Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7912

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
C/10/527722 / HA RK 17-458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beperking aansprakelijkheid zeeschip. IPR. Tot welk moment kan beperking worden ingeroepen? Limieten van LLMC Protocol 1996 toepassen? Inflatiecorrectie toepassen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rekestnummer: C/10/527722 / HA RK 17-458

zakenfonds - zeeschip “Harns”

Beschikking van 6 september 2017

in de zaak van:

1. de commanditaire vennootschap

SCHEEPVAARTONDERNEMING HARNS C.V.,

gevestigd te Harlingen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoeker 2] .,

gevestigd te Harlingen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoeker 3] ,

gevestigd te Harlingen,

4. [verzoeker 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [verzoeker 5],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam.

Scheepvaartonderneming Harns C.V. wordt hierna aangeduid als Harns C.V. Verzoekers gezamenlijk worden hierna ook Harns C.V. c.s. genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verzoekschrift, met vier bijlagen, is op de rechtbank ingekomen op 24 mei 2017.

1.2.

De rechtbank heeft een datum voor de mondelinge behandeling bepaald. De griffier heeft bij brieven van 14 juni 2017 verzoekers en de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden opgeroepen voor de mondelinge behandeling.

1.3.

Namens Kidde de Mexico S.A. gevestigd te Mexico, AIG Seguros Mexico S.A. de C.V. gevestigd te Mexico, AIG Europe Ltd. gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en American Home Assurance Company gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika (hierna tezamen Kidde c.s.), is een gezamenlijk verweerschrift ingediend.

1.4.

Het verzoekschrift is ter zitting van 27 juni 2017 behandeld. De in het verzoekschrift genoemden belanghebbenden zijn ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter terechtzitting is proces-verbaal opgemaakt. In reactie op het proces-verbaal zijn (fax)brieven van 14 respectievelijk 19 juli 2017 ontvangen namens Harns C.V. c.s. respectievelijk Kidde c.s. Deze brieven bevatten opmerkingen over het proces-verbaal en zijn aan het proces-verbaal gehecht.

1.5.

Als datum van de beschikking is bepaald 6 september 2017.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

Harns C.V. c.s. verzoekt, zakelijk weergegeven:

  1. het bedrag waartoe haar aansprakelijkheid voorshands is beperkt ter zake van verlies op schade aan zaken in verband met het voorval met het zeeschip “Harns” van 12 augustus 2009 vast te stellen op 1.135.767 SDR of de tegenwaarde daarvan in euro op de dag dat Harns C.V. c.s. zal voldoen aan het door de rechtbank te geven bevel ex artikel 642 (c) Rv., te vermeerderen met de op grond van artikel 8:757 BW berekende wettelijke rente, alsmede een door de rechtbank ter bestrijding van de kosten van de procedure vast te stellen redelijk bedrag;

  2. te bevelen dat Harns C.V. c.s. voor het onder a bedoelde bedrag een deugdelijke garantie zal stellen, conform de voorgestelde concepttekst of een andere door de rechtbank te bepalen tekst;

  3. een rechter-commissaris aan te wijzen en een vereffenaar te benoemen,

en een openbare terechtzitting te bepalen voor de behandeling van dit verzoek.

2.2.

De strekking van het verweerschrift van Kidde c.s. is dat de rechtbank:

- primair Harns C.V. c.s. niet-ontvankelijk dient te verklaren in haar verzoek, althans dit verzoek dient af te wijzen, althans dient te bepalen dat aan Harns C.V. c.s. geen beroep toekomt op de globale beperking van hun aansprakelijkheid zoals verzocht; dan wel

- subsidiair - indien het Harns C.V. c.s. of één of enkele van hen wordt toegestaan haar aansprakelijkheid te beperken - beveelt dat de ten behoeve van Harns C.V. c.s. door haar P&I Club Skuld gestelde clubgarantie niet hoeft te worden geretourneerd tot er een onherroepelijk oordeel is geveld op het beperkingsverzoek; en

- Harns C.V. c.s. veroordeelt in de kosten van de beperkingsprocedure.

3 De beoordeling

3.1.

Het verzoekschrift strekt – kort gezegd – tot het vaststellen van het bedrag van een zakenfonds waartoe de aansprakelijkheid van verzoekers is beperkt op grond van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23 en Trb. 1984, 31; hierna: LLMC 1976 of: het Verdrag) en tot het bevelen dat tot een procedure ter verdeling van het te stellen beperkingsfonds zal worden overgegaan, ter zake van de schade die is ontstaan aan het zeeschip “Harns” en haar lading doordat zij op of omstreeks 12 augustus 2009 aan de grond is gelopen op de ‘Silver Bank’ nabij de Dominicaanse Republiek (hierna: het voorval).

internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

3.2.

Er is sprake van een internationale zaak omdat verzoekers en de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in verschillende landen zijn gevestigd en het voorval zich voordeed nabij de Dominicaanse Republiek. Daarom dient de rechtbank eerst te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en deze rechtbank bevoegd is en ook welk recht dient te worden toegepast. Dat partijen het eens zijn over de internationale bevoegdheid van deze rechtbank en over de toepasselijkheid van het Nederlandse recht, doet daaraan niet af.

3.3.

Verzoekers baseren hun beperkingsverzoek op het LLMC 1976.

Het LLMC 1976 is door Nederland met ingang van 1 januari 2012 opgezegd (Trb. 2011,45). Daarvoor in de plaats geldt thans het op 2 mei 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1996 tot wijziging van het Verdrag inzake de beperking van aansprakelijkheid van maritieme vorderingen, 1976 (hierna: het Protocol). Ingevolge artikel 9 lid 1 Protocol moeten het LLMC 1976 en het Protocol door de partijen bij het Protocol tezamen worden gelezen en als een enkel instrument worden uitgelegd. Het Protocol is in Nederland in werking getreden op 23 maart 2011 (Trb. 2011, 46).

Artikel 9 lid 3 Protocol bevat als overgangsregeling: “The Convention as amended by this Protocol shall apply only to claims arising out of occurrences which take place after the entry into force for each State of this Protocol.

In het onderhavige geval gaat het om een gebeurtenis van 12 augustus 2009, dus van vóór de inwerkingtreding van het Protocol, zodat het LLMC 1976 van toepassing is op het beperkingsverzoek van Harns C.V. c.s. (vgl. art. 15 lid 1 van het Verdrag: “This Convention shall apply whenever any person referred to in Article 1 seeks to limit his liability before the Court of a State Party (...)”).

Het verweer van Kidde c.s. dat desondanks de limieten van het Protocol moeten worden toegepast, komt later aan de orde.

Nu het LLMC 1976 rechtstreekse werking heeft, zal de rechtbank in beginsel het Verdrag toepassen en niet de artikelen uit het Burgerlijk Wetboek waarmee het Verdrag in het Nederlandse interne recht is geïncorporeerd.

3.4.

Kidde c.s. heeft Harns C.V. c.s. in 2011 gedagvaard voor de (internationaal bevoegde) rechtbank Leeuwarden, thans genaamd rechtbank Noord-Nederland (locatie Leeuwarden), om aldaar de aansprakelijkheid van Harns C.V. c.s. ter zake van het voorval te laten vaststellen.

Artikel 11 lid 1 LLMC 1976 (“Any person alleged to be liable may constitute a fund with the Court or other competent authority in any State Party in which legal proceedings are instituted in respect of claims subject to limitation”) verwijst Harns C.V. c.s. voor haar beperkingsverzoek dus naar de gerechten van Nederland.

Sinds 1 januari 2017 is de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 642a Rv bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van een beroep op beperking van aansprakelijkheid door de reder van een (zee)schip op grond van het met artikel 1 lid 1 LLMC 1976 overeenstemmende artikel 8:750 lid 1 BW (Wet van 22 juni 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de concentratie van scheepvaartzaken bij de rechtbank Rotterdam (Stb. 2016, 255), in werking getreden op 1 januari 2017).

Aldus is deze rechtbank binnen Nederland het relatief bevoegde gerecht om kennis te nemen van het beperkingsverzoek van Harns C.V. c.s.

Toepassing van de Brussel Ibis-Vo voert niet tot een andere conclusie (Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 12 december 2012).

Het recht tot beperking van verzoekers

3.5.

Tussen Harns C.V. c.s. en Kidde c.s. is niet in geschil dat Harns C.V. c.s. eigenaar is van het zeeschip “Harns”. Zij zijn het er ook over eens dat Harns C.V. c.s. in beginsel behoort tot de kring van beperkingsgerechtigden bedoeld in de LLMC 1976.

Ook over deze onderwerpen moet de rechtbank zich, gelet op het bijzondere karakter van het recht om de eigen aansprakelijkheid jegens eenieder te beperken, een eigen oordeel vormen.

3.6.

De rechtbank begrijpt uit de door Harns C.V. c.s. overgelegde stukken - in het bijzonder productie 1 bij haar verzoekschrift in verbinding met de ter zitting overgelegde stukken uit het kadaster - dat Harns C.V. een commanditaire vennootschap is die het zeeschip “Harns” in eigendom heeft en dit ook ten tijde van het voorval in eigendom had, en dat verzoekers 2 tot en met 5 beherend vennoten zijn van Harns C.V. Ingevolge artikel 18 en 19 WvK zijn de beherend vennoten hoofdelijk verbonden voor de schulden van de vennootschap.

Harns C.V. behoort als eigenaar van het schip tot de kring van beperkingsgerechtigden. Dit volgt uit artikel 1 lid 1 LLMC 1976, dat luidt: “Shipowners and salvors, as hereinafter defined, may limit their liability in accordance with the rules of this Convention for claims set out in Article 2.”.

De gezamenlijke beherende vennoten van Harns C.V. dienen (tezamen met Harns C.V.) als de (juridische) eigenaar van de ‘Harns’ te worden aangemerkt. Daarmee vallen ook zij binnen het begrip “shipowner” van art. 1, lid 1 en lid 2 LLMC 1976 en binnen de kring van beperkingsgerechtigde partijen.

De tijdigheid van het beperkingsverzoek

3.7.

Kidde c.s. betoogt dat het beperkingsverzoek te laat is gedaan. Kidde c.s. stelt dat het recht op beperking is verjaard, althans dat Harns C.V. c.s. haar recht op beperking heeft verwerkt, althans dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Harns C.V. c.s. haar aansprakelijkheid op grond van (de limieten van) het LLMC 1976 beperkt.

Ook beroept Kidde c.s. zich op misbruik van procesrecht en op misbruik van bevoegdheid.

Primair betoogt Kidde c.s., naar de rechtbank begrijpt, dat deze verweren onder alle omstandigheden en voor alle (mogelijke) belanghebbenden opgaan.

Subsidiair betoogt Kidde c.s. dat het in ieder geval in de relatie tussen Harns C.V. c.s. en Kidde c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onacceptabel is dat Harns C.V. c.s. zich jegens Kidde c.s. op beperking beroept.

3.8.

Bij de beoordeling van deze verweren stelt de rechtbank voorop dat in de voorfase van de beperkingsprocedure het recht op beperking in beginsel niet wordt begrensd op gronden die uitsluitend voortkomen uit de individuele rechtsverhouding tussen verzoekers en een of meer - maar niet alle (denkbare) - belanghebbenden. Behoudens in zeer evidente gevallen, waarvan in deze zaak geen sprake is, laten individuele rechtsverhoudingen zich immers in dit eerste stadium niet (voldoende) vaststellen.

Hierop strandt het subsidiaire betoog van Kidde c.s. Het staat Kidde c.s. vrij om deze verweren in een latere fase opnieuw naar voren te brengen.

3.9.

Het beroep op verjaring wordt verworpen.

Het LLMC 1976 bevat, naar ook Kidde c.s. erkent, geen bepaling waaruit volgt dat het verzoek tot beperking binnen een bepaalde termijn dient te worden gedaan.

Kidde c.s. betoogt dat uit de ontstaansgeschiedenis van het Verdrag niettemin volgt dat het beroep op beperking zo spoedig mogelijk na het voorval moet worden gedaan. Hiervoor ziet de rechtbank geen steun in de Travaux Préparatoires van het LLMC 1976 en ook niet in de parlementaire geschiedenis van de invoering in Nederland ervan. Het aannemen van zodanige termijn ten laste van de beperkingsgerechtigde lijkt voorts op gespannen voet te staan met de in het Verdrag neergelegde regel dat het beroep op beperking pas kan worden gedaan nadat hij zelf ter zake van het voorval is aangesproken. Artikel 11 lid 1 LLMC 1976 luidt immers: “Any person alleged to be liable may constitute a fund with the Court or other competent authority in any State Party in which legal proceedings are instituted in respect of claims subject to limitation.

Het Nederlandse formele procesrecht - dat zich leent voor toepassing nu artikel 14 LLMC 1976 voor alle procedureregels rondom fondsstelling verwijst naar het recht van het land waar het fonds wordt gesteld - bevat evenmin een (verjarings)termijn waarbinnen een beperkingsverzoek zou moeten worden gedaan. Dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van het LLMC 1976 onder ogen heeft gezien dat fondsstelling pas in een zeer laat stadium van de procedure fonds wordt gesteld, blijkt uit de parlementaire geschiedenis. Expliciet is in dit verband verwezen naar de (in het Verdrag nieuwe) regel dat aan het bedrag van de beperking ook rente moest worden toegevoegd om te voorkomen dat de beperkingsgerechtigde besparingen zou kunnen realiseren door veel tijd te laten verstrijken tussen het voorval en fondsstelling (MvT, TK 1986-1987, 19769 (R 1317), nr. 3, blz. 13).

In de Nederlandse praktijk wordt vaker pas vele jaren na dato een beroep op beperking gedaan en gehonoreerd (vgl. Hof Den Haag 28 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014: 2926 (‘Çlary’) en het in 2016 gehonoreerde beperkingsverzoek ter zake van het voorval uit 2000 dat aanleiding was voor o.a. HR 21 november 2014 ECLI:NL:HR:2014:3350 (KWS/Liander)).

3.10.

Kidde c.s. betoogt voorts dat uit de bewoordingen van artikel 11 lid 1 LLMC 1976 (zie r.o. 3.9) volgt dat beperking van de aansprakelijkheid alleen mogelijk is in de fase waarin de aansprakelijkheid nog niet is vastgesteld. Op het moment dat er een onherroepelijke uitspraak is, waarvan in dit geval sprake is na het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden, is Harns C.V. c.s. niet meer “alleged to be liable” maar “liable”, aldus Kidde c.s.

De rechtbank legt - met inachtneming van de in artikelen 31 en 32 van het Weens Verdragenverdrag (23 mei 1969, Trb. 1972, 51; gewijzigd 9 mei 1985, Trb. 1985, 79) daarvoor gegeven maatstaf - artikel 11 lid 1 LLMC 1976 als volgt uit.

De woorden “alleged to be liable” verduidelijken - gelet op hun normale betekenis in de context van het Verdrag, mede gelet op het doel daarvan en de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling - dat het beperkingsrecht reeds mag worden ingeroepen voordat de aansprakelijkheid (definitief) is vastgesteld.

Hoewel de woorden “alleged to be liable” buiten hun context beschouwd inderdaad naar hun gewone betekenis aanduiden dat het gaat om een beweerde, gestelde aansprakelijkheid, is dit niet doorslaggevend. Bezien in de context van artikel 11 lid 1 LLMC 1976 zelf (zie r.o. 3.9) waar het mogen inroepen van het beperkingsrecht afhankelijk wordt gesteld van het door een belanghebbende initiëren van een procedure ter zake van de betreffende aansprakelijkheid, hebben de opstellers van het Verdrag geen twijfel willen laten bestaan over de vraag of het beroep op beperking eerder kan worden gedaan dan wanneer het geadieerde gerecht de aansprakelijkheid heeft vastgesteld.

Dit volgt ook uit The Travaux Préparatoires of the LLMC Convention, 1976 and of the Protocol of 1996 (www.comitemaritime.org/--/TravauxPreparatoires; hierna: TP).

Op blz. 298 – 300 TP wordt de totstandkoming van de huidige tekst van art. 11 lid 1 LLMC 1976 behandeld. In het aanvankelijke ontwerp stond “Any person liable”, respectievelijk “Toute personne responsable” (TP blz. 298). De Franse delegatie heeft voorgesteld om dat te veranderen in “Toute personne dont la responsabilité peut être mise en cause”, met als redengeving dat iemand pas “responsable” kan zijn wanneer dat door een gerecht is vastgesteld en dat tot dat moment iemand slechts “susceptible d’être responsable” is (TP blz. 299). Hoewel Lord Diplock van de Britse delegatie betoogde dat de Engelse tekst “any person liable” op hetzelfde neerkwam als het Franse voorstel is op de conferentie van 18 november 1976 het Franse wijzigingsvoorstel ter verduidelijking aangenomen. Het betoog dat uit de bewoordingen “any person alleged to be liable” blijkt dat de opstellers van de LLMC 1976 bedoeld hebben slechts een mogelijkheid tot beperking te bieden zo lang de aansprakelijkheid nog niet vast staat, gaat dus niet op. Dat de opstellers van het Verdrag hebben beoogd dat het beperkingsrecht is ‘uitgewerkt’ zodra de aansprakelijkheid bij gerechtelijke uitspraak (definitief) is vastgesteld, valt uit de TP niet af te leiden, nog daargelaten dat in ieder geval in Nederland niet de in de TP verwoorde Franse visie wordt gedeeld dat de aansprakelijkheid pas bestaat nadat deze is vastgesteld.

Uitleg van artikel 11 lid 1 het LLMC 1976 voert dus tot de conclusie dat dit artikel niet inhoudt dat slechts totdat aansprakelijkheid definitief is vastgesteld een beroep op beperking van aansprakelijkheid kan worden gedaan.

Dat in sommige verdragslanden wel, en in andere niet, het recht op beperking moet worden ingeroepen als verweermiddel binnen de procedure omtrent aansprakelijkheid, leidt niet tot een ander oordeel.

Het door Kidde c.s. gevoerde beroep op rechtsverwerking wegens te late inroeping van het beperkingsrecht wordt op deze gronden verworpen.

3.11.

Voor zover het beroep op misbruik van bevoegdheid en op misbruik van procesrecht stoelt op andere gronden dan de hierboven reeds verworpene, falen deze weren omdat onvoldoende is onderbouwd dat en waarom het aan Harns C.V. c.s. verweten lange wachten jegens alle mogelijke belanghebbenden misbruik van bevoegdheid dan wel misbruik van procesrecht zou opleveren, zoals primair betoogd. De rechtbank laat in het midden of voor deze verweren bij toepassing van een rechtstreeks werkend verdrag überhaupt ruimte bestaat.

Het beroep op de toepassing van hogere limieten

3.12.

Vervolgens komt aan de orde het standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is - niet alleen jegens Kidde c.s. maar jegens eenieder (zie r.o. 3.7) - dat Harns C.V. c.s. haar aansprakelijkheid op grond van (de limieten van) het LLMC 1976 beperkt.

Kidde c.s. bepleit dat de rechtbank niet de in de LLMC 1976 neergelegde limieten zou moeten toepassen, maar de hogere limiet van het Protocol uit 1996. Zij voert hiertoe aan dat

Nederland het Protocol al op 29 september 1997 had ondertekend maar ten tijde van het voorval in augustus 2009 nog altijd niet tot implementatie was overgegaan, terwijl in 2009 ook de Protocol-limieten uit 1996 al als te laag werden beschouwd, hetgeen in 2012 tot een verhoging leidde. Toepassing van deze limieten zou derhalve tot een onacceptabele uitkomst leiden, aldus Kidde c.s. Voorts acht Kidde c.s. de LLMC 1976 limieten te laag omdat enige inflatiecorrectie bij het vaststellen van het limitatiebedrag ontbreekt.

3.13.

Zoals reeds in r.o. 3.3 is vastgesteld, valt het voorval buiten het temporeel toepassingsbereik van het Protocol.

De rechtbank ziet geen ruimte om op grond van - aan het Nederlandse interne recht ontleende - overwegingen van redelijkheid en billijkheid het rechtstreeks werkende Verdrag wat de limieten betreft buiten toepassing te laten en in plaats daarvan de limieten van het Protocol toe te passen.

Ten eerste zou een dergelijke beslissing afbreuk doen aan de door het Verdrag beoogde bescherming van de belangen van scheepseigenaren en aan de rechtszekerheid. Harns C.V. c.s. heeft immers, zoals zij heeft betoogd, haar gedragslijn na het voorval afgestemd en mogen afstemmen op de mogelijkheid van beperking van aansprakelijkheid zoals deze voortvloeide uit het terstond na het voorval toepasselijke recht.

Ten tweede zou een dergelijke beslissing afbreuk doen aan de rechtsgelijkheid, nu deze zou meebrengen dat er voor dit voorval uit 2009 andere maatstaven worden gehanteerd dan er in Nederland voor andere voorvallen sedertdien tot aan de inwerkingtreding van het Protocol zijn gehanteerd (vgl. onder oud recht HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0529 (‘Sylt’)).

Ten derde voorziet het Nederlandse interne recht niet in het op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing laten van regels die tussen schuldeiser en schuldenaar gelden krachtens verdrag. Artikel 6:2 BW verwijst in dit verband uitsluitend naar regels die gelden krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling.

Het verzoek om voor inflatie te corrigeren faalt op gelijke gronden. De verwijzing naar Hof Den Haag 30 augustus 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2510 in de zaak omtrent de ‘Mathilda’ faalt, reeds omdat het daar niet ging om het buiten toepassing laten van een rechtstreeks werkende verdragsrechtelijke maar een (binnenlandse) wettelijke regel.

Fondsvorming

3.14.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van Harns C.V. c.s. om haar aansprakelijkheid te mogen beperken zal worden toegewezen.

3.15.

De bruto tonnage van het zeeschip “Harns” bedraagt volgens de door Harns C.V. c.s. overgelegde meetbrief 6301 ton. Het bedrag voor vorderingen waarvoor beperking wordt verzocht op grond van de artikelen 642a Rv en 1 lid 1 LLMC 1976, te weten het zakenfonds, beloopt conform de artikelen 6 en 8 LLMC 1976 derhalve 1.135.767 rekeneenheden. Deze rekeneenheid is het bijzondere trekkingsrecht (SDR), zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds, naar de koers van de dag van het stellen van het fonds om te rekenen in euro’s, volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.

3.16.

De rechtbank zal Harns C.V. c.s. bevelen tot dit bedrag, vermeerderd met rente en een bedrag ter bestrijding van de kosten van de procedure, fonds te stellen op de hierna te vermelden wijze. Het te hanteren rentetarief zal zijn dat van de Nederlandse wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, nu deze rente samenhangt met de door Nederlands procesrecht beheerste fondsstelling en los staat van de rente die mogelijk is verschuldigd over eventueel ten laste van het fonds in te dienen vorderingen van belanghebbenden.

3.17.

Kidde c.s. heeft bezwaar geuit tegen de door Harns C.V. c.s. voorgestelde concept-garantietekst en aangedrongen op het gebruik van het daartoe ontwikkelde standaardgarantieformulier, het Rotterdam Guarantee Form Limitation 2017. De rechtbank heeft partijen na de mondelinge behandeling gelegenheid geboden om overeenstemming te bereiken over een te hanteren garantietekst. Blijkens de na de zitting ontvangen brieven is die overeenstemming niet bereikt. Bij die stand van zaken beslist de rechtbank conform artikel 642c Rv welke garantietekst dient te worden gehanteerd. Harns C.V. c.s. dient zekerheid te stellen door het stellen van een garantie conform het Rotterdam Guarantee Form Limitation 2017, omdat dit formulier specifiek is opgesteld voor beperkingsprocedures als de onderhavige en daarin, meer dan het door Harns C.V. c.s. voorgestelde formulier, rekening is gehouden met de bijzonderheden van deze procedure.

3.18.

De rechtbank zal een rechter-commissaris aanwijzen en een vereffenaar benoemen.

3.19.

Ingevolge artikel 642c lid 5 Rv is deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beslissing

De rechtbank,

4.1.

bepaalt het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van Harns C.V. c.s. ter zake van vorderingen als bedoeld in artikel 2 onder a, b, c en f LLMC 1976 niet zijnde vorderingen betreffende dood of letsel (zakenfonds), in verband met het in r.o. 3.1 bedoelde voorval voorshands is beperkt op SDR 1.135.767, om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 13 augustus 2009 tot en met de dag van het stellen van het fonds;

4.2.

beveelt Harns C.V. uiterlijk op 6 oktober 2017 fonds te stellen tot de in 4.1 bedoelde bedragen aan hoofdsom en rente, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over die hoofdsom en rente vanaf de dag volgende op de dag van het stellen van de garantie tot de dag van de daadwerkelijke en volledige betaling onder de garantie, alsmede te vermeerderen met € 6.500,- (zesduizend vijfhonderd euro) ter bestrijding van de kosten van de procedure, en wel door afgifte aan de rechtbank van een genoegzame garantiebrief van een genoegzame bank of verzekeraar ten belope van deze hoofdsom en renten en kosten conform het Rotterdam Guarantee Form Limitation 2017;

4.3.

wijst aan als rechter-commissaris ter vaststelling van de staat van verdeling van het fonds mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan;

4.4.

benoemt tot vereffenaar van het fonds de heer mr. [vereffenaar]

Deze beschikking is gegeven door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan, mr. P.C. Santema en mr. W.P. Sprenger op 6 september 2017.

1885/1928/32