Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7976

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
5541965 \ CV EXPL 16-48831
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het door de gemeente gevoerde beleid met betrekking tot standplaatsen van woonwagens is niet in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling. Er is geen sprake van een onrechtmatige daad. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

zaaknummer: 5541965 \ CV EXPL 16-48831

uitspraak: 22 september 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde: mr. S.J.M. Jaasma en

2. [eiseres 2],

wonende te [plaatsnaam],

eiseres,

gemachtigde: mr. S.J.M. Jaasma,

tegen

1 de stichting

Stichting Woonbron,

gevestigd te Rotterdam,

gemachtigde: mr. F. Sepmeijer en

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Rotterdam,

zetelend te Rotterdam,

gemachtigde: mr. F. Sepmeijer,

gedaagden.

Partijen worden hierna ook aangeduid als “[eiser 1]” en “[eiseres 2]”, “Woonbron” en “de gemeente Rotterdam”.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 22 november 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 7 februari 2016 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Woonbron en de gemeente Rotterdam;

  • -

    de akte producties van eisers;

  • -

    het proces-verbaal van de op 10 april 2017 gehouden comparitie van partijen.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De gemeente Rotterdam is eigenaar van het terrein aan de [straatnaam] te Rotterdam waarop het woonwagencentrum “[naam woonwagencentrum]” (hierna: [naam woonwagencentrum]) is gesitueerd. De gemeente Rotterdam heeft dit terrein in erfpacht uitgegeven aan Woonbron. Woonbron verhuurt de woonwagenstandplaatsen op [naam woonwagencentrum].

2.2.

Eisers staan sinds 17 januari 1992 op de ‘belangstellendenlijst standplaatszoekenden’ ingeschreven. Deze lijst wordt door de gemeente Rotterdam beheerd. Eisers staan op nummer 2 en 3 van de lijst en hebben kenbaar gemaakt van de zeven woonwagencentra in Rotterdam alleen belangstelling te hebben voor een standplaats op [naam woonwagencentrum].

2.3.

Op [naam woonwagencentrum] staan momenteel vier standplaatsen leeg.

2.4.

Op grond van het woonwagenbeleid van de gemeente Rotterdam geldt voor [naam woonwagencentrum] een – tijdelijke – verhuurstop opdat het aantal standplaatsen van veertig wordt teruggebracht naar vijftien. Vijfentwintig standplaatsen zullen, nadat zij zijn vrijgekomen, om deze reden niet opnieuw worden verhuurd.

2.5.

Bij brief van 27 september 2016 hebben eisers Woonbron verzocht één van de vier leegstaande standplaatsen op [naam woonwagencentrum] aan hun te verhuren. Woonbron heeft dit verzoek bij brief van 1 november 2016 afgewezen.

2.6.

Eisers wonen op 200 meter afstand van [naam woonwagencentrum], in een reguliere woning aan de [straatnaam woning].

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen bij vonnis:

- primair Woonbron te gelasten één van de lege standplaatsen op het woonwagencentrum “[naam woonwagencentrum]”, gelegen aan de [straatnaam] te Rotterdam, aan hun te verhuren, een en ander onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat Woonbron nalatig blijft in de uitvoering van dit vonnis;

- subsidiair de gemeente Rotterdam te gelasten het ertoe te leiden dat aan eisers een huurovereenkomst voor de huur van één van de vrije standplaatsen op woonwagencentrum “[naam woonwagencentrum]”, gelegen aan de [straatnaam] te Rotterdam, zal worden verstrekt danwel aan hun één van de lege standplaatsen op [naam woonwagencentrum] ter beschikking zal worden gesteld, een en ander onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat de gemeente Rotterdam nalatig blijft in de uitvoering van dit vonnis;

met de veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

Eisers voeren aan dat gedaagden onrechtmatig handelen door hun geen standplaats op [naam woonwagencentrum] te willen verhuren danwel ter beschikking te stellen, terwijl zij (al jaren) boven aan de wachtlijst staan. [eiser 1] en [eiseres 2] zijn beiden geboren op [naam woonwagencentrum] en een groot deel van hun familie woont er. De verhuurstop op [naam woonwagencentrum] houdt in dat eisers, bij leven nimmer een kans zullen krijgen een standplaats op [naam woonwagencentrum] te huren. Gemeenten en corporaties mogen geen beleid voeren dat ertoe leidt dat de woonwagenstandplaatsen worden verminderd of volledig afgebouwd. Daar is in Rotterdam sprake van, want op [naam woonwagencentrum] alleen al wordt het aantal standplaatsen verlaagd van veertig naar vijftien zonder dat hier iets tegenover staat.

3.2.

Gedaagden hebben tot afwijzing van de vordering geconcludeerd en voeren daartoe, samengevat, het volgende aan. Woonbron verwijst naar het beleid van de gemeente Rotterdam waaraan zij zich conformeert en dat is geen beleid dat gericht is op het (naar nul) reduceren van woonwagenstandplaatsen. Woonbron kan niet gedwongen worden om een huurovereenkomst met eisers af te sluiten als zij dat niet wenst. Het is bovendien niet zo dat Woonbron eisers geen woonwagenstandplaats wil verhuren; alleen de specifieke woonwens van eisers, te weten de huur van een standplaats op [naam woonwagencentrum] wil Woonbron niet honoreren.

3.3

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd wordt hierna voor zover van belang voor de beoordeling besproken.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is de vraag of Woonbron gedwongen kan worden met eisers een huurovereenkomst af te sluiten. Eisers voeren aan dat gedaagden in strijd handelen met de Algemene Wet Gelijke Behandeling (hierna: Awgb) door hun geen standplaats op [naam woonwagencentrum] aan te bieden. Zij verwijzen naar een aantal uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens (hierna: de Commissie) waarin geoordeeld is dat gemeenten en woningcorporaties geen zogenaamd “uitsterfbeleid” mogen voeren omdat die de kern van de woonwagencultuur aantast en ertoe leidt dat huisvesting in woonwagens verdwijnt. Volgens artikel 1 en 7 van de Awgb is het verboden onderscheid te maken naar ras bij het sluiten van overeenkomsten door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van volkshuisvesting. Dit onderscheid kan direct zijn door personen van een bepaald ras anders te behandelen in een vergelijkbare situatie dan anderen, of indirect, doordat een bepaalde handelswijze personen met een bepaald ras bijzonder treft.

4.2.

In de onderhavige zaak wil Woonbron de betreffende standplaatsen op [naam woonwagencentrum] in het geheel niet verhuren dus er is in elk geval geen sprake van directe discriminatie.

4.3.

Aan de basis van het geschil tussen partijen ligt de wens van de gemeente Rotterdam om de omvang van woonwagencentra te verkleinen tot maximaal vijftien standplaatsen per centrum en ze zo beheersbaar te maken. De gemeente Rotterdam voert daarnaast aan dat, als gevolg van het afschaffen van de Woonwagenwet in 2000 “normalisering” van woonvormen wordt nagestreefd, waarbij geen rekening gehouden wordt met specifieke woonwensen. Aangezien woonwagenstandplaatsen meer kosten (meer oppervlakte in beslag nemen) dan normale sociale huurwoningen, wordt daar niet op ingezet. Niet gezegd kan worden dat dit beleid er op is gericht het wonen in woonwagens tegen te gaan. De zeven woonwagencentra in Rotterdam blijven bestaan en alleen op [naam woonwagencentrum] geldt tijdelijk een verhuurstop en hoewel het aantal woonwagenstandplaatsen bestemd voor de verhuur door de verhuurstop op [naam woonwagencentrum] afneemt is het, volgens gedaagden wel mogelijk (elders in de stad) een kavel te kopen en daarop in een woonwagen te gaan wonen. De gemeente Rotterdam gaat ervoor zorgen dat in de bestemmingsplannen het plaatsen van woonwagen niet langer op voorhand is verboden. Er is dan ook evenmin sprake van een beleid dat gericht is op het (naar nul) reduceren van woonwagenstandplaatsen.

4.4.

Het door de gemeente Rotterdam gevoerde beleid leidt er ook niet toe dat eisers niet binnen afzienbare tijd een woonwagenstandplaats in Rotterdam kunnen huren. Dit blijkt uit het feit dat zij al tweemaal een woonwagenstandplaats toegewezen hebben gekregen, laatstelijk op het woonwagencentrum op de [straatnaam woonwagencentrum 2]. Dat zij deze standplaatsen hebben geweigerd omdat de standplaatsen niet gelegen waren op [naam woonwagencentrum], waar hun familie woont, maakt niet dat het beleid van de gemeente Rotterdam onderscheidmakend is in de zin van de Awgb. Er zou van verboden onderscheid op grond van ras (indirecte discriminatie) sprake kunnen zijn, als de gemeente Rotterdam het woonwagenbewoners (op termijn) onmogelijk zou maken volgens hun cultuur te leven. Dit is niet het geval. Dat een toegewezen standplaats niet op het woonwagencentrum is gelegen waar [eiser 1] en [eiseres 2] willen wonen, heeft niets met onderscheid op grond van ras te maken. Ook voor mensen die in aanmerking willen komen voor een sociale huurwoning is het vaak niet mogelijk dicht bij hun familie te wonen. Overigens wonen eisers wél dicht bij [naam woonwagencentrum], zij het niet in een woonwagen en dat eisers ([eiser 1] is 43 jaar) nooit in aanmerking zullen komen voor een standplaats op [naam woonwagencentrum] is evenmin een gegeven.

4.5.

Tenslotte voeren eisers aan dat gedaagden een zorgplicht hebben schaarse woonruimte rechtvaardig te verdelen. Thans is sprake van lege plekken op [naam woonwagencentrum] die volgens eisers beter verhuurd kunnen worden. De zorg en plicht van een gemeente om voldoende woongelegenheid en een rechtvaardige woonverdeling te bevorderen zijn echter niet van dien aard dat daarmee een in rechte af te dwingen recht van een individuele burger op een concrete door hem gewenste woonruimte ontstaat (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 2 maart 1994, KG 1994/192). Daarbij staat de vrijheid van Woonbron al of niet te contracteren voorop. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar het beleid van de gemeente Rotterdam. Eisers hebben daartegenover geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de weigering van Woonbron een van de vrije standplaatsen op [naam woonwagencentrum] aan hen te verhuren onrechtmatig maakt.

4.6.

Gelet op het voorgaande handelen gedaagden niet onrechtmatig jegens eisers in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. Dit betekent dat de vordering wordt afgewezen.

4.7.

[eiser 1] en [eiseres 2] worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser 1] en [eiseres 2] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonbron en de gemeente Rotterdam vastgesteld op:

- € 400,- € 400,- aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien [eiser 1] en [eiseres 2] niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, begroot op:

- € 131,- € 131,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31688/600