Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7977

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-10-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
C/10/537173 / KG ZA 17-1150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG. Vordering om havo 4 over te mogen doen, wordt afgewezen. Marginale toetsing. De voor de besluitvorming geldende regels zijn juist toegepast en de school heeft in redelijkheid tot haar besluit kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2018/637
NJF 2018/180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/537173 / KG ZA 17-1150

Vonnis in kort geding van 23 oktober 2017

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.E. Hoogenraad te Maassluis,

tegen

de stichting

STICHTING LENTIZ ONDERWIJSGROEP, SAMENWERKINGSSTICHTING VOOR BVE EN VO IN HET WESTLAND EN DE NIEUWE WATERWEG NOORD,

gevestigd te Vlaardingen,

gedaagde,

advocaat mr. A.H.M. van Bavel te Woerden.

Partijen zullen hierna [eiser] en Lentiz genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 oktober 2017, met 15 producties;

  • -

    de 8 producties van Lentiz;

  • -

    de mondelinge behandeling op 19 oktober 2017;

  • -

    de pleitnota van Lentiz.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , geboren op 29 juni 1999, heeft op de St.-Jozef Mavo te Vlaardingen zijn mavo-diploma behaald.

2.2.

In september 2015 is [eiser] in havo 4 gestart op de S.G. Spieringshoek te Schiedam. Vanwege een tweetal scooterongelukken heeft hij veel lesdagen gemist in dat schooljaar.

2.3.

In september 2016 heeft [eiser] zich aangemeld bij Lentiz, afdeling Groen van Prinstererlyceum te Vlaardingen (hierna: het lyceum), alwaar hij opnieuw is gestart in havo 4.

2.4.

Bij e-mail van 7 juni 2017 heeft [persson 1] (hierna: [persson 1] ), de mentor van [eiser] , aan zijn ouders het volgende medegedeeld:

“(…)

We hadden elkaar half april gesproken bij de spreekavond. Toen hebben we het gehad over informatica en wiskunde A en bespraken we dat de bijles voor wiskunde weer opgestart moest worden. Is dit gelukt? Ook hadden we besproken dat [eiser] in de meivakantie iedere dag een uur aan wiskunde zou werken ter voorbereiding op het hoofdstuk waar we nu mee bezig zijn en dat in de toetsweek getoetst gaat worden. Is dat gelukt? Dit zijn zaken die belangrijk zijn voor de eventuele overgang van [eiser] buiten de norm om. Aan wiskunde moet hard gewerkt worden en er moet verbetering zichtbaar zijn, want anders lopen we volgend jaar tegen hetzelfde probleem aan en kan het diploma niet gehaald worden. Ik merk wat betreft werkhouding in de les niet dat [eiser] er voldoende aan trekt. Er zijn drie lessen geweest voor dit hoofdstuk en eenmaal had hij zijn twee verplichte huiswerkopgaven (andere oefenopgaven niet) op een los blaadje en gisteren had hij zijn spullen niet bij zich. Daarnaast zie ik hem vervolgens niet hard genoeg aan het werk gaan. Het cijfer dat hij in de toetsweek voor dit hoofdstuk haalt, gaat, naast dat dit voor de overgang meetelt, mee naar havo 5 en telt mee in het eindexamendossier. He verslag van de PO dat afgelopen week in ingeleverd heb ik nog niet nagekeken.

Mocht de verbetering straks niet te zien zijn, dan is de kans aanwezig dat de overgang niet kan plaatsvinden. Is er dan een plan voor vervolgonderwijs? Ik heb meermaals in mentorlessen aangegeven dat plan B (MBO) belangrijk is, en [eiser] gaf altijd te kennen gewoon over te gaan.

Ik hoop natuurlijk dat dat lukt!

(…)”

2.5.

Diezelfde dag heeft de vader van [eiser] per e-mail het volgende geantwoord:

“(…)

[eiser] heeft in de meivakantie zeker aan zijn wiskunde gezeten. Ook nu bekijkt hij filmpjes en oefent hij de stof. [eiser] heeft een paar keer bijles gehad en dat gaat nu aanstaande week weer gebeuren.

Over het niet op orde hebben van zijn werk daar hebben wij hem op aangesproken. Hij heeft beterschap beloofd.

Plan B hebben we niet. Hij wil niet naar een MBO. Hij wil heel graag over naar Havo 5 en hij zegt dat dat gaat lukken. Wij hopen dat met hem.

(…)”

2.6.

In de schoolgids 2016/2017 van het lyceum zijn op pagina 13 de regels omtrent de bevordering van leerjaar 4 naar leerjaar 5 van de havo omschreven. Daarin is vermeld dat bij afwijking van de criteria met maximaal één tekort de docentenvergadering, onder eindverantwoordelijkheid van de teamleider, het perspectief van de leerling bespreekt en aldus tot een besluit komt tot bevorderen dan wel afwijzen. Afwijzen leidt tot doublure of tot verwijzen naar een lager niveau.

2.7.

Aan het einde van het schooljaar 2016/2017 is besloten dat [eiser] niet wordt bevorderd naar havo 5 en is [eiser] doorverwezen naar het mbo-onderwijs. Op 3 juli 2017 heeft [persson 1] dit besluit aan [eiser] medegedeeld. Naar aanleiding van het verzoek om dit besluit te bespreken, heeft Lentiz bij e-mail van 7 juli 2017 aan de ouders van [eiser] dit besluit nogmaals bevestigd.

2.8.

Bij brief van 27 juli 2017 heeft de moeder van [eiser] een bezwaar ingediend bij de Klachtencommissie van Lentiz tegen het besluit van Lentiz om [eiser] niet door te laten stromen naar havo 5. Op 29 augustus 2017 heeft de Klachtencommissie het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar buiten de daarvoor gestelde termijn van

10 dagen was ingediend. Daarop zijn de ouders van [eiser] in gesprek gegaan met

[persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), lid van de Raad van Bestuur van Lentiz. Bij e-mail van

31 augustus 2017 heeft [persoon 2] aan de ouders van [eiser] medegedeeld dat Lentiz het dossier nogmaals heeft doorgenomen maar dat zij geen gronden ziet om de uitspraak van de Klachtencommissie te heroverwegen.

2.9.

Op 1 september 2017 hebben de ouders van [eiser] aan [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ), teamleider havo van het lyceum, verzocht te bekijken of [eiser] havo 4 kan overdoen bij het lyceum. Bij e-mail van 14 september 2017 heeft [persoon 3] aan de moeder van [eiser] medegedeeld dat Lentiz geen aanleiding ziet om [eiser] voor een derde keer in havo 4 te plaatsen. Bij brief van 20 september 2017 heeft de moeder van [eiser] tegen het besluit van 14 september 2017 een bezwaar ingediend bij de Klachtencommissie van Lentiz.

2.10.

Op het directie-overleg van Lentiz op 10 oktober 2017 is de zaak van [eiser] nogmaals besproken. Lentiz heeft haar besluit gehandhaafd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. dat [eiser] per 24 oktober 2017 wordt toegelaten tot het Groen van Prinstererlyceum te Vlaardingen in havo 4, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat hij niet wordt toegelaten, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;

  2. Lentiz te veroordelen in de proceskosten;

  3. althans een zodanige voorlopige voorziening als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering het volgende ten grondslag gelegd.

Primair stelt hij zich op het standpunt dat tussen partijen een onderwijsovereenkomst bestaat, op basis waarvan van Lentiz, als redelijk handelend en redelijk bekwaam onderwijsinstituut, mag worden verwacht dat zij onderwijs aanbiedt aan [eiser] . Door dat zulks te weigeren, is er sprake van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis van Lentiz jegens [eiser] . Voor de weigering is geen enkele reden. Er zijn geen wettelijke regels die bepalen hoe lang een leerling over de havo mag doen en evenmin staat dat in de schoolgids van Lentiz. Bovendien mag een andere leerling bij Lentiz wel voor de derde maal havo 4 doen. Onduidelijk is waarom [eiser] dit niet is toegestaan.

Subsidiair meent [eiser] dat hij dient te worden toegelaten tot havo 4 op basis van een toezegging daartoe van [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ), directeur van het lyceum. [persoon 4] heeft op 9 oktober 2017 namelijk telefonisch aan mr. Hoogenraad toegezegd dat [eiser] per 24 oktober 2017 alsnog mocht starten in havo 4.

3.3.

Het verweer van Lentiz strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiser] vloeit voort uit de aard van zijn vordering en is overigens niet betwist door Lentiz.

4.2.

Het standpunt van [eiser] dat Lentiz op basis van de tussen partijen gesloten onderwijsovereenkomst verplicht is om onderwijs aan te bieden aan [eiser] door toelating in havo 4, kan niet worden gevolgd. Op grond van artikel 27 lid 1 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO), voor zover van belang, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor elke soort van scholen of voor afdelingen van die scholen voorwaarden voor de toelating en voorschriften omtrent verwijdering en voorwaardelijke bevordering worden vastgesteld. Artikel 2 lid 1 van het Inrichtingsbesluit WVO bepaalt dat het bevoegd gezag over de toelating van leerlingen beslist. Dat betekent voor het onderhavige geval dat het aan Lentiz c.q. het lyceum is om te bepalen of [eiser] havo 4 nogmaals mag overdoen.

Het lyceum heeft in haar schoolgids vastgelegd welke regels/criteria gelden bij de bevordering van de leerlingen naar het volgende leerjaar. Ten aanzien van de bevordering van havo 4 naar havo 5 is specifiek vermeld dat, indien bij een leerling sprake is van maximaal één tekort om over te kunnen gaan, zijn situatie tijdens de docentenvergadering wordt besproken en dat de vergadering daarop besluit om die leerling te bevorderen of af te wijzen, waarbij afwijzing leidt tot doublure of tot verwijzing naar een lager niveau.

Aan de voorzieningenrechter komt slechts een marginale toetsing toe, dat wil zeggen dat alleen kan worden beoordeeld of de voor de besluitvorming geldende regels juist zijn toegepast en of Lentiz in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.

4.3.

Uitgangspunt is dat, met inachtneming van hetgeen in de schoolgids is bepaald, Lentiz c.q. het lyceum heeft vastgesteld dat [eiser] niet voldeed aan de doorstroomregels om over te gaan naar 5 havo en dat een mbo-opleiding beter bij hem zou passen.

Met het eerste ingediende bezwaar bij de Klachtencommissie beoogde [eiser] te bewerkstelligen dat hij alsnog over kon gaan naar havo 5. Nu hij dit doel heeft laten varen en zich met de tweede bezwaarprocedure van 1 september 2017 alsmede met dit kort geding richt op het overdoen van havo 4 bij het lyceum, wordt de eerste bezwaarprocedure bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten. Vaststaat dat op het tweede bezwaar nog geen beslissing is gekomen. Daarvan heeft Lentiz ter zitting aangevoerd dat de Klachtencommissie die beslissing heeft opgeschort, omdat partijen steeds in gesprek waren over een mogelijke oplossing. Dit komt de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk voor, zodat Lentiz in dat opzicht niet onzorgvuldig heeft gehandeld.

Na haar besluit is Lentiz op zoek gegaan naar een andere school voor [eiser] en heeft zij op 31 augustus 2017 [eiser] gewezen op de mogelijkheid om de mbo-opleiding ICT te volgen aan het Techniek College Rotterdam, gevestigd te Schiedam. Omdat [eiser] zich daar niet in kon vinden en volhardde in zijn verzoek om havo 4 over te doen, is zijn verzoek besproken tijdens het directie-overleg op 10 oktober 2017. Ook na dit overleg is Lentiz bij haar standpunt gebleven dat het mbo beter zou passen bij [eiser] en dat hij havo 4 niet kon overdoen.

Uit het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat Lentiz de voor de besluitvorming geldende regels juist heeft toegepast.

4.4.

Verder is voldoende gebleken dat Lentiz in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen. Ter zitting heeft Lentiz toegelicht welke omstandigheden zij heeft meegewogen bij haar besluit dat de havo niet de juiste plek is voor [eiser] , namelijk: de lage cijfers gedurende het jaar maar ook het jaar daarvóór, de lage cito- en nio-score, het gebrek aan motivatie, de leeftijd van [eiser] en het feit dat hij al een mavo-diploma heeft en daarmee op korte termijn een mbo-opleiding kan afronden. Aldus blijkt van een weloverwogen beslissing.

Daartegenover heeft [eiser] geen feiten of omstandigheden genoemd, die afdoen aan de beoordeling van Lentiz. De stelling van [eiser] dat hij te weinig tijd zou hebben gehad om na te denken over een mbo-opleiding of een andere opleiding, wordt niet aannemelijk geacht. Uit de stukken, waaronder de e-mail van [persson 1] van 7 juni 2017 (zie 2.4.), kan worden afgeleid dat de cijfers van [eiser] onvoldoende waren om over te kunnen gaan naar het volgende leerjaar en dat het lyceum reeds gedurende het schooljaar 2016/2017 aan [eiser] het alternatief van een mbo-opleiding had voorgehouden, maar dat [eiser] steeds afwijzend stond tegenover het volgen van een mbo-opleiding. De redenering dat [eiser] graag op de havo wil blijven, omdat hij een hbo-opleiding wenst te volgen, is niet bepalend, nu het ook mogelijk is om via een mbo-opleiding door te stromen naar een hbo-opleiding. Evenmin is gebleken van een concrete afspraak tussen [persson 1] en [eiser] dat [eiser] buiten de norm over zou gaan indien hij voldoende inzet zou tonen en verbetering zou laten zien. De daartoe overgelegde e-mailcorrespondentie tussen [persson 1] en [eiser] biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Het feit dat Lentiz een andere leerling wel heeft toegestaan om voor de derde maal havo 4 te doen, is niet relevant voor de situatie van [eiser] . Nog los van de eerder genoemde discretionaire bevoegdheid van Lentiz, ligt het voor de hand dat de situatie van iedere leerling anders is en daarom niet met elkaar te vergelijken is.

4.5.

De primaire grondslag kan derhalve niet leiden tot toewijzing van de vordering.

4.6.

Subsidiair heeft [eiser] een beroep gedaan op de door hem gestelde mondelinge toezegging van [persoon 4] aan mr. Hoogenraad dat [eiser] alsnog mocht starten in havo 4. Deze stelling is evenwel door Lentiz en ter zitting door [persoon 4] zelf uitdrukkelijk betwist. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan te nemen dat één van beide partijen, noch mr. Hoogenraad noch [persoon 4] , een onjuiste weergave geeft van het telefoongesprek en houdt het erop dat partijen elkaar niet goed hebben begrepen.

Van een concrete toezegging is in ieder geval niet gebleken, nu die stelling door [eiser] verder niet is onderbouwd.

4.7.

Dat betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Lentiz worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.434,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Lentiz tot op heden begroot op € 1.434,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2017.

2091 / 676