Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8373

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
C/10/530906 / KG ZA 17-776
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil m.b.t. aan beslagverlof verbonden voorwaarde dat zekerheid moet worden gesteld. Vorderingen afgewezen omdat deze ertoe strekken de voorwaarde te wijzigen en dit zich niet verdraagt met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/530906 / KG ZA 17-776

Vonnis in kort geding van 8 september 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

S'ENERGY B.V.,

statutair gevestigd te Rotterdam,

kantoorhoudende te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaten mr. R.M. Hermans en mr. R.L.M.M. Tan, beiden advocaat te Amsterdam, en mr. C.E.M. Malmberg, advocaat te Den Haag,

tegen

de naamloze vennootschap

PZEM N.V.,

gevestigd te Middelburg,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaten mr. P.D. Olden en mr. R.J. van Galen, beiden advocaat te Amsterdam.

Partijen zullen hierna SE en PZEM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 13 juli 2017;

  • -

    de akte houdende overlegging producties 1 tot en met 16, tevens akte rectificatie dagvaarding;

  • -

    de akte houdende overlegging aanvullende producties 17 tot en met 28;

  • -

    de akte houdende overlegging producties 1 tot en met 5 van PZEM;

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 21 juli 2017, op welke zitting de behandeling van de zaak is aangehouden tot 25 augustus 2017;

  • -

    de pleitnota van SE;

  • -

    de pleitnota van PZEM;

  • -

    de vordering in reconventie, althans tegenverzoek, van PZEM, met daarbij gevoegd productie 6;

  • -

    de akte, houdende overlegging van een productie en vermeerdering van de eis in reconventie, met daarbij gevoegd productie 7;

  • -

    de akte wijziging van eis en van verzoek, tevens conclusie van antwoord in reconventie en verweerschrift tegen tegenverzoek;

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling d.d. 25 augustus 2017;

  • -

    de pleitnota van PZEM.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

PZEM, voorheen genaamd Delta N.V., is leverancier van multi-utility-diensten

en -producten, waaronder elektriciteit, gas, water, en op telecommunicatie gerichte diensten.

2.2.

SE hield zich in het verleden bezig met de ontwikkeling van doorbraaktechnologie voor de productie van grondstoffen en halffabricaten voor zonnepanelen.

2.3.

PZEM en SE hebben samen een joint venture in zonne-energie gehad, genaamd Sunergy B.V. Bij vaststellingsovereenkomst van 3 maart 2009 is de samenwerking tussen partijen beëindigd. SE heeft haar aandelen in Sunergy verkocht aan PZEM, voor een bedrag van 32 miljoen euro.

2.4.

SE heeft vervolgens een procedure geëntameerd waarin zij een schadevergoeding van PZEM eist op grond van toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de door hen gesloten aandeelhoudersovereenkomst, alsook op grond van onrechtmatige daad. SE heeft vernietiging van een deel van de vaststellingsovereenkomst gevorderd op grond van misbruik van omstandigheden.

2.5.

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2012 is laatstgenoemde vordering afgewezen. De door het gerechtshof Amsterdam gewezen tussenarresten van 24 juni 2014 en 2 juni 2015 zijn bij arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017 vernietigd. De zaak is verwezen naar het gerechtshof in Den Haag.

2.6.

Op 29 april 2016 heeft SE, nadat de voorzieningenrechter van deze rechtbank daartoe verlof had verleend, conservatoir beslag doen leggen ten laste van PZEM.

2.7.

Bij vonnis van 31 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het beslag, op grond van een belangenafweging, opgeheven. Dit vonnis is door het gerechtshof Amsterdam bekrachtigd.

2.8.

Op 31 mei 2017 heeft SE de voorzieningenrechter van deze rechtbank opnieuw verzocht verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van PZEM.

2.9.

De voorzieningenrechter heeft SE bij beschikking van 7 juni 2017 voorlopig verlof verleend tot het leggen van beslag en bepaald dat definitief op het verzoek zal worden beslist nadat de voorzieningenrechter partijen heeft kunnen horen. De voorzieningenrechter heeft de vordering van SE voorlopig begroot op € 93.060.000,00.

2.10.

SE heeft vervolgens conservatoir beslag doen leggen ten laste van PZEM.

2.11.

PZEM heeft ABN AMRO Bank N.V. daarop verzocht een garantie (hierna: de bankgarantie) te stellen ten behoeve van SE, hetgeen ABN AMRO op 12 juni 2017 heeft gedaan. De bankgarantie is geldig tot een maximum bedrag van € 93.060.000,00, voor een termijn van zeven jaar.

2.12.

SE heeft het beslag vervolgens opgeheven.

2.13.

Bij verweerschrift van 15 juni 2017 heeft PZEM de voorzieningenrechter verzocht aan een eventueel definitief verlof de voorwaarde te verbinden dat SE zekerheid stelt voor de kosten van de bankgarantie en de kosten van het daarmee gepaard gaande vermogensbeslag, welke kosten zij begroot op € 17.800.000,00.

2.14.

Bij beschikking van 3 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter SE definitief verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag, onder de voorwaarde dat door SE binnen drie weken na het geven van de beschikking ten behoeve van PZEM een deugdelijke zekerheid ter grootte van € 10.000.000,00 wordt gesteld voor de schade die door het beslag kan worden veroorzaakt. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot het verlenen van verlof afgewezen indien en voor zover SE niet binnen genoemde termijn ten behoeve van PZEM zekerheid tot een bedrag van € 10.000.000,00 heeft gesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.15.

Bij beschikking van 21 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter – op verzoek van SE – op grond van artikel 616 lid 4 Rv de termijn waarbinnen SE een deugdelijke zekerheid ter grootte van 10 miljoen euro moet stellen verlengd tot en met 31 augustus 2017. Het verzoek tot verlenging van de termijn hing samen met de onderhavige kort gedingprocedure.

2.16.

Op 21 juli 2017 is de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding aangehouden tot 25 augustus 2017, teneinde SE in de gelegenheid te stellen om vóór 25 augustus 2017 een voorstel te formuleren waarbij het bedrag van 10 miljoen euro dat zij als tegenzekerheid moet stellen wordt opgesplitst in jaarlijks te stellen, cumulatieve, zekerheden.

2.17.

Op 23 augustus 2017 heeft SE hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 3 juli 2017 en tevens een bodemprocedure aanhangig gemaakt. SE stelt dat sprake is van een kennelijke misslag in de beschikking van 3 juli 2017, in die zin dat de contragarantievoorwaarde van 10 miljoen euro gebaseerd is op het onjuiste feitelijke oordeel dat PZEM deze schade lijdt als gevolg van de door haar gestelde bankgarantie, en het onjuiste juridische oordeel dat die schade op SE verhaalbaar kan zijn. Volgens SE had de contragarantie daarom niet als voorwaarde aan het definitieve verlof verbonden mogen worden. Het hoger beroep is gericht tegen die nevenbeslissing. In de bodemprocedure vordert SE een verklaring voor recht dat zij niet gehouden is tot enige vergoeding van de schade die PZEM lijdt of heeft geleden als gevolg van het stellen of gesteld houden van de bankgarantie van ruim 93 miljoen euro.

2.18.

Ter zitting van 25 augustus 2017 heeft SE medegedeeld niet aan de voorwaarde te kunnen voldoen. SE heeft tevens medegedeeld binnen één week na de zitting een incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad (ex artikel 360 lid 2 Rv) van de beschikking van 3 juli 2017 bij het gerechtshof te zullen indienen. SE heeft voorts medegedeeld het hof te zullen verzoeken het hoger beroep versneld te behandelen.

2.19.

Bij beschikking van 25 augustus 2017 heeft de voorzieningenrechter – op verzoek van SE – op grond van artikel 616 lid 4 Rv de termijn waarbinnen SE een deugdelijke zekerheid ter grootte van 10 miljoen euro moet stellen andermaal verlengd, en wel tot en met 31 december 2017. De voorzieningenrechter overwoog daartoe:

“2.7. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Bij beschikking van 3 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter SE definitief verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van PZEM, omdat daartoe voldoende termen bestonden. De voorzieningenrechter heeft bij de beoordeling van het verlofverzoek tot uitgangspunt genomen dat de vordering van SE in de bodemzaak niet reeds summierlijk ondeugdelijk geoordeeld kan worden. De voorzieningenrechter heeft vervolgens de belangen van partijen tegen elkaar afgewogen. Hij oordeelde in dat kader dat niet langer aannemelijk is gebleken dat nog immer sprake zou zijn van ongerechtvaardigd te lijden hinder als gevolg van het voorwaardelijk gelegde beslag, althans dat in elk geval niet is gebleken dat sprake is van zodanige hinder dat niet tot definitieve verlening van het verlof zou mogen worden overgegaan. Het voorgaande wordt, nu tegen het verleende verlof zelf geen hoger beroep openstaat, bij de beoordeling van het onderhavige verzoek tot uitgangspunt genomen.

2.8.

Indien de termijn waarbinnen SE tegenzekerheid dient te stellen ter grootte van 10 miljoen euro niet wordt verlengd totdat het gerechtshof heeft beslist op het incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad dan wel het hoger beroep tegen de beschikking van 3 juli 2017, zal – nu SE stelt niet aan deze voorwaarde te kunnen voldoen – dat tot gevolg hebben dat het verleende verlof tot het leggen van conservatoir beslag op 1 september 2017 komt te vervallen.

2.9.

Onder deze omstandigheden en in het licht van het hiervoor onder 2.7 overwogene dient het belang van SE bij behoud van het verleende verlof totdat het gerechtshof heeft beslist zwaarder te wegen dan het belang van PZEM bij het beperken van de kosten van de bankgarantie die zij – ter vervanging van het beslag – heeft gesteld. Het verzoek zal daarom worden toegewezen op na te melden wijze.”

3 Het geschil in conventie

3.1.

SE vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  • -

    primair PZEM te gebieden uiterlijk 31 augustus 2017 akkoord te gaan met zekerheid in één van de vormen uiteengezet in paragraaf III van de inleidende dagvaarding, althans een alternatieve vorm van zekerheid en alternatieve datum, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    subsidiair te oordelen dat de voorwaarde als opgenomen in de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 3 juli 2017 is vervuld indien SE uiterlijk 31 augustus 2017 deugdelijke zekerheid stelt voor de kosten van het opzetten van alternatieve zekerheid, met een maximum van € 25.000,00, althans dat die voorwaarde wordt vervangen door de voorwaarde dat SE zekerheid stelt voor de kosten van het opzetten van alternatieve zekerheid, met een maximum van € 25.000,00;

  • -

    meer subsidiair bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de termijn waarbinnen SE tegenzekerheid dient te stellen te verlengen,

met veroordeling van PZEM in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

SE betoogt dat het treffen van een onmiddellijke voorziening bij voorraad ex artikel 254 Rv is vereist, nu bij uitblijven van ingrijpen door de voorzieningenrechter de enige zekerheid die SE heeft in de vorm van een bankgarantie op 31 augustus 2017 zal vervallen, omdat zij niet kan voldoen aan de aan het beslagverlof verbonden voorwaarde dat zij tegenzekerheid ter grootte van 10 miljoen euro moet stellen. SE legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat sprake is van onrechtmatig handelen aan de zijde van PZEM, doordat SE door een kennelijk vooropgezet plan van PZEM in de situatie is gebracht dat zij een contragarantie dient te stellen, die zij niet kán stellen, met als gevolg dat SE geen zekerheid heeft voor haar omvangrijke vordering, althans dat sprake is van onrechtmatig handelen aan de zijde van PZEM doordat zij weigert die onnodig beklemde positie op te heffen. Die onrechtmatigheid kan worden geheeld als PZEM alsnog alternatieve zekerheid stelt, aldus SE. SE legt daarnaast aan haar primaire vordering ten grondslag dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat het gevorderde moet worden toegewezen. SE heeft dit bij dagvaarding en ter zitting toegelicht.

3.3.

SE stelt zich ten aanzien van haar subsidiaire vordering op het standpunt dat de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in artikel 616 lid 1 Rv bevoegd is om in kort geding te oordelen over “een geschil over een krachtens vonnis of beschikking te stellen zekerheid”, alsook op grond van artikel 438 Rv. SE legt in dat kader aan haar vordering ten grondslag dat sprake is van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 lid 2 BW, doordat PZEM met een handig opzetje en het verzwijgen van haar intenties tegenover SE heeft bereikt dat de zekerheid vervalt.

3.4.

PZEM voert verweer en concludeert dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart, althans de vordering afwijst, met veroordeling van SE in de proceskosten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

PZEM vordert – na vermeerdering van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en onder de voorwaarde dat SE niet uiterlijk 31 augustus 2017 deugdelijke tegenzekerheid zal hebben gesteld ter grootte van 10 miljoen euro, SE te veroordelen tot:

  • -

    vergoeding van de door PZEM geleden schade, vooralsnog begroot op € 114.774,00;

  • -

    teruggave van de originele Beslaggarantie aan PZEM binnen 48 uur na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    het desverzocht verlenen van volledige medewerking aan het verval van de beslaggarantie.

4.2.

SE voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing van het gevorderde.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag welk toetsingskader dient te worden aangelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een geschil als bedoeld in artikel 438 Rv, zijnde een geschil dat in verband met een executie is gerezen. Het onderhavige geschil is immers gerezen naar aanleiding van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 3 juli 2017, waarbij SE – op de voet van artikel 700 Rv – verlof is verleend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van PZEM onder de – op de voet van artikel 701 Rv daaraan verbonden – voorwaarde dat SE zekerheid stelt voor schade die door het beslag (in dit geval: het stellen van een bankgarantie) kan worden veroorzaakt.

5.2.

Maatstaf bij de beoordeling van een executiegeschil is of sprake is van misbruik van bevoegdheid. Een bevoegdheid kan ingevolge het bepaalde in artikel 3:13 lid 2 BW onder meer worden misbruikt indien zij wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, alsook in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

5.3.

Indien sprake is van misbruik van bevoegdheid kan de voorzieningenrechter, onverminderd zijn overige bevoegdheden, de executie desgevorderd schorsen. Schorsing van de executie is in de onderhavige zaak evenwel niet gevorderd. De primaire en de subsidiaire vordering van SE strekken beide ertoe de aan het verlof tot het leggen van beslag verbonden voorwaarde te wijzigen. Dit verdraagt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel niet met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De vorderingen zijn daarom niet toewijsbaar.

5.4.

De meer subsidiaire vordering is – ingevolge het bepaalde in artikel 3:303 BW – evenmin toewijsbaar. Nu de termijn waarbinnen SE een deugdelijke zekerheid ter grootte van 10 miljoen euro moet stellen reeds is verlengd bij beschikking van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2017, heeft SE onvoldoende (spoedeisend) belang bij het gevorderde.

5.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Gelet daarop, behoeft hetgeen overigens door partijen is aangevoerd geen bespreking.

5.6.

SE zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PZEM worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.434,00

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De eerst vordering van PZEM strekt tot betaling van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. Volgens vaste rechtspraak zal de rechter niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

6.2.

PZEM legt aan de vordering ten grondslag dat SE (risico)aansprakelijk is voor de schade die PZEM heeft geleden als gevolg van het stellen van de bankgarantie als deze garantie komt te vervallen doordat SE niet (tijdig) een deugdelijke tegenzekerheid ter grootte van 10 miljoen euro stelt. De schade is gelijk aan het gemiste rendement over het bedrag van 93,06 miljoen euro dat PZEM op een bankrekening dient aan te houden om de beslaggarantie in stand te houden, vermeerderd met de kosten van het stellen en gesteld houden van de bankgarantie, aldus PZEM. Gevorderd wordt thans alleen vergoeding van de kosten van de bankgarantie.

6.3.

SE erkent dat zij niet kan voldoen aan de aan het beslagverlof verbonden voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld ter grootte van 10 miljoen euro. Zij betwist evenwel dat voldoende aannemelijk is dat PZEM een vordering op haar heeft, alsook dat PZEM spoedeisend belang heeft bij haar vordering. SE betwist daarnaast de hoogte van de schade.

6.4.

SE voert ten aanzien van de aannemelijkheid van de vordering van PZEM onder meer aan dat een beslaglegger alleen in het geval het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd risicoaansprakelijk is voor het beslag, en dat dit volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad slechts het geval is als de vordering in de bodemprocedure geheel, dus niet ten dele, ongegrond wordt verklaard. Dat betekent volgens SE dat de vordering van PZEM pas na afloop van de bodemprocedure aan de orde kan zijn en dan alleen als de vordering van SE geheel ongegrond wordt verklaard, hetgeen volgens SE – om de door haar in haar conclusie van antwoord weergegeven redenen – onwaarschijnlijk is.

6.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat een beslaglegger risicoaansprakelijk is voor het beslag indien de vordering in de bodemprocedure geheel ongegrond wordt verklaard. PZEM stelt zich echter op het standpunt dat óók in het geval de vordering van SE in de bodemprocedure wordt toegewezen, SE risicoaansprakelijk is voor de schade die is veroorzaakt door het stellen van de bankgarantie. PZEM voert in dat verband het volgende aan: SE heeft op grond van een voorlopig verleend verlof ten laste van PZEM conservatoir beslag gelegd. Dat verlof is vervolgens voorwaardelijk geworden, doordat de voorzieningenrechter aan het definitieve verlof een voorwaarde heeft verbonden. Omdat SE niet aan die voorwaarde kan voldoen, zal het verlof komen te vervallen. Daarmee staat vast dat het beslag ten onrechte is gelegd. De beslaglegger die het voorlopig verleende verlof gebruikt, neemt het risico dat aan het definitieve verlof de voorwaarde wordt verbonden dat zekerheid wordt gesteld. Met die mogelijkheid had SE rekening kunnen en moeten houden. Omdat SE reeds vanaf 15 juni 2017 bekend was met het verzoek van PZEM om aan het verlof de voorwaarde te verbinden dat SE contra-zekerheid moet stellen en wist dat zij daaraan niet zou kunnen voldoen, is zij bovendien ook zonder risicoaansprakelijkheid aansprakelijk voor de schade die zij heeft aangericht.

6.6.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat degene die conservatoir beslag legt op eigen risico handelt en – bijzondere omstandigheden daargelaten – de door het beslag geleden schade dient te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. Onder 'degene die een beslag legt' wordt verstaan degene die een conservatoir beslag legt op grond van een hem niet toekomende vordering (HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366). Daaronder dient naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet mede te worden verstaan degene die conservatoir beslag legt op grond van een verlof dat uiteindelijk niet in stand blijft doordat hij niet aan de aan dat verlof verbonden voorwaarde tot zekerheidstelling kan voldoen. Volgens vaste rechtspraak dient de vraag of het leggen van een beslag onrechtmatig is immers niet te worden beoordeeld naar het moment waarop het beslag is gelegd (HR 8 februari 2008, NJ 2008, 92).

6.7.

Ten aanzien van de stelling van PZEM dat SE ook zonder risicoaansprakelijkheid aansprakelijk is voor de door PZEM geleden schade overweegt de voorzieningenrechter dat dit nader onderzoek vergt, waarvoor een kort gedingprocedure zich niet leent.

6.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestaan van een vordering van PZEM op SE voorshands onvoldoende aannemelijk wordt geacht. Omdat er onvoldoende aanleiding is voor het treffen van een voorziening, zal de vordering strekkende tot betaling van een geldsom worden afgewezen.

6.9.

PZEM legt aan haar overige twee vorderingen ten grondslag dat zij in het geval de bankgarantie van PZEM na 31 augustus 2017 komt te vervallen, er recht op en belang bij heeft dat SE daartoe wordt veroordeeld.

6.10.

SE voert geen verweer tegen deze vorderingen. De vorderingen zullen daarom worden toegewezen, met dien verstande dat – gelet op de verlenging van de termijn waarbinnen SE tegenzekerheid dient te stellen tot en met 31 december 2017 – zal worden bepaald dat teruggave van de originele beslaggarantie aan PZEM dient plaats te vinden binnen 48 uur na afloop van de termijn waarbinnen SE tegenzekerheid dient te stellen, voor zover het gerechtshof de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet schorst en/of de beschikking van 3 juli 2017 bekrachtigt voor zover het de aan het verlof verbonden voorwaarde betreft dat SE een deugdelijke zekerheid van 10 miljoen euro moet stellen.

6.11.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 100.000,00 indien SE niet aan de veroordeling voldoet.

6.12.

PZEM zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SE worden begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00)

Totaal € 408,00

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,

7.2.

veroordeelt SE in de proceskosten, aan de zijde van PZEM tot op heden begroot op € 1.434,00,

7.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.4.

veroordeelt SE om de originele beslaggarantie aan PZEM terug te geven binnen 48 uur na afloop van de termijn waarbinnen SE tegenzekerheid dient te stellen, voor zover het gerechtshof de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet schorst en/of de beschikking van 3 juli 2017 bekrachtigt voor zover het de aan het verlof verbonden voorwaarde betreft dat SE een deugdelijke zekerheid van 10 miljoen euro moet stellen,

7.5.

veroordeelt SE om aan PZEM een dwangsom te betalen van € 100.000,00 indien zij niet aan de in 7.4 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet,

7.6.

veroordeelt SE om desverzocht haar volledige medewerking te verlenen aan het verval van de beslaggarantie,

7.7.

veroordeelt PZEM in de proceskosten, aan de zijde van SE tot op heden begroot op € 408,00,

7.8.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2017.2885/2504