Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8343

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
10/710474-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een collega aangerand. Eis: taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. Rechtbank vindt eis te laag en veroordeelt tot gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/710474-16

Datum uitspraak: 12 oktober 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. K. Wijnmalen, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 september 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.A. Castelein heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van

80 uren met aftrek van voorarrest, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door

40 dagen hechtenis;

- oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer.

4 Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet voldoende wordt ondersteund door enig ander wettig bewijsmiddel. Weliswaar bevat het dossier verklaringen van anderen, maar die zijn allemaal te herleiden tot dezelfde bron, namelijk de aangeefster. De verdachte ontkent. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden zijn naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting en uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen naar voren gekomen.

De aangeefster heeft verklaard dat zij op 8 juni 2016 is aangerand door de verdachte. Zij was aan het werk als havenbeveiliger en zat alleen in een kantoortje op de kade aan de Noordzeeweg te Rozenburg. Rond 20.15 uur kwam de verdachte via de loopbrug het kantoortje binnen. De aangeefster zat achter haar bureau en de verdachte bleef in eerste instantie achter een klaptafel staan. Op een gegeven moment deed de verdachte de plank van de klaptafel omhoog en kwam hij achter het bureau staan. De verdachte pakte het gezicht van de aangeefster beet en trok haar naar zijn eigen gezicht toe. Hij sloeg zijn linkerhand om de aangeefster heen en pakte haar linkerborst beet. Terwijl de verdachte de aangeefster vasthield zoende hij haar een paar seconden op de lippen.

Daarna heeft de verdachte drie of vier keer met zijn beide handen in de borsten van de aangeefster geknepen. Zij zag geen kans om weg te draaien omdat de verdachte haar had klemgezet achter haar bureau. Vervolgens plaatste de verdachte zijn rechterhand over de kleding van de aangeefster op haar vagina.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster gedetailleerd en consistent is en authentiek overkomt. Haar verklaring vindt voorts voldoende steun in de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] . Van deze verklaringen kan niet worden gesteld dat zij slechts te herleiden zijn tot dezelfde bron, namelijk de aangeefster. Deze getuigen hebben immers verklaard over feiten en omstandigheden, die zij zelf hebben waargenomen.

[naam getuige 1] heeft verklaard dat hij op 8 juni 2016 samen met de verdachte aan het werk was op het kraaneiland. Omstreeks 20.15 uur heeft de verdachte tegen hem gezegd dat hij zijn jas uit zijn auto ging halen. De getuige heeft de verdachte op de loopbrug naar de kade zien lopen en later heeft de verdachte bevestigd dat hij bij de security was geweest. [naam getuige 2] , een collega van de aangeefster, heeft verklaard dat hij die dag om 21.20 uur in dienst kwam. De aangeefster vertelde hem dat zij een uur eerder tijdens haar dienst belaagd was door een Turkse man, die aan haar borsten had gezeten en geprobeerd had haar te zoenen. De getuige zag dat de aangeefster ontdaan was en dat zij probeerde haar huilen te onderdrukken. Voorts zei de aangeefster tegen de getuige dat zij zich vies voelde en dat zij naar huis wilde om zich te douchen.

Hier tegenover staan wisselende verklaringen van de verdachte die bovendien niet overeenkomen met die van een getuige. Op 10 juni 2016 heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij op 8 juni 2016 alleen rond 18.45 uur bij het begin van zijn dienst met de aangeefster heeft gesproken. Hij zou daarna niet meer bij aangeefster in het kantoortje zijn geweest. De collega met wie de verdachte werkzaam was, [naam getuige 1] , zou volgens de verdachte kunnen bevestigen dat zij sinds die tijd gedurende vier uur samen zijn geweest. Bedoelde collega heeft bij de politie echter zoals hiervoor al blijkt anders verklaard. Hij heeft immers gezegd dat de verdachte tijdens het werk rond 20.15 uur nog een keer is weggegaan, later is teruggekomen en bevestigd dat hij bij de beveiliging was geweest. De verdachte zou getuige [naam getuige 1] een paar dagen na zijn aanhouding bovendien telefonisch hebben gevraagd bij de politie te bevestigen dat de verdachte om 19:15 uur binnen was en de hele nacht verder constant met hem heeft gewerkt.

Ter terechtzitting heeft de verdachte zijn verklaring over die avond iets aangepast en verklaard dat hij tussen 19.00 uur en 19.30 uur toch nog een keer in het kantoortje is geweest. Hij was achter de afsluiting naast de aangeefster gaan staan maar er is verder niks gebeurd.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze verklaring van de verdachte, gezien het voorgaande ongeloofwaardig is en gaat daaraan voorbij.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte degene is geweest die de aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 08 juni 2016 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, door geweld

en andere feitelijkheden [naam slachtoffer] , heeft

gedwongen tot het dulden van ontuchtige

handeling(en), bestaande uit het

- betasten van en knijpen in de (beklede) borst(en) van die [naam slachtoffer] en

- opzettelijk ontuchtig zoenen op/tegen de mond van die [naam slachtoffer] en

- betasten van de (beklede) vagina van die [naam slachtoffer]

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden uit het

- onverhoeds binnenlopen en zich de toegang verschaffen tot de (afgeschermde)

werkruimte van die [naam slachtoffer] en

- onverhoeds vastpakken en vasthouden en omarmen en klemzetten van die [naam slachtoffer] en

- onverhoeds betasten van en knijpen in de (beklede) borst(en) van die [naam slachtoffer] en

- onverhoeds zoenen op/tegen de mond van die [naam slachtoffer] en

- onverhoeds betasten van de (beklede) vagina van die [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft ’s avonds tijdens zijn werk een vrouw aangerand die daar als beveiligster werkzaam was. Hij heeft de borsten en (over de kleding) de vagina van de vrouw betast, in haar borsten geknepen en haar op de mond gezoend. Dit ging met geweld gepaard. De verdachte hield de vrouw vast, trok haar naar zich toe en zette haar klem achter haar bureau. De verdachte heeft buitengewoon egocentrisch en respectloos gehandeld. Hij heeft niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar hij heeft haar ook enorme angst aangejaagd. Uit het dossier is duidelijk naar voren gekomen dat het slachtoffer veel last heeft gehad van de gevolgen van dit voorval.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

6 september 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld door de strafrechter. De verdachte wordt dan ook aangemerkt als first offender.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

21 juni 2016. De reclassering heeft zich – gelet op de ontkenning door de verdachte – onthouden van advies. Zij acht op basis van de beschikbare informatie interventies betreffende het gedrag van de verdachte of behandelingen niet geïndiceerd.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. In de regel wordt als uitgangspunt voor een dergelijk feit een gevangenisstraf voor de duur van 3 tot 6 maanden gehanteerd. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank voorts acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het strafdossier zijn geen strafverminderende omstandigheden naar voren gekomen. Daarbij komt dat de verdachte ter terechtzitting geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in het verwerpelijke van zijn handelen.

De officier van justitie heeft onder meer geëist een taakstraf op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat deze eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van het door de verdachte gepleegde feit. In het bijzonder brengt het daarbij door de verdachte toegepaste geweld, het klemzetten van aangeefster en de verschillende toegepaste ontuchtige handelingen de rechtbank tot het oordeel dat een taakstraf niet passend is, ook niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Omdat de verdachte als first offender wordt aangemerkt zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 794,59 aan materiële schade en een vergoeding van € 800,00 aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet inhoudelijk betwist.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Uit het schadevergoedingsformulier valt op te maken dat de materiële kosten op verschillende data zijn gemaakt. Dit zou betekenen dat aan iedere materiële schadepost een andere aanvangsdatum van de wettelijke rente zou moeten worden gekoppeld. Daarom zal de rechtbank naar redelijkheid bepalen dat het te vergoeden materiële schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de dagtekening van het schadevergoedingsformulier, te weten 4 september 2017 .

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.594,59 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) maand niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaren, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.594,59 (zegge: eenduizendvijfhonderdvierennegentig euro en negenenvijftig cent), bestaande uit

€ 794,59 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf

4 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, en € 800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 1.594,59 (zegge: eenduizendvijfhonderdvierennegentig euro en negenenvijftig cent), bestaande uit

€ 794,59 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf

4 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, en € 800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.594,59 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Laukens, voorzitter,

en mrs. R.J.A.M. Cooijmans en W.J.M. Diekman, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 08 juni 2016 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, door geweld

en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of

door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer] , heeft

gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handeling(en), bestaande uit het

- betasten van en/of knijpen in de (beklede) borst(en) van die [naam slachtoffer] en/of

- opzettelijk ontuchtig zoenen op/tegen de mond van die [naam slachtoffer] en/of

- betasten van en/of wrijven over de (beklede) vagina van die [naam slachtoffer]

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld en/of die bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) uit

het

- onverhoeds binnenlopen en zich de toegang verschaffen tot de (afgeschermde)

werkruimte van die [naam slachtoffer] en/of

- onverhoeds vastpakken en/of vasthouden en/of omarmen en/of klemzetten van die [naam slachtoffer] en/of

- onverhoeds betasten van en/of knijpen in de (beklede) borst(en) van die [naam slachtoffer] en/of

- onverhoeds zoenen op/tegen de mond van die [naam slachtoffer]

- onverhoeds betasten van en/of wrijven over de (beklede) vagina van die [naam slachtoffer] .