Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:798

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
10/775018-13
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Politieambtenaar die Feyenoordsupporter na afloop wedstrijd Feyenoord Kuban Krasnodar op 29 augustus 2013 met lange wapenstok op hoofd slaat. Voorwaardelijk opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte mocht lange wapenstok in gegeven omstandigheden gebruiken. Grenzen van proportionaliteit echter overschreden door op met wapenstok met kracht hoofd supporter te slaan. Niet geloofwaardig dat verdachte de supporter op bovenarm wilde raken. Handelen daarom wederrechtelijk, hoewel supporter ook weg had moeten gaan.

Geen straf opgelegd gelet op o.m. omstandigheden waaronder delict plaatsvond, alsmede gevolgen carrière en andere persoonlijke gevolgen voor verdachte, alsmede media-aandacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/775018-13

Datum uitspraak: 1 februari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

NN03,

voor deze zaak domicilie kiezende [adres], ten kantore van zijn raadsvrouw mr. E. Benhaim.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

4 Bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit.

Primair is aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, omdat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en ook geen opzet heeft gehad op de klap tegen het hoofd van de in de tenlastelegging genoemde aangever. Dat laatste is per ongeluk gebeurd. De verdachte heeft nooit de bedoeling gehad om de aangever op zijn hoofd te raken. Hij had de intentie om hem op zijn rechter bovenarm te raken, zoals ook blijkt uit de door hem gedane geweldsmelding en zijn verklaringen bij de Rijksrecherche, bij de rechter-commissaris en op de terechtzitting. Er is ook geen sprake van voorwaardelijk opzet, omdat er geen sprake is van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Door met een lange wapenstok op de rechter bovenarm van een persoon te richten, bestaat niet de aanmerkelijke kans dat de persoon deels op zijn hoofd wordt geraakt. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de aangever nagenoeg stilstond op het moment van de klap. Indien die aanmerkelijk kans wel aanwezig wordt geacht geldt dat de verdachte die aanmerkelijke kans in elk geval nimmer bewust heeft aanvaard. Hij had immers de intentie om op de bovenarm te slaan. Op de terechtzitting heeft hij ook verklaard dat hij bij het gebruik van de lange wapenstok altijd op de bovenarm van degene die wordt geslagen richt en hij nooit iemand met de lange wapenstok tegen het hoofd heeft geraakt.

Subsidiair is aangevoerd dat de wederrechtelijkheid ontbreekt, omdat aan de eisen van artikel 7, eerste lid, Politiewet is voldaan en de verdachte daarom rechtmatig heeft gehandeld.

Het onderhavige incident vond plaats na afloop van de voetbalwedstrijd Feyenoord tegen Kuba Krasnodar. Er was concrete voorinformatie dat er plannen zouden zijn om een ruiter van zijn of haar paard te trekken. Voorts was een extra aandachtspunt voor de AE-leden dat de zogenoemde combiregeling (verplicht geregeld vervoer voor supporters van de bezoekende club), ontbrak, hetgeen extra gevaar opleverde. Tevens was er volgens getuigen en de verdachte te weinig ME aanwezig was. Ook was bekend dat de situatie rondom de trappen op de Coen Moulijnweg, waar het onderhavige incident plaatsvond, een zogenoemde “hotspot” is waar supportersbewegingen elkaar kruisen en zich ophouden. Zoals door politieambtenaren eenduidig is verklaard, was er sprake van een grimmige, gespannen en dreigende sfeer, vooral na de wedstrijd direct voorafgaand aan het incident. Er hielden zich veel supporters op bij de trappen en de situatie daar was zeer hectisch. Op enig moment kwam het zover dat de politie te paard ingesloten en belaagd werd door een groep supporters. De verdachte kwam naar aanleiding van een roep om assistentie, die naar zijn mening als een verzoek om spoedassistentie moest worden geïnterpreteerd, van de commandant van de politie te paard ter plaatse teneinde de politie te paard te ontzetten om verdere escalatie te voorkomen. Er ging dus een dreiging uit richting de politie te paard. Aangever had zich niet eerder verwijderd toen daarom was gevraagd. Hij heeft hierbij een eigen verantwoordelijkheid. Toen de verdachte ter plaatse kwam, hoorde hij (in zijn beleving) de aangever opruiende en beledigende woorden (“Kankerjoden”) uiten (tegen de politie te paard) en dit had in zijn beleving een aanzuigende werking op de rest van het publiek. De verdachte was in die situatie gerechtigd om de politie te paard te hulp te schieten en een klap met de lange wapenstok te geven om de verwijdering van de aangever te bewerkstellingen en escalatie te voorkomen. De verdachte heeft uitgelegd waarom hij heeft gekozen voor een slag met de lange wapenstok en niet voor een por met de lange wapenstok, omdat met een por meer letsel wordt toegebracht. Voorts geldt dat sprake is geweest van een normale (gematigde) klap, waarbij er dus niet bovenmatig hard is geslagen. Verder geldt dat de klap met de wapenstok an sich volgens de daarvoor geldende instructies is uitgevoerd. Het enkele feit dat de klap deels op het hoofd van de aangever terecht is gekomen, zeker nu dit niet beoogd was, maakt het handelen van de verdachte niet disproportioneel. Verder geldt dat het verrichten van een aanhouding geen optie was. Het was voor de verdachte evenmin mogelijk om de aangever voorafgaand aan het geweld te waarschuwen.

Beoordeling

(klap met wapenstok)

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte de aangever met een bovenhandse slag heeft geslagen met de lange wapenstok, dat de wapenstok daarbij de zijkant van het hoofd van de aangever heeft geraakt en dat de aangever daardoor letsel (onder andere een hoofdwond en een hersenschudding) heeft opgelopen.

(wijze van slaan)

Op basis van de als bewijsmiddel gebruikte eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden van het incident wordt voorts vastgesteld dat de verdachte de aangever van achteren is genaderd en dat hij de aangever plotseling, zonder dat de aangever dat zag en zonder voorafgaande waarschuwing, met de wapenstok heeft geslagen. Verder heeft de rechtbank met betrekking tot de wijze waarop de verdachte de slag met de wapenstok heeft gegeven op de camerabeelden het volgende waargenomen en geconstateerd.

De wijze waarop de slag wordt gegeven, is te vergelijken met een bovenhandse servicebeweging bij tennis. De linkerhand van de verdachte wijst aanvankelijk naar voren, terwijl hij zijn rechterhand met daarin de wapenstok achter zijn hoofd houdt. De wapenstok wijst dan naar boven. Zijn rechterarm is dan gebogen. Hij maakt vervolgens met zijn rechterarm en -hand met daarin de wapenstok een bovenhandse beweging naar voren, in de richting van de aangever. De wapenstok bevindt zich bij die beweging hoog boven zijn hoofd, wordt naar beneden gebracht en eindigt vervolgens bij de rechter zijkant van het hoofd van de aangever. De verdachte staat op dat moment achter de aangever. Bij het geven van deze slag draait zijn hele torso (bovenlichaam) mee, tot ongeveer 180 graden; aan het begin van deze beweging staat hij vrijwel haaks op de aangever met zijn voorlichaam richting de ter plaatse aanwezige trappen en aan het eind van de beweging staat hij weer vrijwel haaks op de aangever, maar dan met zijn rug richting de trappen. Op het moment dat de wapenstok helemaal naar voren is gebracht en het hoofd van de aangever aan de rechterzijde raakt, staat de verdachte schuin voorover gebogen naar de aangever toe en zet hij nog een stap naar voren.

Op basis van deze eigen waarneming van de rechtbank, in samenhang bezien met de inhoud van de als bewijsmiddelen gebruikte stukken met daarin de verklaringen van de aangever en de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2], wordt vastgesteld dat de verdachte met volle kracht heeft geslagen. De kracht voor deze slag kwam niet alleen uit zijn arm, maar ook uit zijn lichaam, gezien de rotatie daarvan. De slag was volgens één van de getuigen zelfs zo hard dat hij die kon horen.

Op de camerabeelden is ook te zien dat de wapenstok, toen de verdachte daarmee van boven naar beneden sloeg, zich nagenoeg boven althans in de directe omgeving van het hoofd van de aangever bevond en ook dat de verdachte de wapenstok toen in een zodanige hoek hield dat de slag een bijna verticale slag benaderde. De slag was aldus naar uiterlijke verschijningsvorm gericht op het hoofd van de aangever.

(voorwaardelijk opzet)

Door zo te handelen bestond de aanmerkelijke kans dat door deze slag met de lange wapenstok het hoofd van de aangever zou worden geraakt en zwaar lichamelijk letsel (zoals ernstig hoofd- en/of hersenletsel) kon worden toegebracht.

De verklaring van de verdachte dat hij de intentie had om op de rechter bovenarm te slaan, is niet geloofwaardig, gelet op de wijze waarop hij heeft geslagen. De verdachte heeft door gericht en met volle kracht op het hoofd te slaan de aanmerkelijke kans dat hij bij de aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen ook bewust aanvaard. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verdachte gezien zijn opleiding, zijn jarenlange ervaring als politieman en als lid van de aanhoudingseenheid (AE) alsmede zijn ervaring met het gebruik van de lange wapenstok in het bijzonder zich bewust moet zijn geweest van deze kans. Bewezen is daarom dat de verdachte in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever.

(wederrechtelijkheid)

Nu de verdachte het voornoemde geweld heeft gebruikt in het kader van zijn werk als politieambtenaar, dient beoordeeld te worden of sprake is geweest van een situatie als bedoeld in artikel 7 van de Politiewet, namelijk een situatie op grond waarvan een ambtenaar van politie, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, geweld mag gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van het geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat het doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Ook moet het geweld proportioneel zijn gelet op het beoogde doel en gaat aan het gebruik van geweld zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

In de Politiewet en de Ambtsinstructie zijn ook regels opgenomen voor het gebruik van geweldsmiddelen, zoals de wapenstok. In Rotterdam geldt daarnaast het Besluit lange wapenstok politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: het Besluit). Op grond van artikel 6 van dit Besluit moet de lange wapenstok worden gebruikt met inachtneming van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook moet de gebruiker op basis van artikel 7 van dit besluit getraind zijn.

De verdachte was in de rechtmatige uitoefening van zijn functie. Hij was bij de wedstrijd Feyenoord tegen Kuban Krasnodar op 29 augustus 2013 ingezet als [politieambtenaar] van de AE. Hij was in daarvoor in aanmerking komende situaties gerechtigd tot het gebruik van de lange wapenstok en hij was daarvoor getraind.

De vraag die voorligt is of de verdachte in de onderhavige situatie geweld mocht toepassen en of hij daarbij gebruik mocht maken van de lange wapenstok op de wijze zoals hij heeft gedaan, daarbij rekening houdend met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze vraag wordt als volgt beoordeeld.

In de ogen van de politie ontstond er na de wedstrijd op en in de buurt van het plein bij de trappen waar het onderhavige incident plaatsvond een sfeer die grimmig was en/of grimmiger werd. Aangever en andere supporters hebben dit blijkens hun verklaringen anders ervaren. Zij hebben verklaard dat de sfeer rustig was.

De rechtbank acht echter aannemelijk dat bij de politie, onder wie de verdachte, de indruk is en kon ontstaan dat de sfeer grimmiger werd en dat er op een gegeven moment een dreiging uitging van de supporters naar de politie te paard en ingrijpen noodzakelijk was. Daarbij is het volgende van belang.

Er was voorinformatie dat er plannen zouden zijn om een politieruiter van zijn of haar paard te trekken. Daarover was gesproken tijdens de briefing voorafgaand aan de wedstrijd, waarbij de verdachte [politieambtenaar] van de AE aanwezig was. Voor de aanvang van de wedstrijd waren er ook enkele incidenten geweest. Daarbij zijn, onder andere door de verdachte en zijn team, aanhoudingen verricht. Er was geen combi-regeling. Mede in verband met de eerdere aanhoudingen, was besloten de Russische supporters na afloop van de wedstrijd langer in het stadion te laten blijven en werden de Feyenoord supporters ertoe aangespoord door te lopen, zodat beide groepen elkaar niet zouden ontmoeten. Op en bij het plein bij de trappen bleven echter verschillende Feyenoord supporters rondhangen. Volgens de politie waren daar supporters bij die zich uitdagend gedroegen, beledigende woorden uitten en voor de politie of de politieauto’s op de grond spuugden. De aangever heeft samen met een vriend en het 12-jarige zoontje van die vriend het stadion verlaten. Toen zij op het plein bij de trappen liepen werd de vriend van de aangever boos op de politie te paard. Hij richtte zich tot hen en stond daarbij ook te schelden. Er ontstond een hevige discussie tussen de vriend van de aangever en de politie te paard, die hem aansprak en naar de muur bracht. Op de camerabeelden is te zien dat de vriend bij het eerste paard stond en handbewegingen maakte in de richting van de berijder van het eerste paard. De aangever, die er ook bij gekomen was, stond toen bij het tweede paard. Hij werd weggeduwd door de berijder van het tweede paard. Er kwamen ook wat andere supporters omheen staan. Een man met een groen shirt liep met wijd opengesperde handen naar de paarden. Er waren nog ongeveer vier andere mensen dichtbij de paarden, die ook naar de paarden keken, alsmede wat mensen iets verderop en op een grotere afstand. De man met het groene shirt bleef bij de paarden staan en, gezien de beelden, leek hij zich met het incident te bemoeien en zich provocerend te gedragen. De aangever werd door een politieagent/ME-er bij de schouder gepakt en weggeduwd. Hij bleef daarna iets verderop staan.

Volgens de ruiters die bij de muur stonden, werden er ook dingen naar hen toe gegooid. Zij kregen de indruk dat zij ingesloten werden en voelden zich belaagd. Door een van hen werd hiervan melding gedaan via de bovenlijn van de portofoons waarvan door de politie gebruik werd gemaakt en werd om assistentie verzocht. De verdachte heeft dit bericht ook gehoord en is vervolgens samen met zijn collega’s in een ME-bus ter plaatse gegaan.

Op de genoemde camerabeelden zijn in totaal ongeveer 20 supporters te zien, maar op andere – eveneens op de terechtzitting getoonde – camerabeelden, die door supporters zijn gemaakt, is te zien dat het totaal aantal mensen op en in de buurt van het plein groter was. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat er ook supporters (zo’n 10 à 15 personen) waren, die eerst aan de overkant stonden en vervolgens terugrenden naar de trappen en dus tegen de stroom in en terug naar het stadion, hetgeen onlogisch is als ze hadden willen vertrekken. Dat had volgens hem ook een aanzuigende werking en op dat moment kwam de melding van zijn collega dat de ruiters werden belaagd. Hij heeft dit, gelet op wat zijn collega zei en zijn intonatie (namelijk op gespannen toon, terwijl deze collega normaal heel rustig en monotoon praat), opgevat als een verzoek om spoedassistentie. De rechtbank acht het gezien de omstandigheden en gezien het korte tijdsbestek (een aantal seconden) waarin dit alles gebeurde, begrijpelijk dat hij dit zo heeft ervaren. De verdachte begreep dat hij moest ingrijpen om de paarden te ontzetten en escalatie te voorkomen.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verdachte in deze situatie mocht optreden. De verdachte mocht daarbij ook geweld gebruiken om de supporters te bewegen zich van deze plek te verwijderen. Hij mocht daarbij ook gebruik maken van de lange wapenstok. Hij beschikte niet over een ander, lichter geweldsmiddel. Mede gelet op wat twee deskundigen op dit punt hebben gerapporteerd naar aanleiding van deze zaak (Braat en Scheffer) is verklaarbaar dat dit het meest juiste toegepaste geweldsmiddel is geweest. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte ook tegen de aangever, die in ieder geval geen haast maakte om weg te gaan, gepast geweld mocht gebruiken.

De wijze waarop de verdachte tegen de aangever geweld heeft gebruikt was echter disproportioneel. Ook als de aangever zich opruiend zou hebben gedragen, door te schelden of anderszins, zoals de verdachte heeft verklaard, had hij niet zo plotseling, zonder enige waarschuwing, de wapenstok mogen hanteren zoals hij heeft gedaan, namelijk door deze met volle kracht in de directe omgeving van het hoofd van de aangever naar beneden te brengen met een slag die een verticale slag benaderde en aldus in de richting van het hoofd van de aangever te slaan, met als risico dat hij het hoofd zou raken en daardoor

zwaar lichamelijk letsel zou kunnen ontstaan. Daarbij wordt ook meegewogen dat, zoals is verklaard door de [politieambtenaar], die trainingen voor het gebruik van de lange wapenstok geeft, met de wapenstok geen verticale slag mag worden gemaakt en sowieso niet op het hoofd mag worden geslagen. Zoals ook de verdachte zelf heeft verklaard, moet bij het slaan met de lange wapenstok worden gericht op de bovenbenen en bovenarmen waar zich de grotere spiergroepen bevinden. Dat heeft de verdachte niet gedaan. Ook is meegewogen dat de aangever op het moment dat hij werd geslagen geen directe bedreiging vormde voor de politie te paard bij de muur. Als hij zich opruiend zou hebben gedragen, zoals de verdachte dit heeft ervaren, maar wat op basis van de camerabeelden of anderszins niet kan worden vastgesteld, had zijn gedrag hooguit een aanzuigende werking op andere supporters.

De door de verdachte gegeven slag met de wapenstok tegen het hoofd van de aangever, gaat gelet op het voorgaande, buiten de grenzen van artikel 7 van de Politiewet en is dus wederrechtelijk.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2013 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever] met kracht (bovenhands) met een lange wapenstok tegen (de zijkant van) zijn hoofd, althans zijn lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij de artikelen 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Geen straf

Met betrekking tot de vraag of aan de verdachte straf moet worden opgelegd wordt het volgende overwogen.

Voorop gesteld wordt dat de verdachte een politieambtenaar is, die ten tijde van het delict zijn beroep uitoefende. In de uitoefening van zijn beroep wordt, zoals ook de raadsvrouw heeft aangevoerd, van hem verwacht dat hij resoluut optreedt en niet wegloopt in lastige situaties. Daarbij moet in bepaalde situaties binnen zeer korte tijd een beslissing worden genomen, onder andere de beslissing over het al dan niet toepassen van geweld en de afweging daarbij welk geweld passend is. In dit geval mocht de verdachte geweld gebruiken. Er bestaat geen twijfel over dat het zijn bedoeling was om te zorgen dat zijn collega’s van de bereden politie zouden worden ontzet, omdat hij in de veronderstelling was dat zij in nood waren. Het door hem tegen de aangever gebruikte geweld, het met volle kracht met de lange wapenstok slaan tegen het hoofd, was echter veel te fors en daarmee disproportioneel en daarom niet gerechtvaardigd. Dit betreft een ernstig feit. De verdachte heeft door het plegen van dit feit inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door de klap heeft het slachtoffer letsel opgelopen, onder andere een schaafwond op zijn voorhoofd en een hersenschudding, waar hij nog een aantal weken last van heeft gehad. Het letsel is nog relatief beperkt gebleven. De slag op het hoofd had ook kunnen leiden tot zeer ernstig letsel. Zoals ook blijkt uit de verklaring van het slachtoffer op de terechtzitting, heeft het slachtoffer behalve dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, het hele gebeuren ervaren als een heel nare situatie en heeft hij hiervan ook emotionele schade ondervonden.

Aan de andere kant wordt ook meegewogen dat het slachtoffer zich niet met haast van de plek waar hij later is geslagen heeft verwijderd, maar is blijven staan, terwijl hij door collega’s van de verdachte was weggeduwd en was gesommeerd om weg te gaan. Het lijkt erop dat hij met de politie in discussie ging samen met zijn vriend. Ook als juist is dat er eerder een vervelend voorval was geweest tussen de politieruiters en het zoontje van zijn vriend, had hij moeten doen wat de politie van hem vroeg in plaats van in discussie te gaan met de politie op een moment dat zich daarvoor niet leent.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte wordt onder meer meegewogen dat hij, blijkens hetgeen hierover op de terechtzitting naar voren is gebracht, een zeer gewaardeerde en goed functionerende politieman is, met een lange staat van dienst.

Zoals volgt uit de door de raadsvrouw geciteerde brief van de leidinggevende van de verdachte, heeft dit incident negatieve gevolgen gehad voor de persoonlijke ontwikkeling van de verdachte; hij is diverse ontwikkelkansen en carrièremogelijkheden misgelopen. Hij had concrete kansen op andere functies bij de politie, waaronder leidinggevende functies. Zo heeft hij positieve sollicitatierondes doorlopen en is hij voor functies voorgedragen, maar kwam hij steeds niet verder of kreeg hij de functie niet, omdat besloten werd dat eerst het onderzoek naar dit incident moest worden afgewacht. Ook werd de verdachte niet meer ingezet tijdens de zogenaamde ‘Feyenoord diensten’, hetgeen volgens hem een deel van zijn werkplezier heeft ontnomen en hem extra inkomsten heeft gescheeld.

Er is in verband met dit incident aan de verdachte ook een disciplinaire maatregel, namelijk een berisping, opgelegd.

Ook is er veel media-aandacht voor deze zaak geweest. Er zijn verschillende berichten verschenen in kranten en op internet en ook op social media. Deze voor hem negatieve publiciteit en eenzijdige en in zijn ogen onjuiste berichtgeving hebben bij de verdachte geleid tot een sterk gevoel van onrechtvaardigheid.

Ook de persoonlijke impact van dit alles is voor de verdachte groot geweest. Uit hetgeen door hem naar voren is gebracht op de terechtzitting, maakt de rechtbank op dat de verdenking, het langlopende onderzoek en de onzekerheid omtrent de uitkomst van deze strafzaak behoorlijk belastend is geweest voor hem en van invloed is geweest op de relatie met zijn vrouw.

Verder wordt in aanmerking genomen dat de verdachte oprecht zijn medeleven heeft getoond ten aanzien van hetgeen het slachtoffer heeft doorgemaakt.

Alles afwegend wordt aanleiding gezien artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen en verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van enige straf of maatregel.

Daarbij is ook nog in aanmerking genomen dat het onderhavige delict bijna 3,5 jaar geleden plaatsvond en dat de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn genoemd in artikel 6 van het EVRM.

8 Benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Vordering

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [aangever], raadsman mr. E. Kok, advocaat te Schiedam. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 963,15 ter zake van materiële schade en een vergoeding van € 4.000,= ter zake van immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, met uitzondering van de benzinekosten en parkeerkosten. Het bedrag van € 112,= als vergoeding voor het missen van vier wedstrijden van Feyenoord zijn volgens hem aan te merken als immateriële schade. Hij acht een bedrag van € 805,15 toewijsbaar als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 4.112,= als vergoeding van immateriële schade. De officier van justitie heeft ook om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering dan wel de vordering moet worden afgewezen; primair vanwege de bepleite vrijspraak en subsidiair, omdat voor alle opgesomde schadeposten geldt dat niet dan wel onvoldoende is onderbouwd dat deze het rechtstreekse gevolg zijn van het strafbare feit. Dit klemt temeer nu de benadeelde partij, blijkens de toelichting van de vordering, ook de vermeende handelingen van de andere AE-teamleden erbij betrekt. De kosten van de Feyenoordwedstrijden worden ten onrechte opgevoerd. Uit de verklaring van de aangever zelf blijkt dat Feyenoord zijn clubkaart en seizoenkaart zelf heeft ingenomen na het incident. Dit kan de verdachte niet worden verweten.

Meer subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade te complex is voor behandeling in het kader van de strafzaak.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Per post zal worden overwogen voor welke posten het rechtstreekse verband met het feit is komen vast te staan.

Met betrekking tot het bedrag van € 112,= voor de kosten voor het missen van vier wedstrijden van Feyenoord ontbreekt het rechtstreekse verband met het strafbare feit.

Er is een bedrag van € 435,15 gevorderd in verband met vrije uren (in totaal 35 uren), die de benadeelde stelt te hebben moeten opnemen. Op de terechtzitting is een urenstaat overgelegd en is deze post toegelicht. Onderbouwd is dat hij als gevolg van het strafbare feit op 30 augustus 2013 (de dag na het incident) de hele dag (8 uren) niet heeft kunnen werken. Daarnaast is onderbouwd dat hij op 17 februari 2014 in verband met het slachtoffergesprek bij het openbaar ministerie een vrije dag heeft opgenomen. De rechtbank acht een vergoeding voor een hele vrije dag om het slachtoffergesprek te voeren niet redelijk, maar wel een vergoeding voor 4 vrije uren. Gelet op deze onderbouwing wordt daarom, ondanks de betwisting door de verdachte, ter zake van opgenomen vrije uren een vergoeding voor in totaal 12 uren toegekend. Dit komt neer op een vergoeding van € 149,19 (€ 435,15 / 35 x 12). Voor de overige uren is, tegenover de betwisting door de verdachte, onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij deze heeft moeten opnemen als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit.

Voor vergoeding van kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering is een bedrag van bedrag van € 241,= gevorderd. Vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit medische kosten heeft gehad. Deze post is door de verdachte niet voldoende gemotiveerd weersproken. De gevorderde vergoeding van € 241,= zal daarom worden toegewezen.

Ook de overige posten aan materiële schade zijn het rechtstreekse gevolg geweest van het strafbare feit. De rechtbank ziet wel aanleiding, vanwege het ontbreken van stukken met betrekking tot deze posten, deze schade naar maatstaven van billijkheid vast te stellen. De rechtbank acht de volgende vergoedingen redelijk:

  • -

    € 15,= voor de belkosten naar diverse instanties;

  • -

    € 25,= voor benzinekosten/vervoerskosten;

  • -

    € 30,= voor de parkeerkosten;

  • -

    € 10,= voor medicijnen.

In totaal wordt als vergoeding voor materiële schade een bedrag van € 470,19 als vergoeding voor materiële schade toegekend.

Voor hetgeen de benadeelde partij aan materiele schade meer of anders heeft gevorderd zal de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit tevens rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 700,=, zodat de vordering voor vergoeding van immateriële schade tot dit bedrag zal worden toegewezen. De uitspraak waarnaar de benadeelde partij ter onderbouwing van zijn vordering verwijst, is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar, aangezien die uitspraak, anders dan hier aan de orde, ziet op een slachtoffer die zodanig psychisch letsel heeft opgelopen dat hij gedurende bijna drie jaren psychotherapeutische hulp nodig heeft gehad.

Voor het overige zal de vordering ter zake van immateriële schade worden afgewezen.

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.170,19, vermeerderd met de proceskosten welke aan de zijde van de benadeelde partij worden begroot op € 100,- aan salaris voor de raadsman.

Tevens wordt voor dit bedrag oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam aangever], te betalen een bedrag van € 1.170,19 (zegge: duizend honderdzeventig euro en negentien eurocent), bestaande uit € 470,19 aan vergoeding voor materiële schade en € 700,= aan vergoeding voor immateriële schade;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 100,- aan salaris voor de raadsman en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor hetgeen ter zake materiele schade meer of anders is gevorderd niet-ontvankelijk in de vordering;

wijst af het door de benadeelde partij ter zake van immateriële schade meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.170,19 (hoofdsom, zegge: duizend honderdzeventig euro en negentien eurocent); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.170,19 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 21 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en J. Fransen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 augustus 2013 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever] met kracht (bovenhands) met een lange wapenstok tegen (de zijkant van) zijn hoofd, althans zijn lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 augustus 2013 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, een persoon (te weten [naam aangever]) heeft mishandeld door met kracht (bovenhands) met een lange wapenstok tegen (de zijkant van) zijn hoofd, althans zijn lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Bijlage II

Bewijsmiddelen

De eigen waarneming van de rechtbank op de terechtzitting van 18 januari 2017

van de op de terechtzitting getoonde camerabeelden (de originele beelden, zoals opgeslagen op de DVD met de tekst ME R’dam 20130079 kopie 19 aug.avi), te weten:

De rechtbank ziet dat het camerabeelden betreft, die op 29 augustus 2013 tussen 23:10:49 en 23:14:58 zijn opgenomen met camera 41, met zicht op de Coen Moulijnweg te Rotterdam en de trappen bij het Feyenoordstadion en het plein daartussen.

De rechtbank ziet op deze camerabeelden het volgende.

Er komt een ME-bus aanrijden (deze komt om 23:11:04 in beeld in de linker onderhoek van de beelden) en deze stopt bij het voorplein, vlakbij de muur aan de zijkant van het plein. Er komen AE-ers (leden van de aanhoudingseenheid) uit de ME-bus. De AE-er, die als eerste uit de bus komt, nadert kort daarna van achteren een man, die zich op enkele meters voor de bus bevindt, en slaat deze man met de lange wapenstok. Dit gebeurt om 23:11:06. De man grijpt daarna met twee handen naar zijn hoofd en valt op de grond.

De wijze waarop de slag wordt gegeven, is te vergelijken met een bovenhandse servicebeweging bij tennis. De linkerhand van de AE-er wijst aanvankelijk naar voren, terwijl hij zijn rechterhand met daarin de wapenstok achter zijn hoofd houdt. De wapenstok wijst dan naar boven. Zijn rechterarm is dan gebogen. Hij maakt vervolgens met zijn rechterarm en -hand met daarin de wapenstok een bovenhandse beweging naar voren, in de richting van de man. De wapenstok bevindt zich bij die beweging hoog boven zijn hoofd, wordt naar beneden gebracht en eindigt vervolgens bij de rechter zijkant van het hoofd van de man. De AE-er staat op dat moment achter de man. Bij het geven van deze slag draait zijn hele torso (bovenlichaam) mee, tot ongeveer 180 graden; aan het begin van deze beweging staat hij vrijwel haaks op de man met zijn voorlichaam richting de ter plaatse aanwezige trappen en aan het eind van de beweging staat hij weer vrijwel haaks op de man, maar dan met zijn rug richting de trappen. Op het moment dat de wapenstok helemaal naar voren is gebracht en het hoofd van de man aan de rechterzijde raakt, staat de AE-er schuin voorover gebogen naar de man toe en zet hij nog een stap naar voren.

De wapenstok bevond zich, toen de AE-er daarmee van boven naar beneden sloeg, nagenoeg boven althans in de directe omgeving van het hoofd van de man. De AE-er hield de wapenstok toen in een zodanige hoek dat de slag een bijna verticale slag benaderde.

De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 18 januari 2017, inhoudende:

Op 29 augustus 2013 was ik in dienst als [politieambtenaar] van een groep van de aanhoudingseenheid (AE) van de politie. Wij kwamen na de voetbalwedstrijd Feijenoord tegen Kuban Krasdnador met de ME-bus aan bij het muurtje bij het plein tussen de Coen Moulijnweg te Rotterdam en de trappen bij het Feyenoordstadion. Ik heb daar de in de tenlastelegging genoemde [aangever] met kracht geslagen met de lange wapenstok. Ik deed dit met de bedoeling hem van die plek te verwijderen. Ik heb bovenhands geslagen. Het was een diagonale slag. Ik heb gezien dat ik hem op zijn hoofd raakte. U toont mij de camerabeelden. Ik ben de AE-er, die als eerste uit de bus komt en die de man die voor de bus staat met de lange wapenstok slaat. Die man is [aangever]. U beschrijft de draaibeweging, die ik volgens de waarneming van de rechtbank bij het geven van deze slag maak. Die beschrijving klopt.

Het proces-verbaal van politie, nummer 2013-152-VIK (doorgenummerde pagina 15 e.v.), inhoudende als verklaring van aangever [naam aangever], opgemaakt op 16 september 2013:

Ik wil aangifte doen van mishandeling gepleegd door politieambtenaren. Dit is op 29 augustus 2013 gebeurd na afloop van de voetbalwedstrijd Feyenoord-Kuban Krasnodar in het Feijenoordstadion te Rotterdam.

Ik bevond mij op een gegeven moment bij een muurtje op de Coen Moulijnweg, nabij de trappen naar het beneden gelegen voorplein van het stadion. Er bevonden zich bij dat muurtje ook twee politieruiters te paard. Ik werd door een van de paarden tegen het muurtje gedrukt. Ik besloot achter het paard langs weg te lopen. Toen ik achter het paard vandaan was, kreeg ik opeens totaal onverwacht van achteren een enorme klap tegen de rechter zijkant van mijn hoofd. Ik voelde enorme pijn aan mijn hoofd en ik zag meteen sterretjes, ik wankelde op mijn benen en kon mijzelf te nauwer nood staande houden. Ik was korte tijd volkomen gedesoriënteerd. Toen ik na enkele seconden mijn oriëntatie weer een beetje terug had en ik omkeek, zag ik dat direct achter mij een politieman in ME-kleding stond. Ik zag dat die politieman een lange knuppel in zijn hand had. Het was voor mij wel duidelijk dat deze politieman mij de klap met zijn knuppel op mijn hoofd had gegeven.

Ik voelde dat ik alsmaar duizeliger werd. Ik voelde nog steeds een enorme pijn aan mijn hoofd en voelde mij ook misselijk worden. Ik ben slingerend de Coen Moulijnweg overgestoken tot de middenberm. Omdat ik van duizeligheid en misselijkheid niet verder kon lopen ben ik in de middenberm gaan zitten. Ik probeerde aanvankelijk om daar weg te lopen, maar merkte toen ik opstond dat ik weer tegen de grond viel van duizeligheid.

Mensen van de EHBO hebben mijn hoofdwond behandeld. Na ongeveer twee uur werd ik onderzocht door de politiearts. Zij constateerde een hersenschudding bij mij en zij vertelde ook dat ik in shock verkeerde. Toen ik de volgende morgen wakker werd, bleek dat mijn hoofdletsel aanzienlijk meer toonde. Mijn hoofd en ook mijn rechteroog was aanzienlijk paars/blauw verkleurd en gezwollen.

Van de klap die ik op mijn hoofd kreeg ondervind ik nog steeds problemen. Ik voel geregeld nog stekende pijnen in mijn hoofd en merk ook dat ik minder scherp ben qua concentratie. Ik hoor ook van mijn vriendin dat ik vergeetachtig ben sinds het gebeuren.

Een ander geschrift, te weten een e-mail van 2 september 2016, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van politie nummer 2013-152-VIK (doorgenummerde pagina 22), inhoudende als verklaring van [naam getuige]:

Na de wedstrijd Feyenoord-Kuban Krashnador ben ik over het voorplein gelopen, richting de grote trap en de Coen Moulijnweg. Er waren daar ook politieagenten te paard. Ik zag een ME bus aanstormen, waar politie uitkwam, ik dacht met blauwe polo’s met iets van Eenheid als tekst erop. Ik zag deze eenheid met de stok in de hand iemand van achter aanvallen. De klap die ontstond kon je ver weg horen, zo hard was die. De man zakte in elkaar. Veel mensen schrokken van de klap.

Het proces-verbaal van politie, nummer BIZ 160-2013 (doorgenummerde pagina 78 e.v.), inhoudende als verklaring van [naam getuige]:

Ik heb in augustus 2013 de voetbalwedstrijd Feyenoord-Kuban Krashnador bijgewoond.

Na afloop van de wedstrijd zag ik dat op de Coen Moulijnweg een ME’er met zijn lange wapenstok vol uithaalde naar een man. Ik zag dat hij de man sloeg op zijn hoofd. Ik schrok me echt wild. Ik zag dat de man op de grond terecht kwam.

Het proces-verbaal van politie (algemeen proces-verbaal van de Rijksrecherche) nummer 20130079 (pagina’s 5 en 6), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 29 augustus 2013 werd in het Feyenoordstadion te Rotterdam een voetbalwedstrijd gespeeld tussen Feyenoord en Kuban Krashnador. Na deze wedstrijd heeft de Aanhoudings Eenheid (AE) bij het naar huis gaan van het publiek enkele charges uitgevoerd.

De man, die door één van de agenten, gekleed in burger maar met een herkenbare politiejas (AE), met een lange wapenstok een slag op zijn hoofd was geslagen, werd op een bureau van politie te Rotterdam bezocht door een politiearts. De politiearts heeft bij de man een hersenschudding geconstateerd.

Een ander geschrift, bevattende medische informatie betreffende [aangever], op 10 oktober 2013 opgemaakt door de arts J.R. van Leeuwen (doorgenummerde pagina 42), inhoudende

[naam aangever]

vermelde gegevens Volgens informatie huisarts met betrekking tot bezoek/behandeling d.d. 30-08-2013.

objectieve bevindingen Schaafwond voorhoofd. Pijnlijk kaakgewricht rechts. Pijnlijke nekspieren.

De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

De aangehaalde andere geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.