Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8095

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
10/120060-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de overtreding van artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969. Namens de verdachte is een beroep gedaan op artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969. Naar het oordeel van de kantonrechter staat echter het bepaalde in artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 het onderhavige beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969 in de weg, gelet op het feit dat de zoon van verdachte tot voor kort ingeschreven heeft gestaan op een openbare basisschool. Ook maakt artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 geen inbreuk op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op family life.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/120060-17

Datum uitspraak: 9 oktober 2017

Tegenspraak

Vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigde drs. P.J. van Zuidam, kantoorhoudende te Lelystad.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 9 januari 2017 tot en met 30 maart 2017
te Sassenheim, gemeente Teylingen, in elk geval in Nederland
als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010,
niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen
van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere,
die als leerling van een school, te weten Openbare Basisschool Het Bolwerk,
stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht.

( art 2 lid 1 Leerplichtwet 1969 )

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Verhoek heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geldboete, groot € 375,--, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis;

4 Het standpunt van de verdachte

De gemachtigde heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De verdachte is met haar gezin in januari 2017 vanuit Sassenheim verhuisd naar Achthuizen. In Sassenheim bezocht de zoon van de verdachte, [naam minderjarige] , de openbare basisschool ‘Het Bolwerk’. Door de verhuizing was het ondoenlijk geworden om [naam minderjarige] dagelijks de school te laten bezoeken. De ouders hebben de basisschool ‘Het Bolwerk’ verzocht om [naam minderjarige] uit te schrijven als leerling. De school weigerde aan dit verzoek te voldoen. Voor het feit dat [naam minderjarige] na de verhuizing de school niet meer bezocht kunnen de ouders in gegeven omstandigheden van dagelijks benodigde reisafstand en reistijd van huis naar school niet verantwoordelijk worden gehouden. De reis van huis naar school bedraagt tenminste 90,6 kilometer. Zulk op en neer reizen zou schadelijk zijn geweest voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van [naam minderjarige] . De verdachte kan daarom niet verantwoordelijk worden geacht voor het niet naar school gaan van [naam minderjarige] . De verdachte dient om die reden vrijgesproken te worden.

Subsidiair voert de gemachtigde aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte op grond van haar levensovertuiging, de Islam, recht op vrijstelling heeft als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw). De verdachte heeft voldaan aan de voorwaarden die gelden voor het verkrijgen van een vrijstelling: zij heeft een kennisgeving van het beroep op vrijstelling gedaan aan de gemeente Goeree- Overflakkee, welke kennisgeving tevens een verklaring inhield dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs op alle binnen een redelijke afstand van de woning gelegen scholen. De kennisgeving van het beroep op vrijstelling is direct na de verhuizing naar de nieuwe woongemeente binnengekomen. Daarmee is voldaan aan artikel 6 lid 2 Lpw. De kennisgeving bevatte de door artikel 8 lid 1 van de Lpw vereiste mededeling ‘dat tegen het onderwijs op alle binnen redelijke afstand gelegen scholen onderscheidenlijk instelling waarop [naam minderjarige] geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan’. In deze zaak bestempelt artikel 8 lid 2 Lpw het door de ouders ingediende beroep op artikel 5 onder b Lpw als ongeldig, omdat er op redelijke afstand van hun nieuwe woning een school voor [naam minderjarige] beschikbaar is, die zelfde richting voert als die van de school waarop [naam minderjarige] in het jaar voor dagtekening van het beroep geplaatst is geweest. [naam minderjarige] wordt echter van voldoende onderwijs in de thuissituatie voorzien, hetgeen blijkt uit het keurmerk dat is verleend door de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs. Blijkens de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming wordt [naam minderjarige] ook niet in zijn ontwikkeling bedreigd. Dit maakt dat de inmenging in het recht op uitoefening van het ouderlijk gezag (onderdeel van het recht op family life), artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) waartoe toepassing van artikel 8, lid 2 van de Lpw leidt, niet noodzakelijk is. De ouders zijn op grond van artikel 8 EVRM, het recht op family life, gerechtigd om zelf het onderwijs van hun zoon te kiezen. Gelet op hun levensovertuiging en op het feit dat er geen Islamitische school op redelijke afstand van hun woning is, hebben de ouders gekozen om [naam minderjarige] thuis onderwijs te geven. De inschrijfplicht geldt daarom als opgeheven voor [naam minderjarige] . De verdachte dient ook om die reden vrijgesproken te worden.

Meer subsidiair voert de gemachtigde aan dat indien sprake is van wetsovertreding, artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht dient te worden toegepast.

5 Wettelijke regeling

De relevante bepalingen van de Leerplichtwet 1969 luiden:

Artikel 2 Verantwoordelijke personen

1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. (….)

2. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.

Artikel 5 Gronden voor vrijstelling van inschrijving

De in artikel 2, eerste lid , bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang

a. (…)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben;

c. (….).

Artikel 6 Kennisgeving

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, hebben kennis gegeven, voor welke jongere en op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken.

2. Deze kennisgeving moet worden ingediend:

a. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en

b. zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli.

3. (….).

Artikel 8 Bedenkingen tegen richting van school

1. Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

2. Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit.

6 Inschrijving van de jongere als leerling van een school

Verdachte heeft (mede) het gezag over en is (mede) belast met de feitelijke verzorging van haar zoon [naam minderjarige] (geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010 te [geboorteplaats minderjarige] ).

7 De dossierstukken

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende dossierstukken:

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van de leerplichtambtenaar d.d. 17 maart 2017 met bijlagen;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van de leerplichtambtenaar d.d. 30 maart 2017 met bijlagen;

  • -

    de brief, met bijlagen, van de gemachtigde van 22 augustus 2017;

  • -

    de brief, met bijlagen, van de gemachtigde van 20 september 2017.

8 De beoordeling

Uit de stukken blijkt dat:

- [naam minderjarige] sinds 23 mei 2014 als leerling ingeschreven stond bij de Openbare Basisschool ‘Het Bolwerk’ te Sassenheim;

- de verdachte met haar gezin, waaronder [naam minderjarige] , in januari 2017 naar Achthuizen is verhuisd;

- [naam minderjarige] sinds 9 januari 2017 geen onderwijs meer gevolgd heeft op genoemde basisschool;

- [naam minderjarige] in juli 2017 is uitgeschreven als leerling van deze basisschool;

- [naam minderjarige] sindsdien niet meer is ingeschreven op een (andere) basisschool.

Ter terechtzitting is naar voren gebracht dat de verdachte en haar man welbewust ervoor hebben gekozen om [naam minderjarige] thuisonderwijs te geven, omdat er niet in de nabijheid van hun woning een Islamitische school aanwezig is. Vanwege hun levensovertuiging, de Islam, willen de verdachte en haar man [naam minderjarige] niet meer naar een openbare basisschool laten gaan. Zij hebben daarvoor een kennisgeving van hun beroep op artikel 5 sub b Lpw gestuurd aan de gemeente Goeree-Overflakkee.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat echter het bepaalde in artikel 8 lid 2 Lpw het onderhavige beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Lpw in de weg, gelet op het feit dat [naam minderjarige] tot voor kort ingeschreven heeft gestaan op de openbare basisschool ‘Het Bolwerk’.

Ter terechtzitting heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat artikel 8 lid 2 Lpw in strijd is met artikel 8 EVRM. De kantonrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

In het arrest van de Hoge Raad (HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1338) is overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school geregeld bezoekt en dat slechts in de in art. 5 in verbinding met art. 8 Lpw omschreven gevallen een beroep kan worden gedaan op vrijstelling van deze verplichting. Met deze regeling wordt beoogd het recht op onderwijs voor het kind te garanderen. Gelet op het belang dat een kind zich binnen een (scholen)gemeenschap, waaraan ook andere kinderen deelnemen, kan ontwikkelen en vormen, maakt in een geval als het onderhavige het tweede lid van art. 8 Lpw geen ongerechtvaardigde inbreuk op de door art. 8 en 14 EVRM gewaarborgde rechten.

Voor de beoordeling relevante verschillen tussen voornoemde zaak en de onderhavige zaak, zijn door de verdachte niet gesteld en zijn de kantonrechter ook overigens niet gebleken. De kantonrechter is mitsdien, nu er in hetgeen is aangevoerd door de verdachte geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor een andere opvatting, van oordeel dat artikel 8 lid 2 Lpw ook in de onderhavige zaak geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op family life.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de verdachte geen beroep toekomt op vrijstelling van haar verplichting om haar zoon [naam minderjarige] in te schrijven bij een school of instelling, c.q. deze na inschrijving geregeld te doen bezoeken. Derhalve is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd.

Namens de verdachte is nog een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 2, tweede lid Lpw. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de verdachte niet onderbouwd op welke gronden zij niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor het niet inschrijven van c.q. geregeld doen bezoeken door [naam minderjarige] van een school. De enkele reisafstand tussen de voormalige basisschool en de nieuwe woonplaats is daartoe, wat daarvan overigens ook zij, immers niet voldoende.

9 Bewezenverklaring

In bijlage I heeft de kantonrechter de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij in de periode van 9 januari 2017 tot en met 30 maart 2017
te Sassenheim, gemeente Teylingen, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten Openbare Basisschool Het Bolwerk,
stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

10 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Als persoon bedoeld in art. 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in art. 2, eerste lid van die wet opgelegde verplichting niet nakomen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

11 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

12 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan is gebleken uit het dossier.

De kantonrechter is van oordeel dat de door verdachte gepleegde overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 niet onbestraft kan blijven. De verdachte heeft [naam minderjarige] na de verhuizing niet meer naar school laten gaan, omdat zij van mening is dat haar op basis van haar levensovertuiging, de Islam, vrijstelling van die verplichting toekomt. De verdachte heeft er aldus bewust voor gekozen niet aan genoemde verplichting te voldoen.

De kantonrechter heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Alles afwegend acht de kantonrechter de hierna te noemen straf passend en geboden.

13 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969.

14 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

15 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 375, 00 (driehonderdvijfenzeventig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.A. Pit, kantonrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2017.