Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7830

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
C/10/415678/ FT EA 13/41
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen uitdelingslijst. Gedeeltelijk ongegrond. Betaling voor dat deel aan de consignatiekas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

verzet tegen uitdelingslijst

Insolventienummer: [nummer]

Datum uitspraak: 7 september 2017

BESCHIKKING

op het verzetschrift ex artikel 184 Fw van:

de stichting

[naam 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

opposante,

advocaat mr. Chr. Groenewoud,

(hierna: [naam 1] )

in het faillissement van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 2]

[adres]

gefailleerde,

curator: mr. S.K. Setz.

1 De procedure

De door de rechter-commissaris goedgekeurde slotuitdelingslijst in het faillissement van [naam 2] (hierna [naam 2] of gefailleerde) heeft met ingang van
3 juli 2017 gedurende 10 dagen ter griffie van deze rechtbank ter inzage gelegen.

Opposante is, bij het op 11 juli 2017 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift, in verzet gekomen tegen de nedergelegde slotuitdelingslijst en heeft verzocht deze te wijzigen, in die zin dat [naam 1] als rechthebbende wordt opgenomen voor de volledige geverifieerde vorderingen met de nummers 5,12 en 13 ad € 13.416,45,

€ 28.142,24 en € 578.874,00 en de hierbij behorende uitkering respectievelijk € 4.274,44,

€ 8.966,03 en € 184.427,54.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van prof. mr. H. Loonstein, namens [naam 3] , handelend onder de naam [naam 4] , d.d. 26 en 27 juli 2017, alsmede van de reactie van de curator van 26 juli 2017.

De rechter-commissaris heeft op 24 juli 2017 een schriftelijk rapport uitgebracht.

De behandeling van het verzet heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van

27 juli 2017. Ter zitting zijn verschenen en gehoord:

  • -

    de heer mr. R.R.M. van den Heuvel, namens [naam 1] ;

  • -

    de heer [naam 5] , namens [naam 1] ;

  • -

    de heer [naam 6] , namens [naam 1] ;

  • -

    prof. mr. H. Loonstein, namens [naam 3] handelend onder de naam [naam 4] (hierna: [naam 4] );

  • -

    de heer [naam 8] ;

  • -

    de heer mr. S.K. Setz, curator.

De uitspraak is bepaald op 7 september 2017.

2 De standpunten

[naam 1]

Mr. Groenewoud heeft in zijn bezwaarschrift namens [naam 1] met betrekking tot de vorderingen met nummers 5 en 12 op de slotuitdelingslijst gesteld dat de curator de verkeerde tenaamstelling heeft gebruikt en dat met betrekking tot de vordering met nummer 13 op de slotuitdelingslijst [naam 1] ten onrechte niet als schuldeiser c.q. rechthebbende op de geverifieerde vordering respectievelijk de uitkering daarop is opgenomen. Het entameren van een verzet procedure ex artikel 184 Fw is dan ook de geëigende route om de uitkering aan [naam 1] alsnog veilig te stellen.

Bij akten van cessie van 6 februari 2017 en 28 april 2017 heeft [naam 1] vorderingen van [naam 9] op gefailleerde overgenomen. Van deze cessies is mededeling gedaan aan de curator. De curator heeft echter [naam 10] als schuldeiser en uitkeringsgerechtigde opgenomen. Dit is niet juist. Dat moet opposante zijn. Opposante vraagt daarom om de slotuitdelingslijst aan te passen, in die zin dat bij de betreffende vorderingen 5 en 12, opposante komt te staan in plaats van [naam 10]

Met betrekking tot de vordering met nummer 13 op de slotuitdelingslijst heeft de curator ten onrechte [naam 1] niet als schuldeiser opgenomen. Op 22 januari 2013 is namens [naam 11] (hierna: [naam 11] ) de vordering ter verificatie bij de curator ingediend. Op 3 januari 2017 is in het faillissement een pro forma verificatievergadering gehouden, waarbij de voorlopig erkende schuldvorderingen zijn overgebracht naar de lijst van erkende schuldeisers. Op 27 februari 2017, derhalve na de verificatievergadering, heeft [naam 1] de (geverifieerde) vordering van [naam 11] van € 578.874,- middels cessie overgenomen. [naam 1] heeft van deze cessie mededeling gedaan aan de curator, waarvan [naam 1] op 2 maart 2017 een bevestiging heeft ontvangen. In de slotuitdelingslijst staat derhalve [naam 1] ten onrechte niet opgenomen als uitkeringsgerechtigde maar [naam 11] . De curator heeft [naam 1] laten weten dat hij niet weet aan wie hij bevrijdend kan uitkeren omdat bij brief van 22 januari 2013 de vordering namens [naam 11] door [naam 4] is ingediend. In deze brief is melding gemaakt van een uitkering door de Chinese Verzekeringsmaatschappij. Om die reden heeft hij [naam 11] als geverifieerde schuldeiser op de uitdelingslijst laten staan.

[naam 1] stelt dat de mededeling van [naam 4] over het mogelijke bestaan van verzekeringsdekking door een Chinese verzekeringsmaatschappij volledig buiten beschouwing moet worden gelaten. De vordering is immers door [naam 11] ingediend.

Indien een Chinese verzekeringsmaatschappij op dat moment eigenaar van de vordering was, dan had [naam 4] de vordering namens die Chinese verzekeringsmaatschappij moeten indienen. Indien de Chinese verzekeringsmaatschappij na de verificatievergadering eigenaar van de vordering was geworden, dan had het op de weg van de verzekeringsmaatschappij (of op de weg van [naam 4] namens die verzekeringsmaatschappij) gelegen om daarvan opgaaf te doen en daarvan bewijs aan te leveren.

[naam 1] stelt dan ook eigenaar te zijn van de vordering en stelt dat de curator dan ook slechts bevoegd is om bevrijdend aan [naam 1] te betalen.

Mr. Van den Heuvel heeft ter terechtzitting de standpunten van opposante gehandhaafd en voorts verklaard dat het onderhavig bezwaarschrift een teken is van indiening van de vordering te verificatie. Verificatie van die vordering is volgens mr. Van den Heuvewl evenwel niet nodig omdat de vordering is overgenomen.

Curator

Ten aanzien van de vorderingen 5 en 12 op de slotuitdelingslijst heeft de curator bericht dat hij abusievelijk [naam 10] op de slotuitdelingslijst heeft opgenomen omdat de mededeling van de cessie namens [naam 1] is gedaan vanuit [naam 10] waarbij ook gecorrespondeerd is op briefpapier en vanuit een e-mailadres dat verwees naar [naam 10] De cessies zijn ook door de oorspronkelijke schuldeisers aan de curator bevestigd. De curator heeft geen bezwaar tegen het aanpassen van de slotuitdelingslijst in die zin dat opgenomen wordt dat deze vorderingen toekomen aan opposante.

Met betrekking tot de vordering met nummer 13 op de slotuitdelingslijst heeft de curator bericht dat [naam 4] , een vordering heeft ingediend namens [naam 11] . In deze brief is melding gemaakt van betrokkenheid van een Chinese kredietverzekeringsmaatschappij. [naam 4] heeft niet om plaatsingakkoord van de vordering namens de Chinese verzekeringsmaatschappij verzocht, aldus de curator. Op het moment dat de curator de gemelde cessie door [naam 1] wilde verifiëren bij de indiener van de vordering, [naam 4] , ontstond er onduidelijkheid. [naam 4] stelt namelijk dat de vordering die door haar is ingediend met het verzoek deze te plaatsen op naam van [naam 11] feitelijk zou zijn ingediend door de Chinese Kredietverzekeringsmaatschappij, [naam 12] . Dit is een verzekeringsmaatschappij, voor zover de curator kan beoordelen, naar het recht van Hongkong. Nadien heeft [naam 4] telefonisch aan de curator bericht dat zij de vordering wel namens [naam 11] heeft ingediend, maar dat [naam 12] als kredietverzekeringsmaatschappij in de rechten van [naam 11] is getreden. Gelet op de impasse tussen [naam 1] en [naam 4] is het voor de curator onduidelijk aan wie de uitkering op basis van de slotuitdelingslijst toekomt. De curator beschouwt dit als een kwestie tussen [naam 1] en [naam 4] en in het verlengde daarvan tussen [naam 11] en [naam 12] .

Rechter-commissaris

De rechter-commissaris heeft de rechtbank geadviseerd dat zij, nu de curator heeft bericht dat er inderdaad sprake is van een verkeerde tenaamstelling voor wat betreft de vorderingen [naam 10] ad € 13.416,45 en [naam 10] ad € 28.142,24, geen bezwaar heeft tegen het aanpassen van de slotuitdelingslijst in die zin dat opgenomen wordt dat deze twee vorderingen toekomen aan [naam 1] .

Met betrekking tot de vordering van [naam 11] ad € 578.874,00 heeft de rechter-commissaris de rechtbank geadviseerd deze, indien sprake is van een rechtsgeldige overdracht van de vordering, aan [naam 1] toe te kennen en de uitdelingslijst overeenkomstig te wijzigen. Bij gebreke aan duidelijkheid over de overdracht van de vordering is de curator naar het oordeel van de rechter-commissaris gehouden aan de geverifieerde schuldeiser uitkering te doen.

[naam 4] / [naam 12]

Mr. Loonstein heeft ter terechtzitting aangegeven formeel namens [naam 4] en [naam 12] , die in de rechten is getreden van [naam 11] te zijn verschenen en materieel namens [naam 11]

Mr. Loonstein stelt zich op het standpunt dat opposante niet ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien artikel 184 Fw niet bedoeld is om een geschil tussen partijen te beslechten of er sprake is van cessie dan wel subrogatie. Verder voert mr. Loonstein aan dat de wet slechts vraagt om een omschrijving van de vordering en dat indien [naam 12] zich eerder had gemeld dat [naam 12] op de slotuitdelingslijst had gestaan. Mr. Loonstein is ten slotte van mening dat partijen het geschil buiten de faillissementsrechter dienen te beslechten zodat de curator het faillissement kan afwikkelen.

3 De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend.

Schuldeisers hebben op grond van de artikelen 184 Fw en volgende het recht op verzet tegen de uitdelingslijst. De artikelen 184 Fw en 186 Fw bieden de mogelijkheid van verzet voor specifiek aangeduide categorieën van schuldeisers.

[naam 1] stelt zich op het standpunt dat zij door cessie van de vordering van [naam 11] in de rechten van [naam 11] is getreden. Daarmee stelt zij dat zij schuldeiser is in het faillissement. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel, dat niet onaannemelijk is dat [naam 1] aanspraken op de uitkering kan doen gelden en als potentieel (opvolgend) schuldeiser valt aan te merken. [naam 1] kan derhalve ontvangen worden in haar verzet.

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen, waartegen zich het verzet richt, geverifieerd zijn op de verificatievergadering en op een in het proces-verbaal opgenomen lijst van erkende schuldeisers ex artikel 121 Fw zijn opgenomen. De rechtbank gaat daarom uit van geverifieerde vorderingen, zodat artikel 184 Fw toepasselijk is. Hetgeen [naam 1] heeft gesteld ten aanzien van indiening van de vordering ter verificatie door middel van het bezwaarschrift kan derhalve onbesproken blijven.

Ten aanzien van de gevorderde naamswijziging op de slotuitdelingslijst betreffende de vorderingen met nummers 5 en 12 oordeelt de rechtbank als volgt. Tegen de gevraagde naamswijziging van laatstgenoemde vorderingen zijn geen bezwaren aangevoerd. Nu voorts de curator heeft bericht dat hij abusievelijk niet de naam van opposante op de slotuitdelingslijst bij genoemde vorderingen heeft vermeld, is de rechtbank van oordeel dat de slotuitdelingslijst dient te worden aangepast in die zin dat de naam van [naam 10] bij de vordering met nummer 5 en 12 gewijzigd dient te worden in de naam van opposante, [naam 1] .

Het verzet van [naam 1] is ten aanzien van dit onderdeel dan ook gegrond.

Met betrekking tot het verzoek om ten aanzien van de vordering nummer 13 op de slotuitdelingslijst eveneens [naam 1] als schuldeiser te vermelden in plaats van [naam 11] oordeelt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat [naam 11] geen schuldeiser (meer) is in het faillissement. De curator heeft dan ook niet op redelijke gronden kunnen aannemen dat [naam 11] bevoegd is de betaling te ontvangen, hetgeen op grond van artikel 6:34 BW een vereiste is voor bevrijdende betaling. De rechtbank stelt voorts vast dat tussen [naam 1] en [naam 12] een geschil bestaat over wie rechthebbende is van de vordering dan wel de uitkering.

[naam 1] stelt daartoe dat zij door cessie rechthebbende is van deze vordering dan wel uitkering in het faillissement. [naam 4] daarentegen stelt dat [naam 12] , door de betaling en/of subrogatie en/of de buitengerechtelijke vernietiging van de cessie, rechthebbende is van deze vordering dan wel uitkering in het faillissement.

De rechtbank is van oordeel dat de reikwijdte van artikel 184 Fw beperkt is en dat door middel van verzet schuldeisers hun beklag kunnen doen over de handelwijze van de curator indien en voor zover deze bij het opstellen en indelen van de uitdelingslijst in strijd met wettelijke voorschriften heeft gehandeld. Daarbinnen past niet een behandeling en beslissing van het tussen (alleen) [naam 1] en [naam 4] / [naam 12] . bestaande geschil omtrent wie nu rechthebbende is van laatstgenoemde vordering.

De rechtbank zal vanwege het voorgaande het verzet van [naam 1] op dit onderdeel ongegrond verklaren.

Nu de uitdelingslijst beoogt te waarborgen dat iedere schuldeiser het hem toekomende aandeel in het faillissementsactief ontvangt, de curator na de onderhavige beslissing onverwijld de vastgestelde uitkering dient te doen en de curator niet weet aan wie hij rechtens juist de uitkering op grond van de vordering van oorspronkelijk [naam 11] kan doen, beslist de rechtbank dat de curator laatstgenoemde uitkering zal storten in de consignatiekas.

Het staat [naam 1] en [naam 4] / [naam 12] vervolgens geheel vrij om in onderling overleg het geschil te beslechten dan wel het geschil aan de bevoegde rechter voor te leggen.

Hierdoor blijven de boedelkosten beperkt en kan de curator het faillissement verder afwikkelen en worden de overige schuldeisers niet – verder – benadeeld..

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart oppossante ontvankelijk in haar verzet;

- verklaart het verzet met betrekking tot de vorderingen met nummer 5 en nummer 12 gegrond;

- verklaart het verzet met betrekking de vordering met nummer 13 ongegrond;

- bepaalt dat de curator de gereserveerde uitkering voor de vordering met nummer 13 stort in de consignatiekas.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 september 2017.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, cassatie instellen. Het beroep in cassatie kan uitsluitend door een advocaat bij de Hoge Raad worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.