Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7950

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
10/960140-12 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel.

De onderhavige vordering leent zich naar het oordeel van de rechtbank niet om tot toepassing van hoofdelijke aansprakelijkheid over te gaan, omdat in de strafvonnissen tegen de veroordeelde en zijn medeveroordeelde verschillende bedragen verbeurd zijn verklaard. Deze bedragen dienen bij elke veroordeelde individueel op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht, hetgeen bij een hoofdelijke veroordeling niet mogelijk is. Anders dan de officier van justitie, gaat de rechtbank daarom uit van een pondspondsgewijze verdeling van het voordeel tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde.

Overschrijding redelijke termijn.

Zie ook ECLI:NL:RBROT:2013:5895

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Datum uitspraak: 5 oktober 2017

Parketnummer: 10/960140-12 (ontneming)

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] ( [geboorteland veroordeelde] ),

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, niet bepaaldelijk gevolmachtigd.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 augustus 2017.

VORDERING

De vordering van de officier van justitie, mr. C. Nij Bijvank - zoals deze na wijziging ter terechtzitting van 24 augustus 2017 is komen te luiden - strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) wordt geschat op € 342.062,- en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 337.062,-.

Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat de veroordeelde en zijn medeveroordeelde hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de op te leggen betalingsverplichting.

De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, onder a Sr.

De vordering betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van:

  1. het strafbare feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd;

  2. andere strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat zij op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

VOORAFGAANDE VEROORDELING

Bij onder opgemeld parketnummer onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van 21 februari 2013 is de veroordeelde onder andere ter zake van medeplegen van een gewoonte maken van witwassen, gepleegd in de periode van 11 juli 2012 tot en met 1 augustus 2012, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en waarbij als bijkomende straf verbeurdverklaring van onderstaande geldbedragen is uitgesproken:

nr. 1 een bedrag van € 295,00;

nr. 2 een bedrag van 864,61;

nr. 4 een bedrag van 2.050,00;

nr. 5 een bedrag van 4.830,00;

nr. 6 een bedrag van 20.000,00;

nr. 7 een bedrag van 165,00;

nr. 8 een bedrag van 110,00 +

Totaal € 28.314,61

In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat voormeld strafbaar feit door de veroordeelde is begaan.

BEOORDELING EN BEREKENING WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Uitgangspunten

In de ontnemingsprocedure gelden andere regels van procesrecht dan in de strafprocedure. Zo is in de ontnemingsprocedure één bewijsmiddel voldoende, nu op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het in de hoofdprocedure geldende bewijsrecht niet van toepassing is. Die schatting dient weliswaar te worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, maar voor de vaststelling van het uiteindelijke bedrag geldt het aannemelijkheidsvereiste (vgl. Hoge Raad 24 april 2007, NJ 2007, 265).

Vervolgens is de vraag op welk bedrag het door de veroordeelde behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel beredeneerd kan worden geschat.

De officier van justitie heeft haar vordering gebaseerd op het ‘proces-verbaal onderzoek naar wederrechtelijk verkregen voordeel’, opgemaakt door verbalisant [code/naam verbalisant] , opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD, pasnummer [nummer] , standplaats Amsterdam, werkzaam binnen het Korps landelijke politiediensten Dienst Nationale Recherche, gedateerd 24 september 2012 (hierna ook: het proces-verbaal).

De rechtbank gaat bij haar berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, evenals de officier van justitie, uit van voormeld proces-verbaal. Dit proces-verbaal vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:BV9087, zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven en volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen uit dit proces-verbaal.

Vaststelling omzet

Uit voormeld proces-verbaal komt het volgende naar voren.

Uit het onderhavige onderzoek, genaamd Machoke, is gebleken dat de veroordeelde [naam veroordeelde] zich uitsluitend bezig hield met het omzetten van Britse Ponden naar Euro’s.

Uitgaande van de aangetroffen Hawala administratie, kan uit het hieronder weergegeven overzicht worden opgemaakt dat in de periode van 22 februari 2012 tot en met 21 juli 2012 een totaal bedrag van £ 5.797.668,25 kennelijk door middel van ondergronds bankieren via de veroordeelde [naam veroordeelde] is gepasseerd.1 Tegen de samenstelling en/of de hoogte van dit bedrag is geen verweer gevoerd.

Wisselkoers

Voor de tegenwaarde in Euro’s zal, zoals in voormeld strafvonnis is overwogen, worden uitgegaan van een wisselkoers van 1,182.

Vaststelling provisie

Uit het onderhavige onderzoek is niet gebleken welke percentages aan provisie door de veroordeelde [naam veroordeelde] en/of de medeveroordeelde [naam medeveroordeelde] werden gehanteerd voor zichzelf. Voorts heeft het (video)verhoor van de veroordeelde op 25 maart 2015 hierover geen duidelijkheid opgeleverd. Evenmin hebben de medeveroordeelde [naam medeveroordeelde] en [naam] hierover helderheid kunnen verschaffen, omdat zij niet binnen aanvaardbare termijn door de rechter-commissaris als getuigen konden worden gehoord.3

Volgens de financiële recherche is uit de praktijk gebleken dat netto provisie lastig te berekenen is, omdat de kosten vaak onzichtbaar blijven. Het is bijvoorbeeld niet nodig om over kosten te onderhandelen en dus zullen kosten niet vaak in tapgesprekken genoemd worden. Ook worden kosten meestal niet vermeld in de administratie. Daarnaast is het lastig te bepalen wat als een kostenpost gezien moet worden; loon van koeriers is voor de bankier een kostenpost, maar gezien vanuit het delict zijn het gezamenlijke opbrengsten. Het strekt dan ook tot de aanbeveling om te werken vanuit de bruto provisie en per geval te kijken naar de aftrekbare kosten, aldus de financiële recherche4.

Uit onderstaande tabel van andere onderzoeken naar Hawala bankieren is gebleken dat de gemiddelde provisie ongeveer 5% bruto bedraagt5. Daarom zal van dat percentage bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan.

Kosten

De veroordeelde en de medeveroordeelde [naam medeveroordeelde] hebben niet meegewerkt aan het inzichtelijk maken van de kosten6.

Aangezien niet met zekerheid iets over de hoogte van de kosten kan worden gezegd, zal met kosten geen rekening worden gehouden.

Pondspondsgewijze verdeling

De onderhavige vordering leent zich naar het oordeel van de rechtbank niet om tot toepassing van hoofdelijke aansprakelijkheid over te gaan, omdat in de strafvonnissen tegen de veroordeelde en zijn medeveroordeelde verschillende bedragen verbeurd zijn verklaard. Deze bedragen dienen bij elke veroordeelde individueel op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht, hetgeen bij een hoofdelijke veroordeling niet mogelijk is. Anders dan de officier van justitie, gaat de rechtbank daarom uit van een pondspondsgewijze verdeling van het voordeel tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde.

Resumé

Gezien het voorgaande, bedraagt het totaal door de veroordeelde aan wederrechtelijk verkregen voordeel:

5% van £ 5.797.668,25 = £ 289.883,41 x 1,18 = € 342.062,42 : 2 = € 171.031, 21 afgerond

€ 171.031,-.

OVERSCHRIJDING REDELIJKE TERMIJN

De rechtbank acht het, evenals de officier van justitie, wegens schending van de redelijke termijn redelijk dat een bedrag van € 5.000,- in mindering wordt gebracht op het door de veroordeelde aan de staat te betalen bedrag.

VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 171.031,00

Totaal verbeurd verklaarde bedrag 28.314,61

Korting wegens overschrijding redelijke termijn 5.000,00 -

Te betalen bedrag € 137.716,39 afgerond € 137.716,-.

Bepaald zal worden dat dit bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.

Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 171.031,- (zegge: honderdeenenzeventigduizend eenendertig euro);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 137.716,- (zegge: honderdzevenendertigduizend zevenhonderdzestien euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. B.A. Cnossen en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 het proces-verbaal, pagina 236.

2 Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, uitgesproken op 21 februari 2013, pagina 6.

3 Proces-verbaal bevindingen rechter-commissaris, gedateerd 4 juni 2015.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, nummer [proces-verbaalnummer] , gedateerd 23 mei 2013, pagina 4 en 5.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, nummer [proces-verbaalnummer] , gedateerd 23 mei 2013, pagina 4.

6 Het proces-verbaal bevindingen / aanvulling wederrechtelijk verkregen voordeel, gedateerd 6 juni 2013, pagina 2.