Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8078

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
Parketnummer: 10/691093-17 / VI-nummer: 99/000398-24
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vuurwapenbezit, onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 492 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/691093-17

VI-nummer: 99/000398-24

Datum uitspraak: 28 september 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Grave,

raadsman mr. D. Nieuwenhuis, advocaat te Arnhem.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 492 dagen, in de zaak met VI-nummer 99/000398-24.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering – feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 24 juni 2017 te Rotterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk: Remmington, type: 1911, kaliber: .45 ACP, kleur: zwart), en een onderdeel/hulpstuk van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn dat van wezenlijke aard is en specifiek bestemd is voor een pistool van het model/type: 1911, kaliber: .45 ACP en (voor voornoemd vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten 14 kogelpatronen van het kaliber .45 ACP, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft met een geladen vuurwapen als bijrijder in de auto van zijn zwager door Rotterdam gereden. In zijn eigen auto had de verdachte bovendien een patroonmagazijn dat ook munitie bevatte, en dat bestemd was voor het bij de verdachte aangetroffen vuurwapen.

Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voorwerpen is naar zijn aard zeer gevaarlijk voor iedere burger die met het gebruik ervan wordt geconfronteerd. Het voorhanden hebben van vuurwapens bevordert het gebruik ervan en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een voortgangsrapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 mei 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte staat onder toezicht van de reclassering sinds 4 oktober 2016. De reclassering komt tot de conclusie dat het toezicht van de verdachte niet altijd naar behoren verloopt. Zo komt de verdachte zijn meldplichtafspraken niet steeds (tijdig) na. Ook is de verdachte niet eerlijk geweest over het overtreden van algemene en bijzondere voorwaarden. Zo is de verdachte ondanks een alcoholverbod tweemaal aangehouden wegens rijden onder invloed. De verdachte heeft gezien het voorgaande al meerdere mondelinge en schriftelijke waarschuwingen van de reclassering ontvangen. De reclassering wil het toezicht desondanks blijven voortzetten. De conclusie van de reclassering is dat de verdachte laat zien dat, hoewel het met vallen en opstaan gaat en hij fouten maakt, hij een positieve draai wil geven aan zijn leven.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

In strafvermeerderende zin houdt de rechtbank ernstig rekening met het feit dat de verdachte al meerdere malen is veroordeeld voor vuurwapenbezit.

De rechtbank houdt verder ten nadele van de verdachte rekening met de omstandigheden waaronder het vuurwapen is aangetroffen, te weten gebruiksklaar en op de openbare weg. Door een dergelijk wapen op die manier bij zich te hebben, heeft de verdachte anderen, maar ook zichzelf, aan een groot potentieel gevaar blootgesteld.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

8.1.

Beslissing waarvan herroeping wordt gevorderd

Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg is de verdachte op 10 september 2014 veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast is de verdachte bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Limburg op 6 februari 2013 veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 2 weken, met aftrek van voorarrest.

De verdachte is in het kader van deze gevangenisstraffen op 20 september 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de hierbij gestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is ingegaan op 20 september 2016 en bedraagt 492 dagen.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert volledige herroeping van de invrijheidstelling voor de duur van 492 dagen. Ondanks meerdere veroordelingen voor vuurwapenbezit is de verdachte wederom voor een zelfde soort feit aangehouden. Bovendien is eerder ook al een voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte herroepen. Volgens de officier van justitie bestaan er geen bijzondere omstandigheden die zouden maken dat slechts gedeeltelijke herroeping zou moeten plaatsvinden .

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering tot volledige herroeping met name is gebaseerd op het justitiële verleden van de verdachte. Inmiddels is er een kentering in het leven van de verdachte te ontdekken, alhoewel dit met vallen en opstaan gaat. Wanneer de verdachte nu wederom langere tijd gedetineerd is, zal dit hem ver terugwerpen en zal dit op lange termijn juist leiden tot een vergrote kans op herhaling.

8.4.

Beoordeling

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde niet nageleefd. De verdachte was gelet op de herroeping van een eerdere vervroegde invrijheidsstelling een gewaarschuwd man. Mede gezien het moeizaam verlopen toezicht en het feit dat de verdachte welbewust blijft rondlopen met een (geladen) vuurwapen terwijl hij hiervoor al meermalen eerder is veroordeeld en bestraft, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een volledige herroeping in dit geval proportioneel en geboden is.

Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel, te weten 492 dagen, moet worden ondergaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, groot 492 dagen, alsnog moet worden ondergaan.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Laukens, voorzitter,

en mrs. K. Bakker en F.A. Hut, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2017 te Rotterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk: Remmington, type: 1911, kaliber: .45 ACP, kleur: zwart), en/of een onderdeel/hulpstuk van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn dat van wezenlijke aard is en specifiek bestemd is voor een pistool van het model/type: 1911, kaliber: .45 ACP en/of (voor voornoemd vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten 14 kogelpatronen van het kaliber .45 ACP, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 24 juni 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 27,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.