wordt het verboden om gedurende de proeftijd drugs te gebruiken. Het verbod zal worden gecontroleerd door urinecontroles, waar hij aan mee moet werken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. het wordt de veroordeelde verboden om zich gedurende de proeftijd te bevinden in de grensstreken van Nederland met de omringende buurlanden en op de Nederlandse vliegvelden met internationale vluchten (Schiphol, Rotterdam-The Hague, Maastricht-Aachen, Eindhoven en Groningen-Eelde);

5. de veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan gesprekken met een door de reclassering aan te wijzen externe deskundige, gericht op de islam, of en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

geeft aan Reclassering Nederland opdracht elektronisch toezicht te houden op de naleving van de onder nummer 4 genoemde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de onder nummer 1 t/m 5 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. M.M. Koevoets en L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 01 augustus 2015 tot en met

15 november 2016 te Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie, namelijk Islamitische Staat (IS),

dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and

Levant (ISIL), althans een aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisatie,

althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven,

te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van

Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

(artikel 140a Wetboek van Strafrecht)