Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7751

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
28-10-2017
Zaaknummer
6047462
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen schriftelijke arbeidsovereenkomst, arbeidsvoorwaarde, verworven recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5597
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6047462 \ CV EXPL 17-19797

uitspraak: 20 oktober 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [plaatsnaam],

eiseres,

gemachtigde: Flanderijn en Verlaek Gerechtsdeurwaarders,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Wim Kruithof Automatic B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

vertegenwoordigd door de heer [K.], directeur en groot aandeelhouder.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “Kruithof”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 2 juni 2017 met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het ter rolzitting van 14 juni 2017 door Kruithof gegeven mondelinge antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende akte wijziging van eis, met één productie;

  • -

    de aantekeningen van het door Kruithof gevoerde mondelinge verweer ter rolzitting van 22 augustus 2017, met producties, en

  • -

    de akte uitlaten [eiser] ten behoeve van de rolzitting van 19 september 2017, tevens inhoudende wijziging van eis.

1.2

De datum voor de uitspraak van dit vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[eiser] is vanaf 24 juni 1991 in dienst bij Kruithof op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst.

2.2.

Het volledige maandsalaris van [eiser] bedroeg laatstelijk € 3.411,53 bruto exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten

2.3

[eiser] is vanaf 16 februari 2014 arbeidsongeschikt.

2.4

Op 22 maart 2017 is de loondoorbetalingsverplichting van Kruithof jegens [eiser] geëindigd.

2.5

Vanaf 2000 tot en met 2015 heeft [eiser] ieder jaar een dertiende maand ontvangen ter hoogte van zijn maandsalaris.

3 De vordering

3.1

[eiser] heeft- na wijziging van eis - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Kruithof te veroordelen:

I. om tegen kwijting aan [eiser] te betalen:

  1. € 3.411,53 bruto ter zake van de dertiende maand over 2016;

  2. € 1.152,86 bruto exclusief vakantiegeld en overige emolumenten ter zake van het achterstallig salaris van februari en maart 2017;

  3. € 2.625,75 ter zake van 8% vakantietoeslag over de periode mei 2016 tot en met

22 maart 2017;

de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het gevorderde onder a tot en

met c;

de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;

€ 625,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

II. om bruto/netto-specificaties te overleggen met betrekking tot alle betaalde en te betalen bedragen over de maanden februari en maart 2017 en een jaaropgave over het jaar 2016, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat Kruithof in gebreke blijft hier aan te voldoen;

III. in de kosten van de procedure;

IV. in de nakosten, zoals omschreven in de dagvaarding.

3.2

Aan zijn vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat Kruithof in gebreke is gebleven met volledige, tijdige nakoming van alle - op grond van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst - aan hem verschuldigde bedragen. [eiser] vordert dan ook nakoming.

4 Het verweer

Kruithof betwist de vordering. Daartoe voert hij aan dat de dertiende maand geen onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst. Het betrof een winstuitkering die alleen werd betaald als het resultaat dat toeliet. Kruithof stelt dat hij het vakantiegeld inmiddels heeft uitbetaald, maar dat hij niet precies wist hoeveel dat zou moeten zijn. [eiser] heeft volgens de wet recht op 70%, maar eist 90%. Die 90% is weliswaar gebruikelijk in het bedrijf, maar in de gegeven omstandigheden wil Kruithof dat niet aan [eiser] betalen. Kruithof stelt zich op het standpunt dat hij aan al zijn verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst heeft voldaan.

5 De beoordeling

5.1

[eiser] heeft zijn eis in de akte van 19 september 2017 nogmaals gewijzigd, in die zin dat hij ook een pro rata dertiende maand over 2017 vordert. Kruithof heeft op die wijziging niet meer kunnen reageren, zodat die buiten beschouwing wordt gelaten. Gelet op de datum van het einde van de betalingsverplichting van Kruithof op 22 maart 2017 was [eiser] ook bij zijn eerdere proceshandelingen al in de gelegenheid om deze vordering in te dienen, zodat hij door dit buiten beschouwing laten niet onredelijk in zijn belangen wordt geschaad. Er wordt dan ook uitgegaan van de vordering zoals geformuleerd in de conclusie van repliek, tevens inhoudende wijziging van eis zoals opgenomen onder punt 3.1.

5.2

Er is nimmer een schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen opgemaakt. Niet in geschil is dat [eiser] jaren bij Kruithof heeft gewerkt en dat hij recht heeft op doorbetaling van zijn loon tot en met 22 maart 2017. [eiser] is bij de berekening van de hoogte van het loon voor de maanden februari en maart (tot en met de 22e) 2017 uitgegaan van een percentage van 90% in verband met zijn arbeidsongeschiktheid. Kruithof merkt terecht op dat het loon tijdens ziekte op grond van de wet (artikel 7:629 lid 1 BW) 70% bedraagt, maar partijen zijn vrij om daarover andere, afwijkende afspraken te maken, mist het minimum van 70% blijft gewaarborgd. Kruithof erkent dat het gebruikelijk is binnen zijn bedrijf dat zieke werknemers 90% van hun loon betaald krijgen en dat dat vanaf 16 februari 2014 (de eerste ziektedag) ook voor [eiser] geldt. Daarmee is voldoende vast komen te staan dat de uitbetaling van 90% van het loon tijdens ziekte een arbeidsvoorwaarde in de arbeidsovereenkomst van [eiser] is. Kruithof wenst daar in dit specifieke geval van af te wijken ‘gelet op alle omstandigheden’. Wat die omstandigheden zijn is door Kruithof niet toegelicht. De enkele omstandigheid dat [eiser] zich, volgens Krijthuif, tijdens zijn ziekte zeer slecht heeft gedragen, geeft Kruithof niet het recht om een deel van het overeengekomen ziektegeld in te houden. Dat betekent dat Kruithof ook over de maanden februari en maart 2017 het volledige ziektegeld van 90% van het loon aan [eiser] verschuldigd is. Tegen de hoogte van het op basis van die gegevens berekende achterstallig loon van € 1.152,86 bruto exclusief vakantiegeld en overige emolumenten is door Kruithof geen verweer gevoerd. Dat bedrag wordt dan ook toegewezen.

5.3

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de dertiende maand een verworven recht betreft omdat hij de betreffende uitkering vanaf 2000 gedurende 15 jaar onafgebroken heeft ontvangen. Kruithof heeft niet betwist dat hij in de bedoelde 15 jaren altijd aan het eind van het jaar een extra bedrag ter hoogte van een maandloon aan [eiser] heeft betaald. Hij voert aan dat dit bedrag een winstuitkering betrof en dat die afhankelijk van het resultaat werd uitbetaald of niet. Op het desbetreffende rekeningafschrift van [eiser] is bij de overschrijving van 23 december 2015 door Kruithof aan [eiser] echter te zien dat als omschrijving is gegeven: ‘Salaris 12/2015 plus 13e maand’; op de desbetreffende salarisspecificatie is ook vermeld ‘13e maand’. Kruithof heeft zijn verweer dat de uitbetaalde bedragen winstuitkeringen betrof niet onderbouwd, terwijl dat - gelet op de omschrijving op het bankafschrift en de salarisspecificatie - wel op zijn weg had gelegen. Dat betekent dat er voor de verdere beoordeling vanuit zal worden gegaan dat de betalingen in december gedurende een aaneengesloten periode van 15 jaren van 2000 tot en met 2015 de uitbetaling van een dertiende maand betrof. Door de uitbetaling daarvan gedurende 15 jaren in de periode van 2000 tot en met 2015, zonder blijk van enige voorwaarde dienaangaande, is die 13e maand een arbeidsvoorwaarde in de arbeidsovereenkomst van [eiser] (geworden). Door Kruithof is niet gesteld of gebleken dat partijen die voorwaarde op enig moment hebben gewijzigd. Tegen de hoogte van het gevorderde bedrag van € 3.411,53 bruto is door Kruithof geen verweer gevoerd. Dat bedrag wordt daarom toegewezen.

5.4

[eiser] vordert een onderbouwd bedrag van € 2.625,76 aan vakantietoeslag over mei 2016 tot en met 22 maart 2017. Kruithof heeft de vordering op dit punt niet betwist. Hij heeft op 22 augustus 2017 aangevoerd dat hij het vakantiegeld inmiddels heeft betaald, maar dat hij niet precies wist hoeveel het moest zijn, blijkbaar omdat hij niet wist over welk percentage loon, 70% of 90%, hij de vakantietoeslag moest berekenen. Uit de loonstrook van juli 2017 blijkt dat Kruithof een bedrag van € 2.304,81 bruto als uitgangspunt heeft genomen voor de berekening van de hoogte van de nog door hem verschuldigde netto vakantietoeslag en een bedrag van € 1.161,63 aan [eiser] heeft uitbetaald, althans de betaling blijkt uit het rekeningafschrift van 11 augustus 2017 en is door [eiser] niet betwist. [eiser] geeft in reactie daarop aan dat een bruto-netto specificatie ontbreekt, zodat het hem niet duidelijk is of het correcte netto equivalent van het gevorderde vakantiegeld is betaald. [eiser] handhaaft zijn vordering in die zin dat hij in totaal, rekening houdend met de door Kruithof gedane betaling, het netto equivalent van € 2.625,76 bruto vordert. Hoewel in de betreffende loonstrook een bruto-netto specificatie wel is gegeven, heeft dat geen invloed op het nog steeds bestaande recht van [eiser] op volledige uitbetaling van het door hem opgebouwde vakantiegeld. Dat er mogelijk nog meer vakantiegeld door hem aan [eiser] verschuldigd zou kunnen zijn is door Kruithof ook niet weersproken. Een en ander leidt tot de conclusie dat Kruithof nog het netto equivalent van € 320,95 bruto (€ 2.625,76 - € 2.304,81) ter zake van vakantiegeld aan [eiser] dient te betalen. Dat bedrag wordt dan ook toegewezen.

5.5

De gevorderde wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW wordt toegewezen met dien verstande dat het percentage van de verhoging ambtshalve wordt gematigd tot 10%.

5.6

De gevorderde wettelijke rente wordt als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen over de hiervoor toegewezen bedragen, een en ander zoals hierna bepaald.

5.7

Ook ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het ter zake gevorderde bedrag van € 625,00 is eveneens toewijsbaar

5.8

Wat de vordering onder II betreft wordt overwogen dat Kruithof op grond van artikel 7:626 BW verplicht is om aan [eiser] een schriftelijke specificatie te verstrekken van het uitbetaalde loon. Kruithof heeft op dit punt geen verweer gevoerd. Dit deel van de vordering - inclusief de gevorderde dwangsom - wordt dan ook toegewezen, met dien verstande dat de termijn waarbinnen de loonspecificaties van februari en maart 2017 en de jaaropgave 2016 beschikbaar moet worden gesteld wordt bepaald op een week na de betekening van dit vonnis. De hoogte van de dwangsom wordt gemaximeerd op € 5.000,00.

5.9

Kruithof wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Ook de apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Kruithof om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 5.510,34, vermeerderd met

10% verhoging op grond van artikel 7:625 BW en die bedragen tezamen te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW over het saldo dat aan hoofdsom (inclusief wettelijke verhoging) heeft uitgestaan vanaf de respectievelijke vervaldata van de aan de toegewezen hoofdsom ten grondslag liggende deelbedragen tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Kruithof om binnen een week na de betekening van dit vonnis aan [eiser] beschikbaar te stellen de loonspecificaties over februari en maart 2017, alsmede de jaaropgave van 2016, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat Kruithof daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00;

veroordeelt Kruithof in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 223,00 aan griffierecht, € 103,11 aan dagvaardingskosten en € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde, en indien Kruithof niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met € 131,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

703