Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8008

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
6235786 VZ VERZ 17-211237
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding op de g-grond afgewezen geen sprake van een voldragen grond. Tegenverzoek tot wedertewerkstelling toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5665
AR-Updates.nl 2017-1336
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6235786 VZ VERZ 17-211237

uitspraak: 17 oktober 2017

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in het verzoek van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Van Oord Personeels B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

verweerster in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. W. de Jong te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [plaatsnaam],

verweerder,

verzoeker in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. W.H. van Aalst te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Van Oord’ en ‘[verweerder]’.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 11 augustus 2017, met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift, binnengekomen ter griffie op 15 september 2017, met bijlagen;

  • -

    de brief van 20 september 2017 van de gemachtigde van [verweerder], met bijlagen;

  • -

    de brief van 21 september 2017 van de gemachtigde van Van Oord, met bijlagen;

  • -

    het faxbericht van 26 september 2017 van de gemachtigde van [verweerder], met bijlagen;

  • -

    de pleitaantekeningen van de gemachtigde van Van Oord;

  • -

    de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [verweerder].

De mondelinge behandeling van het verzoek is gehouden op 26 september 2017.

Tijdens de mondelinge behandeling is tevens de vordering van [verweerder] in kort geding tot wedertewerkstelling behandeld, die bij de rechtbank bekend is met zaaknummer 6225095 VV VERZ 17-312. Namens Van Oord is verschenen de heer [K.] en mevrouw [D.], bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en vergezeld van de heer [H.].

Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

Van Oord is een aannemer van baggerwerken, van werken op waterbouwkundig en ander gebied en van offshore energieprojecten.

2.2

[verweerder], geboren op [geboortedatum] 1972, is op 1 maart 2014 bij Van Oord voor bepaalde tijd in dienst getreden in de functie van Financial Controller tegen een salaris van laatstelijk € 7.201,23 bruto per 4 weken exclusief 8% vakantietoeslag. Met ingang van 1 maart 2015 is de arbeidsovereenkomst omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.3

De Financial Controller is verantwoordelijk om de financiële risico’s in kaart te brengen ten aanzien van projecten alsmede de controle (achteraf) op projecten. De Financial Controller is met name verantwoordelijk voor de kwaliteit van de administratieve registraties en de kwaliteit van de financiële rapportages voor diverse onderdelen binnen Van Oord. Als Financial Controller moet [verweerder] rapporteren aan de Staff Director Finance & Control. Sinds december 2015 is dat de heer [K.] (hierna: [K.]).

2.4

Het eerste beoordelingsgesprek tussen [K.] en [verweerder] heeft op 8 april 2016 plaatsgevonden. Over de periode 1 januari 2015 – 31 december 2015 is [verweerder] op alle onderdelen beoordeeld met ‘Succesfully Meets Expectations’ (hierna: SME). Onder het kopje ‘Nadere toelichting op de beoordeling’ is het volgende opgenomen:

“Het jaar 2015 is bijzonder geweest, onder andere omdat de afdeling nieuw is opgezet, de leidinggevende in de loop van het jaar afscheid nam en (daardoor) de richting, aansturing en begeleiding niet goed is geweest. Ondanks deze bijzondere omstandigheden heeft [verweerder] in 2015 toch goede prestaties laten zien. Grotendeels op andere (vak)gebieden; overwegend terzake het cpp. Complimenten hiervoor!”

2.5

Over de periode 1 januari 2016 – 31 december 2016 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden op 10 maart 2017. Omdat op een aantal punten sprake was van een negatieve beoordeling hebben [verweerder] en [K.] afgesproken het gesprek op 22 maart 2017 voort te zetten, zodat [verweerder] de beoordeling kon laten bezinken alvorens te reageren. Een afronding van het beoordelingsgesprek heeft niet plaatsgevonden.

2.6.

In het beoordelingsformulier dat niet is geformaliseerd, is [verweerder] op de onderdelen teamgeest en flexibiliteit met ‘Unsatisfactory’ (hierna: U) beoordeeld en op de andere onderdelen met SME. Bij de competentie ‘Teamgeest’ staat als omschrijving: “Werkt efficiënt in teamverband en ondersteunt anderen om samen teamdoelen te bereiken. Plaatst het bereiken van persoonlijke doelstellingen in het kader van de organisatie waartoe hij/zij behoort”. Bij de toelichting op de gescoorde U is opgenomen: “Alleen /voornamelijk indien ‘getriggerd’ door AJK (de kantonrechter leest: [K.]). Niet/nauwelijks uit eigen beweging. Afstemming (in bredere zin) is beperkt.

Bij de competentie ‘Flexibiliteit’ staat: “Speelt goed in op veranderende werkomstandigheden en weet efficiënt gebruik te maken van veranderende omstandigheden en ontwikkelingen” Bij de toelichting op de gescoorde U is opgenomen: “Werkt vooral vanuit eigen/hoog normenkader. Legt daarmee de lat voor zichzelf en anderen hoog. Gaat niet goed om met situaties waarin deze norm (nog) niet wordt gehaald.”

2.7

Op 2 mei 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [K.], mevrouw [D.] (hierna: [D.]) van de afdeling HRM en [verweerder]. In dit gesprek is aan [verweerder] kenbaar gemaakt dat Van Oord de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wenst te beëindigen.

2.8

Per e-mailbericht van 2 mei 2017 heeft [D.] namens Van Oord een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst gestuurd en verzocht uiterlijk 12 mei 2017 te reageren.

2.9

Bij e-mailbericht van 12 mei 2017 heeft [verweerder] gereageerd op het voorstel. [verweerder] heeft onder meer te kennen gegeven dat hij is verrast door de mening van [K.] dat er naar zijn inzicht voor [verweerder] geen perspectief is in de nieuw te definiëren Finance & Control organisatie. [verweerder] is van mening dat zijn profiel juist naadloos aansluit bij de recent geformuleerde ambitie van Finance & Control. [verweerder] wil dan ook het liefst zijn loopbaan voort zetten bij Van Oord en over de perspectieven bij Van Oord spreken. [verweerder] heeft te kennen gegeven het voorstel van Van Oord niet te aanvaarden en stelt voor zijn loopbaan voort te zetten tot 1 maart 2018 met behoud van alle arbeidsvoorwaarden en dat hij vanuit een werkende situatie op zoek zal gaan naar een geschikte functie buiten Van Oord.

2.10

Op 2 juni 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [K.], [D.], [verweerder] en de toenmalige adviseur van [verweerder], de heer [H.], (hierna: [H.]). In dit gesprek is namens [verweerder] te kennen gegeven dat hij bij Van Oord wil blijven werken en hij een functioneringstraject wenst aan te gaan.

2.11

Bij brief van 16 juni 2017 heeft [D.] naar aanleiding van het gesprek op 2 juni 2017 namens Van Oord, met uitgebreide toelichting, te kennen gegeven dat Van Oord anders tegen de situatie aankijkt en van mening is dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Namens Van Oord is nogmaals een voorstel gedaan om te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.12

Bij brief van 27 juni 2017 heeft [H.] namens [verweerder] gereageerd en onder nadere toelichting te kennen gegeven dat [verweerder] er de voorkeur aangeeft bij Van Oord in dienst te blijven. Voorts is aangegeven dat indien [verweerder] niet kan blijven, hij bereid is in het kader van een minnelijke regeling een einddatum (1 april 2018) van de arbeidsovereenkomst over een te komen.

2.13

Bij brief van 30 juni 2017 heeft zich namens Van Oord een gemachtigde gesteld. In deze brief is aan [verweerder] nog een laatste termijn tot 5 juli 2017 gegeven om het voorstel van Van Oord te aanvaarden, en is aangekondigd dat indien het voorstel niet wordt geaccepteerd er een ontbindingsverzoek zal worden ingediend en dat [verweerder] dan vanaf 6 juli 2017 betaald verlof heeft.

2.14

Bij brief van 5 juli 2017 heeft [H.] te kennen gegeven dat [verweerder] het voorstel van Van Oord niet wil aanvaarden, dat [verweerder] van 7 juli tot en met 31 juli met vakantie is en voorts verzocht om in afwachting van het oordeel van de kantonrechter af te zien van de aangekondigde non-actief stelling.

2.15

Bij brief van 7 juli 2017 heeft de gemachtigde van Van Oord te kennen gegeven dat een ontbindingsverzoek zal worden ingediend en dat [verweerder] vanaf 31 juli 2017 vrijgesteld is van zijn werkzaamheden.

2.16

[verweerder] heeft zich op 31 juli 2017 bij Van Oord gemeld. [verweerder] is echter niet tot zijn werkzaamheden toegelaten.

2.17

Bij dagvaarding in kort geding van 24 augustus 2017 heeft [verweerder] gevorderd Van Oord te veroordelen om [verweerder] in de gelegenheid te stellen zijn overeengekomen werkzaamheden te hervatten op straffe van een dwangsom.

3 Het verzoek van Van Oord en de grondslag daarvan

3.1

Van Oord heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op zo kort mogelijke termijn te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 1 jo. lid 3 sub g BW, onder toekenning van een transitievergoeding ad € 9.099,00 bruto en kosten rechtens.

3.2

Aan het verzoek heeft Van Oord naast de bovenstaande vaststaande feiten – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

[verweerder] is een eigenzinnig persoon, heeft moeite met communiceren en vindt het lastig als leidinggevenden zaken aan hem opdragen die hij zelf anders ziet en verschuilt zich daarbij achter zijn rol als Financial Controller. [verweerder] zijn theoretische kennis is goed, maar door met name zijn oncollegiale houding en gedrag is het met name in 2016 en in 2017 van kwaad tot erger gegaan en zijn de arbeidsverhoudingen onder druk komen te staan. Intern wordt [verweerder] gezien als betweterig en negatief omdat hij met name benadrukt wat er allemaal niet goed is. Ook kraakt [verweerder] mensen en hun werk voortdurend af. Vooral zijn wijze van communiceren wordt als negatief ervaren. Naast zijn leidinggevende [K.] hebben ook CFO [P.] (hierna: [P.]) en Area Director Offshore de heer [A.] (hierna: [A.]) aangegeven niet meer met [verweerder] te willen samenwerken.

3.2.2

[K.] en [verweerder] spreken sinds begin 2017 niet meer persoonlijk met elkaar over de dagelijkse gang van zaken, uitsluitend als het strikt noodzakelijk is, zoals bijvoorbeeld het beoordelingsgesprek. Uit de verklaring van [K.] blijkt dat hij diverse pogingen heeft gedaan om [verweerder] duidelijk te maken dat hij zijn houding en gedrag moet aanpassen en dat bij Van Oord wordt samengewerkt vanuit een teamgeest gedachte. Omdat [K.] steeds werd aangesproken over de handelwijze van [verweerder], heeft [K.] steeds aangegeven dat hij tijdig inzage wilde hebben in de rapportages waaraan [verweerder] werkte. [verweerder] liet dat echter na. Ook uit de e-mails tussen [K.] en [verweerder] blijkt de moeizame relatie.

3.2.3

Uit de verklaring van [P.] blijkt dat zij van mening is dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Volgens [P.] heeft [verweerder] grote moeite om een goede verbinding te leggen tussen theorie en praktijk en om persoonlijke relaties te ontwikkelen met collega’s. [verweerder] heeft volgens haar geen goede communicatieve en sociale vaardigheden, hij wordt daarom niet geaccepteerd in zijn rol en is daardoor ook niet effectief in zijn werkzaamheden. De feedback die [verweerder] heeft gekregen heeft niet tot aanpassing van zijn gedrag geleid waardoor relaties verstoord zij geraakt, aldus [P.].

3.2.4

Ook uit de verklaring van [A.] blijkt dat hij van mening is dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Volgens [A.] ging [verweerder] op een te hoog en abstract en academisch niveau vertellen wat er allemaal anders moest, zonder te luisteren naar wat er gevraagd wordt en wat er nodig is. Het geduld van [A.] raakte op een gegeven moment op omdat [verweerder] niets met zijn adviezen deed. Volgens [A.] wist [verweerder] geen draagvlak te creëren, gedroeg hij zich oncollegiaal, wekte hij ergernis op met zijn houding en gedrag en was er sprake van een gebrek aan zelfreflectie.

3.2.5

Voorts wijst Van Oord erop dat uit de beoordeling over het jaar 2016 blijkt dat [verweerder] onvoldoende afstemt, solistisch werkt, zijn creativiteit wordt beperkt door zijn attitude, [verweerder] vooral vanuit zijn hoge normenkader werkt en hij niet goed omgaat met situaties waarin de norm (nog) niet wordt gehaald. Op de onderdelen Teamgeest en Flexibiliteit heeft [verweerder] een onvoldoende gescoord. Dit zijn volgens Van Oord ook de punten in het functioneren wat er voor gezorgd heeft dat er sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. Ondanks dat het beoordelingsformulier niet is geformaliseerd, zijn de probleempunten door [K.] met [verweerder] besproken. Omdat de arbeidsverhouding daarna steeds slechter werd, zag [K.] geen nut in een nieuwe confrontatie over de beoordeling.

3.2.6

Uiteindelijk was voor Van Oord de maat vol. Nagenoeg niemand wil nog werken met [verweerder] zodat hij niet meer kon worden ingezet waar hij voor was aangenomen. Van Oord heeft geen vertrouwen meer in [verweerder] en het is duidelijk dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Uit de feiten en omstandigheden volgt dat van Van Oord niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Herplaatsing is gelet op de verstoorde arbeidsverhouding niet aan de orde. Bovendien is op basis van de gebeurtenissen besloten geen nieuwe functie van Financial Controller te laten terugkeren in de organisatie. De arbeidsovereenkomst dient op de kortst mogelijke termijn te eindigen. Van Oord biedt [verweerder] de transitievergoeding ad € 9.099,00 bruto aan.

4 Het verweer met (voorwaardelijke) tegenverzoeken

4.1

[verweerder] heeft primair verzocht, het verzoek van Van Oord af te wijzen en Van Oord te veroordelen binnen 24 uur na betekening van de uitspraak [verweerder] in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden op de overeengekomen gebruikelijke voorwaarden te hervatten en deze te blijven verrichten op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 voor ieder dag of gedeelte daarvan dat Van Oord in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen en met veroordeling van Van Oord in de kosten van de procedure.

Indien het verzoek van Van Oord wordt toegewezen, verzoekt [verweerder] subsidiair de arbeidsovereenkomst niet eerder te ontbinden dan op grond van artikel 7:671b lid 8 sub a BW als einddatum heeft te gelden, aan [verweerder] een transitievergoeding ad € 11.547,37 bruto toe te kennen en een billijke vergoeding ad € 161.237,42 bruto, althans een in goede justitie te bepalen billijk bedrag, met veroordeling van Van Oord in de kosten van de procedure.

4.2

[verweerder] heeft naast de vaststaande feiten – zakelijk en verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.2.1

[verweerder] betwist dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. De vermeende redenen voor de verstoorde arbeidsverhouding zijn voorafgaand aan de geuite wens tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst nooit duidelijk met [verweerder] besproken. [verweerder] is evenmin de gelegenheid geboden daar verbetering in te brengen.

4.2.2

Voordat [K.] de leidinggevende van [verweerder] werd, heeft [verweerder] drie andere leidinggevende gehad. Met deze drie leidinggevende verliep de communicatie en samenwerking goed. [verweerder] heeft onder deze leidinggevende een werkwijze ontwikkeld. Toen [K.] zijn leidinggevende werd, heeft [K.] niet concreet gemaakt dat hij een andere rolinvulling wilde hanteren. Evenmin heeft afstemming plaatsgevonden over de door [K.] gewenste werkwijze en communicatie. [verweerder] heeft zijn werkwijze dan ook voortgezet. [K.] was in eerste instantie tevreden over het functioneren van [verweerder]. Voorafgaand aan het beoordelingsgesprek van maart 2017 heeft [verweerder] geen signalen ontvangen dat [K.] over bepaalde punten niet tevreden was. [verweerder] was dan ook verbaasd dat hij twee U’s kreeg en heeft [K.] om een toelichting gevraagd. Deze zou [K.] op een later moment geven. In het tweede gesprek gaf [K.] aan dat [verweerder] het eerste gesprek maar moest vergeten. Het beoordelingsgesprek van maart 2017 is daarna ook niet meer geformaliseerd.

4.2.3

Van Oord heeft niet in eerste instantie het standpunt ingenomen dat sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding met [K.]. Tussen het moment dat Van Oord nog niet het standpunt innam dat sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding met [K.] en het moment dat dit standpunt wel werd ingenomen is niets voorgevallen dat een verstoring zou kunnen veroorzaken. Ook is niets ondernomen om de vermeende verstoorde arbeidsverhouding te herstellen. Pas in het verzoekschrift is een verklaring van [K.] in het geding gebracht. [K.] had zijn ongenoegen echter eerder met [verweerder] moeten bespreken en moeten trachten de arbeidsverhouding te verbeteren. Dat is niet gebeurd. In het beoordelingsgesprek van maart 2017 is wel enig ongenoegen geuit, maar niet is duidelijk gemaakt waarop dat zag. Dat [verweerder] en [K.] sinds begin 2017 weinig contact met elkaar hebben, heeft zijn oorzaak in de omstandigheid dat [verweerder] met name werkzaam is in het kader van een veranderingstraject en samenwerkt met anderen dan [K.]. [verweerder] merkt voorts op dat de correspondentie waarnaar wordt verwezen ter onderbouwing van de door Van Oord gestelde verstoorde arbeidsverhouding dateert van voor het moment dat [K.] [verweerder] heeft verzocht programma manager te worden van het MI-7 project. Het is dan vreemd dat indien [K.] al ontevreden was over de communicatie van [verweerder] en de verhouding met hem als verstoord zag, dat hij [verweerder] heeft gevraagd voor de betreffende functie in het MI-7 project. [verweerder] is van mening dat er geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding met [K.], maar als [K.] dit wel zo ervaart, is [verweerder] bereid de arbeidsverhouding te herstellen.

4.2.4

Pas in de brief van 16 juni 2017 heeft Van Oord voor het eerst een standpunt ingenomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er een verstoorde arbeidsverhouding met [P.] zou bestaan. [verweerder] betwist dat. [verweerder] heeft bij het aantreden van [P.] in december 2016 zelf initiatief genomen om met haar kennis te maken. Dat was een prettig gesprek. [verweerder] heeft daarna op haar verzoek feedback gegeven in het kader van het MI-7 project. Deze feedback was niet alleen kritisch, maar ook positief. [verweerder] heeft daarna geen reactie meer ontvangen. [verweerder] is ook niet kenbaar gemaakt waarom hij niet als programma manager van het MI-7 programma is aangesteld. Tot de brief van juni 2017 was het voor [verweerder] niet duidelijk dat [P.] de gegeven feedback als vervelend heeft ervaren en dat de grondslag is van de vermeende verstoorde arbeidsverhouding met [P.]. Het had op de weg van Van Oord gelegen dit eerder kenbaar te maken en niet te wachten tot het verzoekschrift om met een verklaring van [P.] te komen. Er is evenmin een ander voorval die de verstoring zou hebben kunnen veroorzaken. Een poging tot herstel van de arbeidsverhouding heeft niet plaatsgevonden. [verweerder] is van mening dat er geen verstoring van de arbeidsverhouding met [P.] is, maar [verweerder] is wel bereid om, indien [P.] dit wel zo ervaart, de arbeidsverhouding te hertellen.

4.2.5

Van Oord heeft in het verzoekschrift voor het eerst het standpunt ingenomen dat een verstoorde arbeidsverhouding met [A.] zou bestaan. Dit heeft [verweerder] verbaasd. [verweerder] heeft in 2015 voor het laatst contact gehad met [A.]. Vanuit Van Oord is er niets ondernomen om [verweerder] duidelijk te maken dat er sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding met [A.] noch om de vermeende verstoorde arbeidsverhouding te herstellen. De enige onderbouwing is de verklaring van [A.] die bij het verzoekschrift in het geding is gebracht. [verweerder] betwist dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, maar [verweerder] is wel bereid, als [A.] dit wel zo ervaart, de arbeidsverhouding te herstellen.

4.2.6

[verweerder] betwijfelt of de functie van hem in de organisatie zal verdwijnen, zijn functie wordt momenteel door mevrouw [W.] bekleed. In de werkgroepen waarvan [verweerder] sinds 2017 deel uitmaakt is volop werk. Daarnaast is voor [verweerder] herplaatsing ook een optie. De Van Oord Groep heeft immers ruim 4.500 werknemers in dienst.

4.2.7

[verweerder] heeft er belang bij om zijn werkzaamheden te hervatten. Van een verstoorde arbeidsverhouding is geen sprake, laat staan een zodanige verstoring dat van Van Oord in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De aanleiding voor de wens om de arbeidsovereenkomst te beëindigen is goed op te lossen. Er zijn ook voldoende werkzaamheden die hij kan vervullen indien sprake zou zijn van een vermeende verstoorde arbeidsverhouding en de mediation om de vermeende verstoring te herstellen nog niet is gestart.

4.2.8

Indien wordt geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen, is [verweerder] van mening dat naast een transitievergoeding hem een billijke vergoeding toekomt. Bij de berekening van de transitievergoeding heeft Van Oord ten onrechte de overeengekomen variabele beloning over 2014 tot en met 2016 buiten beschouwing gelaten. Rekening houdend met deze variabele beloning heeft [verweerder] aanspraak op een transitievergoeding van € 11.547,37 bruto. Van Oord heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en is daarom gehouden aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 161.237,42 bruto.

5 De beoordeling

5.1

Beoordeeld moet worden of de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden ontbonden.

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een opzegverbod. De kantonrechter heeft dan ook geen reden daarover anders te oordelen.

5.3

Vooropgesteld wordt dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, waarbij in lid 3 van dat wetsartikel nader is omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Van Oord heeft haar verzoek uitsluitend gegrond op de in artikel 7:669 lid 3 sub g BW opgenomen grond, te weten het bestaan van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Beoordeeld dient te worden of de door Van Oord aangevoerde feiten en omstandigheden een voldragen ontslaggrond opleveren.

5.4

Van Oord heeft aangevoerd dat de arbeidsverhouding met [P.] en [A.] is verstoord. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [verweerder] is, nu van [P.] en [A.] uitsluitend een schriftelijke verklaring in het geding is gebracht en ter zitting geen nadere onderbouwing is gegeven, onvoldoende komen vast te staan dat de arbeidsverhouding met [P.] en [A.] is verstoord. Daarbij komt dat uit de verklaring van [P.] niet onomstotelijk kan worden afgeleid dat de verhouding tussen haar en [verweerder] is verstoord. Meer in het algemeen wordt aangegeven dat de gegeven feedback niet tot aanpassing van het gedrag van [verweerder] heeft geleid waardoor uiteindelijk relaties verstoord zijn geraakt. In de verklaring is niet nader aangegeven om welke relaties het precies gaat. Uit de verklaring van [A.] blijkt weliswaar dat op een gegeven moment zijn geduld op was, echter niet blijkt dat het gaat om een recent voorval en dat het een verdere samenwerking met [verweerder] in de weg stond.

5.5

Ter onderbouwing van de verstoorde arbeidsverhouding met [K.] heeft [K.] tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij regelmatig met [verweerder] heeft gesproken en hij zijn punten van kritiek kenbaar heeft gemaakt en dat in die gesprekken ook al aan de orde is geweest of [verweerder] bij Van Oord wel op de juiste plek zat. Ook zou [K.] al voor eind 2016 [verweerder] hebben aangegeven dat er sprake was van een onbalans in zijn kennis en manier van werken ten opzichte van wat past binnen Van Oord.

Zelfs als dit al, [verweerder] betwist dit immers, zou vaststaan, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebleken dat [K.] de punten van kritiek duidelijk aan [verweerder] kenbaar heeft gemaakt. Bijvoorbeeld door het schriftelijk vastleggen van de punten waarop [verweerder] zich diende aan te passen. De e-mailcorrespondentie waar Van Oord naar heeft verwezen is daarvoor onvoldoende. Uit de e-mailcorrespondentie blijkt niet zonder meer op welke punten er kritiek was en [verweerder] dit diende aan te passen. Voor [verweerder] was het aldus niet duidelijk dat hij zijn wijze van communiceren, zijn houding en gedrag diende aan te passen. Uit de stellingen van Van Oord begrijpt de kantonechter dat het niet aanpassen van de houding en het gedrag de reden is waardoor de verhoudingen verstoord zijn geraakt. Om aannemelijk te maken dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, moet de werkgever laten zien dat pogingen zijn ondernomen om de onderlinge verhoudingen te verbeteren, bijvoorbeeld door het voeren van gesprekken of mediation. Het is de kantonrechter niet gebleken dat met [verweerder] gesprekken zijn gevoerd om de onderlinge verhoudingen te verbeteren. De gesprekken waaraan [K.] heeft gerefereerd, kunnen naar het oordeel van de kantonrechter niet als zodanig worden aangemerkt. Van het beoordelingsgesprek in maart 2017 is niet gebleken dat dat gesprek ook tot doel had te komen tot een verbetering van de arbeidsverhouding tussen [K.] en [verweerder]. Het daarna volgende gesprek was het gesprek van 2 mei 2017 waarin Van Oord kenbaar heeft gemaakt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te willen beëindigen. Dat gesprek kan evenmin worden gezien als een gesprek om te komen tot een verbetering van de onderlinge verhouding. Nu niet gebleken is dat pogingen zijn ondernomen om te komen tot een verbetering van de onderlinge verhouding, is er geen sprake van een voldragen ontslaggrond.

5.6

Het voorgaande leidt tot de beslissing dat de onderliggende situatie geen gegronde reden oplevert voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter zal dan ook het verzoek tot ontbinding afwijzen zodat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in stand blijft.

5.7

Nu de arbeidsovereenkomst in stand blijft, dient vervolgens te worden beoordeeld of het tegenverzoek tot wedertewerkstelling voor toewijzing in aanmerking komt. Tegenover het belang van [verweerder] om zijn werkzaamheden te hervatten, zijn de kantonrechter aan de zijde van Van Oord onvoldoende feiten en omstandigheden gebleken die tot gevolg hebben dat de vordering van [verweerder] moet worden afgewezen. Dat besloten is in de nieuwe organisatie de functie van Financial Controller niet te laten terugkeren is daartoe onvoldoende.

5.8

Van Oord zal dan ook worden veroordeeld om [verweerder] binnen drie werkdagen na betekening van de beschikking in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden op de overeengekomen gebruikelijke voorwaarden te hervatten en te blijven verrichten tot de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is geëindigd. De kantonrechter zal de dwangsom stellen op € 500,00 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 10.000,00.

5.9

Gelet op het vorenstaande wordt er niet toegekomen aan een beoordeling van de door [verweerder] subsidiair (voorwaardelijk) verzochte transitievergoeding en billijke vergoeding.

5.10

Van Oord zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld, aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de verzochte ontbinding af;

veroordeelt Van Oord om [verweerder] binnen drie werkdagen na betekening van de beschikking in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden op de overeengekomen gebruikelijke voorwaarden te hervatten en te blijven verrichten tot de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat Van Oord daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;

veroordeelt Van Oord in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

754