Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7832

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
C/10/503497 / HA ZA 16-567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil over dennenbomen en leilindes, artikelen 5:42 en 5:49 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/503497 / HA ZA 16-567

Vonnis van 11 oktober 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. M. Moszkowicz jr. te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.C. Brökling te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 mei 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de oproepbrief van 17 augustus 2016, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    een brief van 20 oktober 2016 van mr. M. Moszkowicz jr., met producties 6 tot en met 14h;

  • -

    een B8-formulier van mr. J.C. Brökling van 21 oktober 2016, met een relaas van bevindingen van het Kadaster;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 november 2016;

  • -

    de brief van 15 november 2016 van mr. M. Moszkowicz jr. met daarin opmerkingen over het proces-verbaal;

  • -

    de akte uitlating voortprocederen van mr. M. Moszkowicz jr.

1.2.

Na de comparitie van partijen is de zaak aangehouden omdat partijen ter terechtzitting hebben afgesproken om onder begeleiding van een mediator naar een oplossing te zoeken. Partijen hebben verzocht de zaak weer op de rol te doen plaatsen omdat de mediation zonder positief resultaat is geëindigd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar. [eiser] woont op het adres [adres eiser] . [gedaagde] woont in de naastgelegen woning aan de [adres gedaagde] .

2.2.

Nabij de erfgrens tussen beide percelen bevinden zich op het perceel van [gedaagde] een zevental dennenbomen (aan de achterzijde van de woningen) alsmede een haag van leilinden (aan de voorzijde, nabij de openbare weg).

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] :

te veroordelen tot algehele verwijdering, met stronk en wortels, van de ten processe bedoelde aanplant staande op gedaagdes perceel aan de [adres gedaagde] ZH (gem. Goeree-Overflakkee) langs de grens met het perceel van eiser aan de [adres eiser] ZH (gem. Goeree-Overflakkee), te weten 7 dennenbomen en een leilindenhaag, binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen’,

vermeerderd met proceskosten en nakosten.

3.2.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en in de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De vordering

4.1.

[eiser] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat het planten van zeven dennenbomen en een leilindenhaag in strijd is met artikel 5:42 BW. [eiser] ondervindt onduldbare hinder van vorenbedoelde bomenrijen. De leilinden veroorzaken door hun omvang en hun plaatsing nabij de erfgrens in buitensporige mate bladval. Tevens dreigt door de doorschietende wortelgroei van de dennenbomen op het perceel van [eiser] schade te ontstaan. Voorts is er sprake van beperking van lichtinval in de woning van [eiser] .

5 Het verweer

5.1.

Volgens [gedaagde] heeft [eiser] geen recht om verwijdering van de beplantingen te verlangen omdat de dennenbomen niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven. Voorts heeft hij betoogd dat [gedaagde] ongeveer tien jaar geleden instemming heeft gegeven voor de plaatsing van de leilindes. Tot slot is [gedaagde] van mening dat [eiser] met de thans ingestelde vorderingen misbruik van bevoegdheid maakt in de zin van artikel 3:13 BW, nu de leilindes al meer dan tien jaar geleden zijn geplant en [eiser] van de beplantingen gelet op de ruim opgezette tuinen geen last heeft. [gedaagde] betwist dat er sprake is van hinder.

6 De beoordeling

6.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de beplantingen (dennenbomen en leilindes) bomen zijn als bedoeld in artikel 5:42 BW. Ingevolge artikel 5:42 lid 1 en lid 2 BW is het niet geoorloofd om binnen twee meter afstand van de grenslijn van eens anders erf bomen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is. Op grond van een verordening of plaatselijke gewoonte kan een kleinere afstand als voornoemd zijn toegelaten. De rechtbank stelt vast dat, nu gesteld noch gebleken is dat ingevolge een plaatselijke verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten, het op grond van artikel 5:42 BW in beginsel niet is toegestaan bomen te plaatsen binnen twee meter vanaf de erfgrens.

Dennenbomen

6.2.

Door [gedaagde] is niet betwist dat de dennenbomen binnen een afstand van twee meter van de erfgrens staan, doch [gedaagde] heeft aangevoerd dat de dennenbomen niet hoger dan de scheidsmuur reiken. Nu als onbetwist vaststaat dat de dennenbomen binnen twee meter van de erfgrens zijn gepland, heeft [eiser] in beginsel op grond van artikel 5:42 BW de bevoegdheid om opheffing te vorderen van de onrechtmatige toestand. Echter, ingevolge artikel 5:42 lid 3 in samenhang met 5:49 BW kan – in dit geval – [eiser] zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van dennenbomen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven en niet hoger zijn dan twee meter.

6.3.

De overige verweren die [gedaagde] ten aanzien van de dennenbomen naar voren heeft gebracht, falen. Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de dennenbomen onrechtmatige hinder veroorzaken, overweegt de rechtbank dat dit verweer niet tot een ander oordeel kan leiden. Het zonder toestemming hebben van een boom binnen de grens van twee meter maakt reeds dat de toestand onrechtmatig is en dat om verwijdering op grond van artikel 5:42 BW kan worden verzocht. Niet onderbouwd hoeft te worden dat en op welke wijze de aanwezigheid van een boom of bomen binnen twee meter van de erfgrens onrechtmatige hinder wordt veroorzaakt.

6.4.

Ook het verweer dat [eiser] misbruik van recht maakt, wordt verworpen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] zijn bevoegdheid uitsluitend gebruikt om [gedaagde] te schaden, of heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het hem is verleend.

6.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de (gedeelten van de) dennenbomen die uitsteken boven de schutting, dient te verwijderen. De rechtbank zal aan de vordering van [eiser] om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, met dien verstande dat zij aanleiding ziet de te verbeuren dwangsom te maximeren alsmede de termijn te verlengen naar vier weken.

Leilindes

6.6.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] toestemming heeft gegeven voor het planten van de leilindes. Zo’n tien jaar geleden, op het moment dat [gedaagde] de leilindes aan het planten was, heeft hij aan zijn buurman gevraagd of hij kon instemmen met de plaats. Feitelijk is dit gegaan door de leilindes vast te houden op een bepaalde plaats op de grond, waarna [gedaagde] aan de op dat moment toekijkende [eiser] vroeg of de plaats zo goed was. [gedaagde] verwijst naar een door hem overgelegd uittreksel van de vergadering van de commissie bezwaarschriften van 31 maart 2010, waarin staat vermeld dat [eiser] bevestigt dat ‘zijn buurman hem toestemming heeft gevraagd voor een afstand van 1,5 meter; niet voor 0,5 meter’. Ter comparitie heeft [eiser] erkend dat hij aanwezig was bij het plaatsen van de palen waaraan de leilindes zijn bevestigd. Hij heeft verklaard dat hij erop heeft vertrouwd dat [gedaagde] de palen ook daadwerkelijk op die afstand zou plaatsen. Echter, [gedaagde] heeft de palen, in afwezigheid van [eiser] , verplaatst en dichterbij de schutting geplaatst. Voorts heeft [eiser] verklaard dat hij over de passage in voormeld uittreksel heen heeft gelezen.

6.7.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat er sprake is geweest van overleg en instemming over te plaatsen leilindes. [eiser] heeft echter gesteld dat [gedaagde] – nadat de plaats was bepaald – achteraf zonder nader overleg de locatie heeft gewijzigd. [gedaagde] heeft echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit, indien bewezen, volgt dat [gedaagde] op een later – niet nader onderbouwd – tijdstip alsnog de locatie heeft gewijzigd. De rechtbank weegt daarbij mee hetgeen in het uittreksel van de vergadering staat vermeld alsmede het tijdsverloop waarbinnen [eiser] hierover had kunnen ageren. Om die reden komt de rechtbank aan het opdragen van bewijs niet toe.

6.8.

Vorenstaande toestemming leidt ertoe dat de leilindes niet behoeven te worden verwijderd. Aan de behandeling van de overige verweren komt de rechtbank niet toe, nu deze niet tot een ander oordeel zullen leiden.

6.9.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

7 De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis over te gaan om de op het perceel [adres gedaagde] binnen twee meter van de erfgrens met het perceel [adres eiser] bevindende dennenbomen gedeeltelijk te verwijderen, namelijk voor zover deze gedeelten uitkomen boven de zich tussen beide percelen bevindende schutting;

veroordeelt [gedaagde] voorts tot betaling van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met de voldoening van dit vonnis, tot een maximum van € 20.000,--;

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.2053/2221