Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:819

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
KTN-5068086_03012017
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medewerking aan bewijsgaring op onredelijke grond geweigerd, in combinatie met niet in persoon ter comparitie verschijnen door gedaagde. Het te bewijzen feit (het hebben ondergaan van medische behandeling door gedaagde) is aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5068086 CV EXPL 16-20530

uitspraak: 3 februari 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Menzis Zorgverzekeraar N.V.,

gevestigd te Wageningen,

eiseres,

gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.J. Ruysendaal te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “Menzis” en “ [gedaagde] ”.

1 Het (verdere) verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het tussenvonnis van 30 september 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de akte van Menzis met producties ten behoeve van de comparitie van partijen;

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 december 2016 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De datum van de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De beoordeling van de vordering

2.1

In het tussenvonnis is vastgesteld dat [gedaagde] op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst in 2014 bij Menzis verzekerd is geweest tegen ziektekosten. In dat jaar gold een verplicht eigen risico van € 360,00. Parnassia Bavo Groep (hierna: Parnassia) heeft in 2014 bij Menzis zorgkosten gedeclareerd ten bedrage van € 1.001,87 in verband met verleende zorg aan [gedaagde] . Het gedeclareerde bedrag is geheel betaald aan Parnassia, zonder rekening te houden met voormeld eigen risico van [gedaagde] .

2.2

Menzis vordert van [gedaagde] het bedrag van € 360,00 aan eigen risico als hoofdsom.

2.3

Reeds is geoordeeld dat de verschuldigdheid van het bedrag van € 360,00 niet vast staat. Betwist is namelijk dat de betaling door Menzis terecht is verricht, omdat [gedaagde] aanvoert dat haar in 2014 geen zorg is verleend door Parnassia. Nadere bewijslevering op dit punt is nodig geacht, waartoe Menzis is toegelaten. Tevens is een comparitie van partijen bepaald.

2.4

Ten behoeve van de comparitie van partijen heeft Menzis aanvullende producties in het geding gebracht. Daarbij heeft Menzis uiteengezet dat zij, ter onderbouwing van het gestelde dat [gedaagde] in 2014 bij Parnassia onder behandeling is geweest, een daartoe strekkende verklaring van Parnassia in het geding had willen brengen, maar dat een dergelijke verklaring zonder toestemming van [gedaagde] niet wordt verstrekt omdat anders het medisch beroepsgeheim en de privacy van [gedaagde] in het gedrang komt. [gedaagde] heeft bedoelde toestemming echter niet verleend, waardoor Menzis het verlangde bewijs niet kan leveren.

2.5

[gedaagde] is vanwege haar gemoedstoestand niet in persoon verschenen bij de comparitie van partijen. Haar gemachtigde heeft namens haar verklaard dat [gedaagde] volhardt in haar weigering om bedoelde toestemming aan Parnassia te verlenen.

2.6

Menzis stelt zich thans op het standpunt dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij het verlangde bewijs niet kan leveren. Dat standpunt wordt gedeeld, zij het niet op grond van overeenkomstige toepassing van hetgeen geoordeeld is in het vonnis van deze rechtbank d.d. 6 februari 2009, met zaaknummer 890321 \ CV EXPL 08-17916, want in die zaak heeft de zorgverlener de zorgkosten gedeclareerd bij de verzekerden, die op hun beurt de zorgkosten hebben gedeclareerd bij hun ziektekostenverzekeraar. Het is niet aannemelijk geacht dat zij een nota bij hun zorgverzekeraar zouden indienen terzake van behandelingen die niet zijn verricht of medicijnen die niet zijn verstrekt. Die zaak is dus anders dan de onderhavige zaak waarin Parnassia direct bij Menzis kosten heeft gedeclareerd, zonder tussenkomst van [gedaagde] .

2.7

De weigerachtige opstelling van [gedaagde] om Parnassia toestemming te verlenen om informatie aan Menzis te verstrekken, wordt onredelijk geacht. Immers, indien het verweer dat haar in 2014 géén zorg verleend is door Parnassia juist is, dan levert een bevestiging daarvan door Parnassia aan Menzis geen strijd op met het medisch beroepsgeheim en leidt dit niet tot een inbreuk op de privacy van [gedaagde] . Als het verweer dat er geen zorg verleend is klopt, dan heeft [gedaagde] geen rechtens te respecteren belang bij de weigering om de gevraagde toestemming, die niet verder hoeft te strekken dan het instemmen met het bevestigen dat geen zorg is verleend in 2014, te verlenen.

2.8

Doordat [gedaagde] niet in persoon verschenen is bij de comparitie van partijen, is het niet mogelijk geweest om haarzelf hierover ter zitting vragen te stellen. Evenmin heeft zij de gelegenheid aangegrepen om haar weigering toe te lichten. Gelet hierop, alsmede gezien de reden voor de afwezigheid van [gedaagde] bij de zitting (haar gemoedstoestand die een verschijning niet toeliet), wordt het ervoor gehouden dat [gedaagde] in 2014 onder behandeling geweest is bij Parnassia en dat de daarmee gemoeide zorgkosten gedeclareerd zijn bij Menzis die deze kosten, waaronder € 360,00 aan eigen risico van [gedaagde] , voldaan heeft aan Parnassia.

2.9

Ondanks tot betaling te zijn aangesproken, waarbij een termijn voor nakoming is gesteld, is het bedrag van € 360,00 niet betaald aan Menzis, waardoor [gedaagde] in verzuim verkeert. Ook na latere sommaties is betaling uitgebleven. Daarom heeft Menzis recht op het bedrag van € 360,00 en maakt zij hier op goede gronden aanspraak op. Het gevorderde bedrag van € 360,00 aan hoofdsom wordt toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2016. De al verschenen rente van € 3,36 wordt eveneens toegewezen, omdat hiertegen geen verweer is gevoerd.

2.10

Het gevorderde bedrag van € 65,34 aan buitengerechtelijke incassokosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat in de aanmaning aan

[gedaagde] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.

2.11

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van Menzis vastgesteld op € 117,00 aan griffierecht, € 94,08 aan explootkosten en

€ 1,93 aan informatiekosten, tezamen € 213,01 aan verschotten, en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde.

3 De beslissing

De kantonrechter,

veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis tegen kwijting te betalen € 363,36, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 360,00 vanaf 29 april 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Menzis vastgesteld op € 213,01 aan verschotten en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465