Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7908

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
6239720 VZ VERZ 17-21394
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 7:686a lid 4 sub a BW. Psychische problemen onvoldoende voor oordeel dat beroep op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zeker nu de medische stukken enkel zijn overgelegd aan kantonrechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5668
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6239720 VZ VERZ 17-21394

uitspraak: 19 oktober 2017

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

gemachtigde: mr. R. Grijpstra,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Media Markt Alexandrium B.V.,

verweerster,

gevestigd te Rotterdam,

gemachtigde: mr. R. Simons.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk “[verzoeker]” en “Media Markt”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen ter griffie op 14 augustus 2017;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de brief van de gemachtigde van [verzoeker] van 28 september 2017;

  • -

    de brief/akte van de gemachtigde van [verzoeker] van 2 oktober 2017, met producties

  • -

    de brief van de gemachtigde van Media Markt van 3 oktober 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017.

[verzoeker] is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens Media Markt zijn verschenen [N.] en [H.], bijgestaan door de gemachtigde van Media Markt. Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten (nader) toegelicht. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

1.3

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

[verzoeker] is op 5 januari 2015 bij Media Markt in dienst getreden in de functie van magazijnmedewerker tegen een uurloon van € 4,13 bruto, te vermeerderen met vakantiegeld.

2.2

[verzoeker] heeft op 23 september 2016 een schriftelijke waarschuwing gekregen wegens het zonder bericht niet op werk verschijnen. Op 4 november 2016 heeft Media Markt [verzoeker] per 1 november 2016 op staande voet ontslagen wegens ongeoorloofd verzuim/ werkweigering.

3 Het geschil

3.1

[verzoeker] verzoekt het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen, nu geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag. [verzoeker] is per 1 augustus 2016 arbeidsongeschikt, en heeft om die reden niet kunnen reageren op berichten van Media Markt om te komen werken.

3.2

[verzoeker] verzoekt daarnaast wedertewerkstelling indien en voor zover hij hersteld zal zijn van zijn arbeidsongeschiktheid, op straffe van een dwangsom, de veroordeling van Media Markt tot het (door)betalen van het salaris van [verzoeker] vanaf 1 augustus 2016, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en onder gelijktijdige verstrekking van deugdelijke bruto-nettospecificaties.

3.3

Op het verweer van Media Markt zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Allereerst dient beoordeeld te worden of [verzoeker] in zijn verzoek kan worden ontvangen, gelet op de in artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW genoemde vervaltermijn van twee maanden na de dag waarop de waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. [verzoeker] is per 1 november 2016 op staande voet ontslagen en het verzoek is ontvangen op 14 augustus 2017, derhalve ruim na het verstrijken van genoemde vervaltermijn.

4.2

[verzoeker] heeft aangevoerd dat het toepassen van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [verzoeker] heeft in dit verband gesteld dat hij ten tijde van het ontslag op staande voet is uitgevallen vanwege ernstige psychische klachten, als gevolg waarvan hij niet in staat was om adequaat te reageren op het gegeven ontslag op staande voet.

4.3

De kantonrechter stelt voorop dat het laten verstrijken van de in deze zaak geldende vervaltermijn in het beginsel fataal moet worden geacht. Dat betekent niet dat een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 per definitie en in alle gevallen kansloos is, maar de rechter dient grote terughoudendheid te betrachten bij de honorering van een dergelijk beroep. In dit geval heeft [verzoeker] in overwegende mate gewezen op de arbeidsongeschiktheid als gevolg waarvan hij niet in staat was om de gevolgen van het ontslag op staande voet, alsmede de mogelijkheden om daartegen in beroep te komen, te overzien. Ter onderbouwing van dit standpunt doet [verzoeker] een beroep op stukken die hij uitsluitend aan de kantonrechter heeft doen toekomen en niet aan de wederpartij (productie 8 en 9, aanvullende akte), vanwege de medische aard van de stukken. Nu Media Markt niet in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van de inhoud van de stukken en zich daarover ook niet heeft kunnen uitlaten, kan de kantonrechter niet anders dan de stukken qua inhoud buiten beschouwing te laten. Hetgeen ter zitting met betrekking tot de medische toestand van [verzoeker] ter sprake is gekomen, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende concreet om te kunnen concluderen dat [verzoeker] niet in staat is geweest om tijdig een verzoek tot vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet in te dienen. Met name ontbreekt in dit verband concrete informatie over de medische toestand van [verzoeker] in de twee maanden volgend op het ontslag op staande voet. Dat [verzoeker] in de periode daaraan voorafgaand opgenomen is geweest op de afdeling Psychiatrie van het Erasmus MC en dat het op dit moment erg slecht ging met [verzoeker], zoals [verzoeker] ter zitting heeft gesteld, zegt niets over de (on)mogelijkheid om in november en december 2016 te reageren op het ontslag op staande voet. Daarbij is tevens van belang hetgeen de maatschappelijk werkster van GGZ Centraal, mevrouw [K.], heeft opgemerkt in haar rapportage d.d. 9 augustus 2017:

“Vandaag cliënt gesproken n.a.v. afspraak juridisch loket. Client heeft een toevoeging gekregen voor advocaat arbeidsrechten. Client is vorig jaar onterecht ontslagen bij Media Markt. Hij was destijds ziek maar heeft dit tijdens zijn opname niet bij VU Rotterdam gemeld. Ik heb hem daarom met terugwerkende kracht ziek gemeld per 1 augustus 2017. In deze periode had cliënt in ernstige mate last van psychische klachten wat ook geleid heeft tot opname bij VU in Rotterdam.

Client heeft morgen afspraak met advocaat. Aangezien er geen behandelplan was heb ik de samenvatting en diagnose meegegeven. Zijn advocaat vroeg om brief van psychiater dit moet volgens mij voldoende zijn. Daarnaast heb ik hem ook voor 1e jaars beoordeling door UWV laten keuren. Hij is officieel door UWV vanaf 01-08-2017 arbeidsongeschikt verklaard. Maar Media Markt geeft aan dat hij terecht is ontslagen omdat hij nooit iets heeft gemeld. Cliënt geeft aan dat hij niet beter wist dat ontslag terecht was en heeft nooit geweten dat hij dit kon aanvechten. Om die reden is ook een uitkering van de gemeente [plaatsnaam] niet aangevraagd omdat ziektewet een voorliggende voorziening is.

4.4

De overige aangevoerde omstandigheden, te weten dat Media Markt eigenrisicodrager is, Media Markt niet méér gedaan heeft om [verzoeker] op te sporen toen hij niet op werk verscheen, Media Markt niet heeft meegewerkt aan het met terugwerkende kracht ziekmelden van [verzoeker] en Media Markt had kunnen kiezen voor een ontbindingsprocedure in plaats van een ontslag op staande voet, kunnen naar het oordeel van de kantonrechter niet leiden tot en ander oordeel.

4.5

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter onvoldoende aanleiding ziet om te concluderen dat het beroep van Media Markt op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat betekent dat [verzoeker] vanwege het overschrijden van die vervaltermijn niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek.

4.6

De kantonrechter zal, gelet op de aard van de procedure en het feit dat aan de inhoudelijke behandeling van de zaak niet is toegekomen, de kosten van de procedure compenseren in die zin dat partijen ieder de eigen kosten zullen dragen.

5 De beslissing

de kantonrechter:

  • -

    verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

  • -

    compenseert de kosten van de procedure in die zin dat elke partij de eigen kosten zal dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31945