Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8077

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
10/730112-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor witwassen en het in bezit hebben van 6 vuurwapens, waaronder 3 pistoolmitrailleurs, de daarbij horende munitie (173 kogelpatronen) en een geluiddemper.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar. Verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag van € 182,710,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/730112-16

Datum uitspraak: 19 september 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,

raadsvrouw mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Tiebosch heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat gelet op de verzuimen, nadelen en schendingen in het kader van het staande houden en de vermeende verdenking tegen de verdachte, de gronden voor het betreden van het appartement alsmede het doorzoeken van dit appartement, geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Daarnaast voert de raadsvrouw aan dat artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden, dat in strijd is gehandeld met het willekeurbeginsel in het kader van het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie ten aanzien van het witwassen, en dat de verslaglegging door de politie onbetrouwbaar is. Ook ten aanzien hiervan concludeert de raadsvrouw tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

4.2.

Beoordeling

Niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie als bedoeld in artikel 359a Sv, komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is plaats indien het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Derhalve dient sprake te zijn van een ernstige en verwijtbare schending van het recht op een eerlijk proces. Ook indien de belangen van de verdachte niet zijn geschaad, kan de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard, namelijk wanneer de gemaakte inbreuk, gelet op het fundamentele karakter daarvan, het wettelijke systeem in de kern raakt.

De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer en overweegt daartoe als volgt.

4.2.1

De toedracht van het staande houden van en de verdenking jegens de verdachte

De beschrijving in het proces-verbaal van politie van 15 september 2016 van de gebeurtenissen en omstandigheden die hebben geleid tot het staande houden van, de verdenking jegens en de aanhouding van de verdachte, acht de rechtbank adequaat. De getuigenverklaringen die door de verbalisanten bij de rechter-commissaris zijn afgelegd over dit onderdeel geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud daarvan, noch aan de authenticiteit van de door de verbalisanten opgestelde verbalen. Van doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling tekortdoen is, anders dan de verdediging betoogt, niet gebleken.

Uit het proces-verbaal van 15 september 2016 blijkt dat er op 14 september 2016 een preventieve fouilleeractie plaatsvond in het centrum van Rotterdam. De auto waarin de verdachte als bijrijder zat is in verband daarmee gecontroleerd. De verdachte werd aan zijn kleding onderzocht. Aan de bij de verdachte aangetroffen sleutelbos zat een autosleutel van een Citroën C3 en een sleutel die de verbalisanten herkenden als behorend bij het luxueuze appartementencomplex ‘De Hoge Heren’ aan de Gedempte Zalmhaven te Rotterdam. De appartementen in dit complex worden voor ongeveer € 2.500,- per maand verhuurd. De sleutel behoorde bij de toegangsdeur van het portiek. Tevens bleek de verdachte € 500,- contant geld bij zich te hebben. Op basis van ervaringen van de politie is bekend dat er in dit appartementencomplex en in de directe omgeving op grote schaal zware criminaliteit plaatsvindt. De verdachte verklaarde niet woonachtig te zijn aan de Gedempte Zalmhaven en personal trainer te zijn. Op de vraag of hij inkomsten had verklaarde de verdachte dat hij werkloos was. In de auto werd ook nog een grote hoeveelheid mobiele telefoons aangetroffen. De verdachte - die bijrijder was - verklaarde desgevraagd niet te weten hoe de bestuurder heette. Toen de verdachte geconfronteerd werd met de omstandigheid dat de verbalisanten een sleutel herkenden als behorende bij genoemd appartementencomplex verklaarde hij plotseling dat daar een vriend van hem woonachtig was en kwam hij erg zenuwachtig op de verbalisanten over.

Het voorgaande wordt ondersteund door de notitie van verbalisant [naam verbalisant] die aan diens proces-verbaal van 23 mei 2017 is gehecht. Die notitie heeft betrekking op de aanhouding van de verdachte en vermeldt kennelijk in een aantal steekwoorden de feiten en omstandigheden die tot de verdenking en aanhouding van de verdachte (bijrijder) en de chauffeur van de auto hebben geleid. Deze informatie sluit aan op hetgeen in het proces-verbaal van 15 september 2016 is gerelateerd en in de verklaringen van de verbalisanten wordt vermeld.

De hiervoor vermelde feiten en omstandigheden geven in hun onderling verband en samenhang bezien reeds voldoende grondslag voor verdenking van de verdachte ter zake van witwassen.

4.2.1.1. Aangetroffen € 500,-

De rechtbank gaat uit van de mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting dat zij op 14 september 2016 vóór de aanhouding van de verdachte door de verbalisanten is gebeld over onderhavige zaak en dat er (onder meer) is gesproken over het bedrag van € 500,- dat bij de verdachte is aangetroffen. Een stelling die door de raadsvrouw niet is weersproken. Het aantreffen van de € 500,- is (dus) een omstandigheid die mede heeft geleid tot de aanhouding van de verdachte. De rechtbank concludeert dan ook dat het geldbedrag is aangetroffen bij de verdachte gelijktijdig met het aantreffen van de sleutel van meergenoemd appartementencomplex.

Vast staat dat het geldbedrag in beslag is genomen.

Het moment en de wijze waarop het geldbedrag in beslag is genomen is in de verschillende processen-verbaal niet eenduidig geadministreerd en ook tijdens de verhoren van de verbalisanten bij de rechter-commissaris is niet precies duidelijk geworden wanneer, hoe en door wie het geld van de verdachte in beslag is genomen. Deze mankerende verslaglegging vormt een verzuim, maar niet een zodanig verzuim dat sprake is van een ernstige en verwijtbare schending van het recht op een eerlijk proces. Van enig opzet althans moedwillig onjuiste of onvolledige verslaglegging is geen sprake terwijl de verdachte van die mankerende verslaglegging geen nadeel heeft ondervonden. Er is geen reden om de verslaglegging niet integer te achten. De rechtbank acht de aard van het verzuim in het licht van de tenlastegelegde feiten van een zodanig lichte vorm dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een vormverzuim. Voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie is geen aanleiding.

4.2.1.2 Sleutel appartementencomplex

De verdachte is door de verbalisanten die hem hadden aangehouden geconfronteerd met een bij hem aangetroffen sleutel die zij herkenden als behorende bij het appartementencomplex ‘De Hoge Heren’. Gebleken is dat de verbalisanten gelijk hadden. Drie van de sleutels die zaten aan de sleutelbos van de verdachte pasten op: (i) de portiekdeur, (ii) de brievenbus en (iii) de voordeur van een appartement in voornoemd appartementencomplex ‘De Hoge Heren’ alwaar de verdachte, naar eigen zeggen, wel eens verbleef. Van toeredeneren naar het appartement bij de ‘De Hoge Heren’ zoals de verdediging betoogt, is niet gebleken. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie om die reden is geen plaats.

4.2.2

Grondslag binnentreden appartement/détournement de pouvoir

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden, zoals zij door de verbalisanten (hiervoor) zijn beschreven, een voldoende grondslag vormen voor het binnentreden in het appartement van verdachte op basis van artikel 3 van de Politiewet 2012 ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

Tijdens het hiervoor reeds genoemde telefoongesprek tussen de officier van justitie en de politie, waarbij is gesproken over de verdenking, heeft de officier van justitie toestemming gegeven om, na het achterhalen van het aan de betrokken sleutelbos gekoppelde appartement in het appartementencomplex, de betreffende woning te betreden. In het licht van de verdenking van witwassen was er reden de machtiging tot binnentreden niet af te wachten en terstond op te treden. Het appartement moest spoedig worden betreden om te voorkomen dat bewijsmateriaal werd weggemaakt dan wel dat uit het appartement waardevolle dan wel strafbare goederen werden weggehaald. Toen de verbalisanten de voordeur van het appartement hadden geopend hebben zij, alvorens de situatie te bevriezen en te wachten op de rechter-commissaris, eerst de veiligheid gewaarborgd. Het waarborgen van de veiligheid valt ook onder de bevoegdheid van art. 3 van de Politiewet 2012. Onder waarborgen van de veiligheid behoort mede het zoeken naar mogelijke personen die zich in het pand ophouden. Van tevoren was in elk geval niet duidelijk of er zich personen in het appartement bevonden. Het openen van een kast door de verbalisanten, omdat deze kast zo groot was dat een persoon zich erin zou kunnen ophouden, valt daar ook onder. De rechtbank leidt uit het dossier af dat de verbalisanten op dat moment de big shopper met een bedrag van € 182.710,- aan contant geld hebben aangetroffen.

Geconcludeerd moet dan ook worden dat de verbalisanten in de onderhavige zaak, door binnen te treden zonder machtiging, hun bevoegdheden niet hebben overschreden of misbruikt, nog daargelaten dat de vraag is of de verdachte in zijn verdedigingsbelang is geschaad, omdat hij naar eigen zeggen noch bewoner, noch eigenaar, noch huurder is van het appartement. Het betoog van de verdediging dat er sprake is van détournement de pouvoir (misbruik van bevoegdheid) mist dan ook grondslag.

4.2.3

Artikel 8 van het EVRM

Bij de aanhouding op de openbare weg en het binnentreden van het appartement was een journaliste van een dagblad aanwezig. Deze journaliste heeft foto’s gemaakt van de aanhouding. De rechtbank overweegt dat door het maken van foto’s op de openbare weg de privacy van de verdachte niet is geschonden, omdat niet gebleken is dat de verdachte zichtbaar is op de foto’s of dat zijn gezicht niet (deugdelijk) is afgeschermd. De verdediging heeft ook niet geattendeerd op foto’s waaruit het tegendeel zou blijken.

Ook bij het binnentreden en de doorzoeking in het appartement zijn door de journaliste foto’s gemaakt. Nu de verdachte, zoals hij zelf betoogt, niet woonachtig is in dit appartement, noch huurder of eigenaar daarvan is, kon en behoefde de verdachte ook geen toestemming te geven voor het maken van foto’s in het appartement. Afgezien daarvan is niet aannemelijk geworden, bij gebreke van een (voldoende) onderbouwing, dat de foto’s dan wel de door de journaliste gepubliceerde artikelen kunnen worden gelinkt aan de verdachte als persoon.

Van een schending in de zin van art. 8 EVRM is dus geen sprake.

4.2.4

Willekeurig vervolgingsbeleid ten aanzien van witwassen?

Volgens vaste rechtspraak is uitgangspunt dat een vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent. Van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie op grond van een dergelijke beslissing kan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn.

De verdediging betoogt dat het openbaar ministerie de verdachte ten aanzien van het witwassen een transactie had dienen aan te bieden. Echter is niet aannemelijk gemaakt en geworden dat de strafrechtelijke vervolging van de verdachte op willekeur berust of in strijd is met het - door de verdediging ook - aangevoerde gelijkheidsbeginsel. Dit geldt eens temeer nu naast het witwassen ook het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens met toebehoren is tenlastegelegd.

4.2.5

Overige verslaglegging door de politie

Ook ten aanzien van de overige bij de verdachte aangetroffen geldbedragen, het binnentreden van de woning en de doorzoeking van de auto die is aangetroffen op de parkeerplaats die bij de woning behoort, is de verslaglegging van de politie op onderdelen onvoldoende zorgvuldig te noemen vanwege onder meer het omwisselen van kamers, het niet juist weergeven van verschillende (kamer)nummers en het spreken over zowel een Puma-tas als een Slazenger-tas waarin de vuurwapens met toebehoren zijn aangetroffen.

Voor het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie in de vervolging op grond van onvoldoende zorgvuldige verslaglegging ziet de rechtbank evenwel geen aanleiding. Niet gebleken is dat sprake is van een ernstige en verwijtbare schending van het recht op een eerlijk proces. De aard van het verzuim is in het licht van de tenlastegelegde feiten van een zodanig lichte vorm dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een vormverzuim. Het maakt evenmin dat de verslaglegging, zoals de verdediging nog betoogt, onbetrouwbaar is, dit gelet op het overige aanwezige bewijs.

4.3.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

5.1.1.

Onrechtmatig verkregen bewijs?

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat al het verkregen bewijsmateriaal van het bewijs dient te worden uitgesloten, als zijnde het resultaat van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek. Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen op de gronden zoals hiervoor in rubriek 4 besproken.

5.1.2.

Algemeen

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting als vaststaand worden aangemerkt.

In de nacht van 14 op 15 september 2016 heeft in een appartement in de woontoren ‘De Hoge Heren’ aan de Gedempte Zalmhaven te Rotterdam een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een geldbedrag van in totaal € 182.710,- werd aangetroffen. In een auto, een Citroën C3, op de parkeerplaats behorende bij dit appartement werden 6 pistoolmitrailleurs, 173 kogelpatronen en een geluiddemper aangetroffen.

5.1.3.

Witwassen

5.1.3.1. Standpunt verdediging

De raadsvrouw voert aan dat de verdachte geen wetenschap had ten aanzien van het aangetroffen geldbedrag en dat hij op die grond van het tenlastegelegde witwassen moet worden vrijgesproken bij afwezigheid van direct redengevend materiaal over de opzettelijke of zelfs niet opzettelijke betrokkenheid daarbij. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het appartement waarin het geld is gevonden van een niet nader te noemen vriend is. Die vriend zou pas in oktober 2016 het appartement betrekken. Het DNA-materiaal dat is aangetroffen op het hengsel van de tas waarin het geld zich bevond kan de verdachte slechts verklaren door te verwijzen naar de mogelijkheid dat hij die tas voor een ander doel, bijvoorbeeld boodschappen, heeft gebruikt.

5.1.3.2. Beoordeling

Het appartement was verhuurd aan een ander dan de verdachte. De verdachte was in het bezit van de sleutels van het appartement en verbleef daar met regelmaat. Op een flesje water, een tandenborstel, een big shopper en een toilettasje in het appartement zijn het DNA-spoor van de verdachte aangetroffen.

Het is niet aannemelijk geworden dat iemand anders dan de verdachte in het appartement verbleef. Dat geldt ook voor zijn vriend die kennelijk eerst per oktober het appartement zou betrekken. De stelling van de verdachte dat hij het appartement enkel gebruikte om te chillen doet daar niet aan af.

Uit voorgaande omstandigheden in onderling verband bezien leidt de rechtbank af dat de verdachte als degene die beschikte over het appartement, op de hoogte moet zijn geweest van het geld en dit ook voorhanden had.

Herkomst van het geld

Het geld is gevonden in een niet afgesloten kast in een big shopper en betrof een contant geldbedrag van € 182.710,- . Daarnaast stond in de woonkamer van het appartement voor iedereen zichtbaar een geldtelmachine. De hoeveelheid aangetroffen geld en de feiten en omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen rechtvaardigen het vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van degene die over geld beschikt (in dit geval naar het oordeel van de rechtbank de verdachte) worden verwacht dat hij een aannemelijke en verifieerbare verklaring geeft over de herkomst van het geldbedrag. Nu de verdachte heeft verklaard niets van/over het geld te weten, is een zodanige verklaring dan ook niet voorhanden. Aanleiding voor een nader onderzoek door het openbaar ministerie naar de herkomst van het geld was er dan ook niet. Het geld is ook, na de aanhouding van de verdachte en de inbeslagname ervan, door niemand opgeëist.

De rechtbank acht geen andere conclusie mogelijk dan dat het aangetroffen geldbedrag van € 182.710,- middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf.

Verhullen

De hoeveelheid aangetroffen geld, de feiten en omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen en de omstandigheid dat het geldbedrag in het appartement – zo concludeert de rechtbank - kennelijk als safehouse is neergelegd, maken dat het geld ook is verborgen of verhuld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het witwassen van het bedrag van € 182.710,- dat is aangetroffen. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen van witwassen, nu wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt.

De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.

5.1.4.

Aangetroffen wapens en munitie

5.1.4.1. Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw voert aan dat de verdachte geen wetenschap had ten aanzien van de aangetroffen wapens met toebehoren en dat hij op die grond van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken bij afwezigheid van direct redengevend materiaal over de opzettelijke of zelfs niet opzettelijke betrokkenheid daarbij.

5.1.4.2. Beoordeling

De verdachte was bij zijn aanhouding op 14 september 2016 in het bezit van een sleutel van de Citroën C3 die is aangetroffen op de parkeerplaats die behoort bij meergenoemd appartement. De verdachte heeft erkend dat hij vrijwel dagelijks gebruik maakte van de C3. Op de camerabeelden is te zien dat hij op verschillende dagen meermalen de kofferbak heeft geopend en er spullen inlegde of uithaalde. Ook op 14 september 2016 heeft de verdachte nog de kofferbak geopend. Andere personen maakten in die periode geen gebruik van de auto in de parkeergarage.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij de auto op 14 september 2016 heeft uitgeleend aan een niet nader te noemen derde (een vriend) en dat het zo moet zijn dat die persoon de wapens met toebehoren in de kofferbak van de auto heeft gelegd, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Die verklaring is niet verifieerbaar bij gebreke van de naam en toenaam van die derde. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij die dag in een tijdsbestek van minder dan twee uur (tussen 18:36 uur en 20:21 uur) heeft gereden vanuit het appartementencomplex ‘De Hoge Heren’ naar zijn woning aan de Laan op Zuid, de auto heeft uitgeleend voor de duur van 1 uur en vervolgens is teruggereden naar voornoemd appartementencomplex. Genoemd tijdbestek acht de rechtbank theoretisch denkbaar, maar in praktische zin onwaarschijnlijk beperkt. Onwaarschijnlijk is ook dat deze vriend deze wapens, die behalve een risico ook waarde vertegenwoordigen, zonder nadere uitleg of aankondiging in de kofferbak van een ander zou leggen. De rechtbank betrekt daarbij ook dat de verdachte op een laat moment, pas ter terechtzitting, deze verklaring heeft afgelegd. Gegeven de consequenties van het eerdere beweerdelijke verzwijgen van dit door hem geschetste scenario voor hemzelf en mensen om hem heen (waaronder zijn broer die volgens hem goeddeels van hem afhankelijk is) als gevolg van zijn voorlopige hechtenis, is niet goed te begrijpen dat de verdachte met het geven van deze toedracht zo lang heeft gewacht. Hij bevindt zich bijna een jaar in voorlopige hechtenis. Angst voor de betrokken vriend had hem ook kunnen ingeven om aldus te verklaren zonder diens naam te noemen. De verklaring van de verdachte is ook niet consistent, omdat hij in eerste instantie heeft verklaard dat de kofferbak van de Citroën C3 leeg was op 14 september 2016 toen hij die auto uitleende en op een later moment heeft verklaard dat enkel de tas waarin de wapens met toebehoren zijn aangetroffen er niet in zat. Om deze redenen acht de rechtbank het geschetste scenario dan ook niet alleen onwaarschijnlijk maar ook ongeloofwaardig. Het late tijdstip van de verklaring van de verdachte lijkt eerder ingegeven door diens wens na ontvangst van het (eind)proces-verbaal van de politie zijn verklaring te doen stroomlijnen met de bevindingen van de politie.

Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte als heer en meester over de Citroën C3 kon beschikken en wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens met toebehoren in de auto.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte vuurwapens met daarbij behorende munitie en een geluiddemper voorhanden heeft gehad. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Van het tenlastegelegde medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie zal de verdachte worden vrijgesproken, omdat wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt.

5.1.5.

Conclusie

Bewezen zijn de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 14 september 2016, te Rotterdam,

- van een geldbedrag, te weten 182.710 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft hij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het geldbedrag was/waren, en

- een geldbedrag, te weten 182.710 euro, heeft verworven en voorhanden gehad ,

terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij op 14 september 2016 te Rotterdam, wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Ero Uzi, kaliber 9 mm en

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Overig R9-Arms, kaliber 9 mm en

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een

pistoolmitrailleur van het merk/type Cz 61 (Skorpion), kaliber 7.65 mm en

- 3 vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Zastava 84 (Skorpion), kaliber 7.65 mm

en

(bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, te weten

- 42 kogelpatronen van het merk/type diverse kogelpatronen, kaliber 9 mm en

- 131 kogelpatronen van het merk/type diverse kogelpatronen, 7.65 mm

voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 14 september 2016 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voor een (automatisch) vuurwapen (te weten een Ero Uzi), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 witwassen;

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd (wapens)

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd (munitie);

3 handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van ruim € 180.000,-.

Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en deze vervolgens zonder dat die illegale herkomst daarvan zichtbaar wordt in omloop te brengen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Dit wordt de verdachte aangerekend.

Daarnaast heeft verdachte zes pistoolmitrailleurs, 173 kogelpatronen en een geluiddemper voorhanden gehad.

Dat het ongecontroleerde bezit van vuurwapens een groot veiligheidsrisico met zich brengt en om die reden dient te worden bestreden spreekt vanzelf. Daarbij komt dat een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de combinatie van meerdere wapens van zo’n zwaar kaliber - die geschikt zijn om in korte tijd vele kogels af te vuren - met munitie en een geluiddemper, gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengt bij omwonenden maar ook in de samenleving als geheel.

Het voorhanden hebben van deze hoeveelheid wapens duidt op mogelijke wapenhandel.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft op 19 juni 2017 een rapport over de verdachte opgemaakt.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Omdat de verdachte ten tijde van het opstellen van het rapport zich op zijn zwijgrecht beriep, heeft de reclassering het recidiverisico niet kunnen inschatten.

Gezien de ernst van de ten laste gelegde strafbare feiten ligt, mocht verdachte schuldig worden bevonden, een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de lijn der verwachting.

Gebaseerd op het door de verdachte geschetste beeld betreffende zijn persoonlijke omstandigheden zijn er niet direct aanwijzingen van omstandigheden waarvoor de reclassering enige vorm van begeleiding of hulp noodzakelijk acht.

Mocht blijken dat er zich gedurende detentie problematiek voordoet waarvoor interventies geïndiceerd zijn, dan kunnen die uitgevoerd worden in het kader van een Binnen Beginnen-traject of als onderdeel van verdere detentiefasering Voorwaardelijke Invrijheidstelling.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier is (het gewicht van) de rol van de verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten niet exact te duiden. De rechtbank kan en zal derhalve op dit punt geen strafverzwarende of strafverminderende elementen meewegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9 In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van € 182.170,- verbeurd te verklaren en het in beslag genomen geldbedrag van € 500,- terug te geven aan de verdachte.

9.2.

Beoordeling

Het in beslag genomen geldbedrag van € 182.170,- zal worden verbeurd verklaard.

Het onder 1 bewezen feit is met behulp van dit voorwerp begaan.

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 500,- zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, zijnde degene bij wie dit in beslag is genomen en die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, te weten 370 dagen, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1: een geldbedrag van € 182.170,-;

- gelast de teruggave aan de verdachte van: een geldbedrag van € 500,-.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. K.A. Baggerman en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 september 2016, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van een of meer geldbedrag(en), te weten (in totaal) 182.710 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het geldbedrag(en) was/waren, en/of

- een of meer geldbedrag(en), te weten (in totaal) 182.710 euro, heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of gebruikt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;

(artikel 420bis Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 14 september 2016 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Ero Uzi, kaliber 9 mm en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Overig R9-Arms, kaliber 9 mm en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een

pistoolmitrailleur van het merk/type Cz 61 (Skorpion), kaliber 7.65 mm en/of

- 3 vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Zastava 84 (Skorpion), kaliber 7.65 mm

en/of

(bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, te weten

- 42 kogelpatronen van het merk/type diverse kogelpatronen, kaliber 9 mm en/of

- 131 kogelpatronen van het merk/type diverse kogelpatronen, 7.65 mm

voorhanden heeft gehad;

(artikel 26/55 Wet Wapens en Munitie)

3.

hij op of omstreeks 14 september 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voor een (automatisch) vuurwapen (te weten een Ero Uzi), voorhanden heeft gehad;

(art. 13 jo 55 WWM)