Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:831

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
10/740548-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van doodslag, poging doodslag en voorhanden hebben van vuurwapens tot 15 jaar gevangenisstraf. Gedeeltelijke toewijzing vordering bp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0153

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/740548-15

Datum uitspraak: 1 februari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 17 januari en 18 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Tiebosch heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde voorbedachte raad;

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde (poging) doodslag en het onder 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Partiële vrijspraak “voorbedachte raad” zonder nadere motivering (feiten 1 en 2)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde moord en de poging daartoe niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring voorhanden hebben van wapens zonder nadere motivering (feit 3)

Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijsverweren ten aanzien van het medeplegen (feiten 1 en 2)

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van de (poging) doodslag. Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. [medeverdachte 1] was niet op de hoogte van het plan van de verdachte om [slachtoffer 1] te beroven. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben volledig los van elkaar en zonder enige weet te hebben van wat de ander deed gehandeld. [medeverdachte 1] is in een worsteling geraakt met [slachtoffer 1] waarbij twee schoten zijn gelost. De verdachte had hier geen invloed op en wilde ook niet dat dit gebeurde. De verdachte heeft [slachtoffer 2] doodgeschoten en kan voor doodslag worden veroordeeld. [medeverdachte 1] heeft hieraan geen enkele bijdrage geleverd en zijn opzet was hier ook niet op gericht. Van medeplegen is dus geen sprake.

De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 1] inconsequent en onbetrouwbaar zijn.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.

Op 10 december 2015 omstreeks 22:00 uur heeft in de woning aan [adres slachtoffer 1] een schietincident plaatsgevonden. Daarbij is [slachtoffer 2] door twee kogels dodelijk getroffen. [slachtoffer 1] is eveneens door twee kogels geraakt maar heeft dit overleefd. Wel heeft hij zwaar letsel opgelopen. Vast is komen te staan dat door de verdachte en zijn [medeverdachte 1] met twee vuurwapens is geschoten. [slachtoffer 1] is geraakt door kogels afgevuurd met een revolver. [slachtoffer 2] is geraakt door kogels afgevuurd met een pistool.

Anders dan aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen van de doodslag en de poging doodslag. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat:

- er een conflict was tussen verdachte en [slachtoffer 1] over een eerdere afname van wiet;

- de verdachte en de [medeverdachten] op de avond van 10 december 2015 (voorafgaand aan het schietincident) in de woning van de vriendin van de verdachte zijn geweest en dat zij daar hebben afgesproken om [slachtoffer 1] te beroven;

- de verdachte onder een vals voorwendsel (om een schaartje te brengen) met [slachtoffer 1] heeft afgesproken dat hij die avond langs zou komen;

- de verdachte met zijn medeverdachten in de BMW van [medeverdachte 2] naar de woning van [slachtoffer 1] is gereden;

- de afspraak was dat [medeverdachte 2] in de auto op hen zou wachten;

- de verdachte en [medeverdachte 1] de woning van [slachtoffer 1] zijn binnengegaan;

- zowel de verdachte als [medeverdachte 1] op het moment dat zij de woonkamer betraden in het bezit was van een schietklaar vuurwapen;

- [slachtoffer 1] , bij binnenkomst van de verdachten in de woning, een klap op zijn achterhoofd heeft gekregen en dat door beide verdachten is geroepen “waar is het geld, waar is de drugs?”;

- met beide vuurwapens meermaals is geschoten;

- de verdachte en [medeverdachte 1] gelijktijdig, althans zeer kort na elkaar, de woning hebben verlaten;

- door getuigen is gezien dat de verdachte en [medeverdachte 1] kort na het schietincident samen de straat uit renden;

- [medeverdachte 1] buiten zijn wapen aan verdachte heeft gegeven en dat verdachte beide wapens in [het water] heeft gegooid;

- de verdachte en [medeverdachte 1] zich op dezelfde plaats hebben ontdaan van hun bivakmuts en baseball cap;

- de verdachte en [medeverdachte 1] samen te voet naar de woning van de vriendin van de verdachte zijn teruggelopen;

- de [medeverdachte 1] is opgepikt door [medeverdachte 2] , waarna zij samen naar Lelystad zijn gereden.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet alleen sprake is geweest van een gezamenlijk plan om [slachtoffer 1] onder dreiging van doorgeladen vuurwapens te beroven, maar dat ook blijkt van een gezamenlijke uitvoering daarvan. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om met de vuurwapens te schieten. Echter, gelet op het feit dat de verdachte en de [medeverdachte 1] met getrokken, schietklare vuurwapens de woning van [slachtoffer 1] zijn binnengegaan met als doel die [slachtoffer 1] te beroven, alsmede het feit dat zij wisten dat [slachtoffer 1] zelf ook in het bezit was van een vuurwapen, kan het niet anders dan dat de verdachten erop waren voorbereid om die vuurwapens ook daadwerkelijk te gebruiken. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat de vuurwapens geladen waren omdat “alles slecht [kan] aflopen in de drugsscene”. Ook hieruit blijkt dat de samenwerking zich in voorwaardelijke zin heeft uitgestrekt tot het plegen van de doodslag en de poging daartoe.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat - hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld wie met welk wapen heeft geschoten - beide verdachten als medepleger van de doodslag en de poging daartoe kunnen worden aangemerkt.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] op de voor bewijs gebruikte onderdelen wel betrouwbaar, aangezien zij steun vinden in andere bewijsmiddelen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 10 december 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte of zijn mededader opzettelijk, meermalen, met een vuurwapen een kogel afgevuurd op die [slachtoffer 2] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

2.

hij op 10 december 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet meermalen, met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op, althans in de richting van, die [slachtoffer 1] waardoor die [slachtoffer 1] in het lichaam en het gezicht is geraakt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

hij op 10 december 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, twee wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten twee vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet, in de vorm van een pistool en een revolver, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1

medeplegen van doodslag;

feit 2

medeplegen van poging tot doodslag;

feit 3

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met een ander tijdens een gewapende overval op een woning een man gedood en een ander zwaar verwond. De overleden persoon, [slachtoffer 2] , was op vakantie in Nederland en door een ongelukkig toeval in de getroffen woning aanwezig. Hij laat een vrouw en kinderen achter. Het andere slachtoffer, [slachtoffer 1] , is in zijn gezicht en in zijn heup geschoten. Zijn kaak is op meerdere plaatsen gebroken, hij is tanden en kiezen kwijtgeraakt en zijn tong moest worden gehecht. Tot op de dag van vandaag heeft [slachtoffer 1] last van klachten en beperkingen, nog steeds kan hij zijn voedsel niet kauwen en heeft hij moeite met praten. Het is onduidelijk of [slachtoffer 1] volledig van zijn verwondingen zal herstellen. Daarnaast is sprake van invoelbaar psychisch leed door herbelevingen en doordat een vriend voor zijn ogen werd neergeschoten.

De aanleiding voor de overval doet futiel aan. [slachtoffer 1] zou aan de verdachte een hoeveelheid van 200 gram wiet hebben aangeboden voor € 900 maar vroeg bij levering om € 980. De verdachte voelde zich bedonderd en wilde [slachtoffer 1] terugpakken door met geweld iets van hem af te nemen. Omdat hij vermoedde dat [slachtoffer 1] over een wapen zou beschikken heeft hij zichzelf bewapend en zich verzekerd van dekking door de eveneens bewapende medeverdachte.

Deze onbezonnen actie heeft het leven gekost aan de nietsvermoedende bezoeker [slachtoffer 2] , heeft [slachtoffer 1] voor het leven getekend en zal de vrienden en familie van alle betrokkenen enorm veel verdriet hebben bezorgd. Daarnaast draagt deze actie bij aan gevoelens van onveiligheid in een stad die veel te vaak door schietincidenten wordt opgeschrikt.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 december 2016 en een strafkaart van 30 mei 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 juni 2016. Dit rapport houdt het volgende in.

De Nederlandse justitiële voorgeschiedenis van de verdachte is blanco. Hij verblijft sinds augustus 2015 in Nederland. Op [geboorteplaats] heeft hij vanaf zijn dertiende jaar een leven geleid als bendelid. In Nederland heeft de verdachte zijn praktische leefgebieden niet op orde (gekregen); er is geen zinvolle dagbesteding, hij heeft geen (legaal) inkomen, geen vaste huisvesting en voorafgaand aan detentie was er sprake van dagelijks softdrugsgebruik. De verdachte zou een relatie hebben en samen met zijn vriendin een zoontje hebben, maar de reclassering mag dit niet bij zijn vriendin verifiëren. Volgens het NIFP-consult zijn er geen aanwijzingen voor psychische problemen of persoonlijkheidsproblematiek. Gezien het instabiele leven van de verdachte en zijn verleden als bendelid, wordt de kans op recidive als hoog ingeschat. Onbekend is wat het risico is op het onttrekken aan voorwaarden. De verdachte heeft te kennen gegeven dat hij wegens geweldsdelicten op [geboorteplaats] veelvuldig is veroordeeld. Ook vanwege de aard van het huidige delict wordt de kans dat personen risico lopen op letsel als hoog ingeschat. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de conclusie dat op de bewezenverklaarde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met een zeer langdurige gevangenisstraf. De officier van justitie heeft de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de persoon van de verdachte goed in haar strafeis verdisconteerd. Er is dan ook geen reden om af te wijken van de gevorderde straf. Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1] , wonende te Rotterdam, ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 7.960,59 aan materiële schade en een vergoeding van € 40.000,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunten officier van justitie en verdediging

Nu de beoordeling van de hoogte en de toetsing van de onderbouwing van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, dient de benadeelde partij naar de mening van de officier van justitie en de verdediging niet‑ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering niet genoegzaam is onderbouwd zodat de vordering dient te worden afgewezen.

8.2.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank acht de vordering echter niet ten aanzien van iedere gevorderde schadepost genoegzaam onderbouwd, zodat de vordering slechts ten aanzien van de volgende opgevoerde schadeposten zal worden toegewezen:

  • -

    ziektekosten (kosten behandeling Erasmus MC): € 1.425,36;

  • -

    verlies aan arbeidsvermogen: € 2.061,66;

  • -

    extra studiekosten: € 573,00;

  • -

    kosten verhuizing: € 70,00.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden kan hiervoor een bedrag worden toegewezen van € 10.000. Tot dat bedrag is de vordering voldoende eenvoudig van aard, zodat deze zich tot dat bedrag leent voor toewijzing door de strafrechter.

Het overige deel van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is dat niet en de behandeling daarvan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal dan ook voor dat overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 december 2015.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 14.130,02.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten met voorbedachte raad heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 14.130,02 (zegge: veertienduizend honderddertig euro en 2 eurocent), bestaande uit € 4.130,02 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 14.130,02 (zegge: veertienduizend honderddertig euro en 2 eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 december 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 14.130,02 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 105 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. E.G. Fels en J. de Lange, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Kerens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 februari 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 december 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) afgevuurd op, althans in de richting van, die [slachtoffer 2] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

(art. 289/287 jo 47 Sr)

2.

hij op of omstreeks 10 december 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op, althans in de richting van, die [slachtoffer 1] (waardoor die [slachtoffer 1] in het lichaam

en/of het gezicht is geraakt), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(art. 289/287 jo 47 jo 45 Sr)

3.

hij op of omstreeks 10 december 2015 te Rotterdam een of meer wapens tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, twee, althans een, wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten twee, althans een, vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet, in de vorm van een pistool en/of een revolver, voorhanden heeft gehad.

(art. 26/55 WWM jo 47 Sr)