Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7741

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
ROT 17/1866
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2019:2970, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering van bijstand op grond van artikel 59, tweede lid, van de Pw. Dat eiser in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met betrokkene heeft gevoerd blijkt uit uitspraak van deze rechtbank inzake intrekking recht op bijstand van betrokkene. De rechtbank neemt de overwegingen over en maakt deze tot de hare.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank [plaats 2]

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/1866

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats 2] , eiser,

gemachtigde: mr. P. Hanenberg,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 2], verweerder,

gemachtigde: mr. H.H. Nicolai.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de ten onrechte aan

T.J. [ex-partner] ( [ex-partner] ) verstrekte bijstand over de periode van 25 september 2015 tot en met 7 april 2016 ten bedrage van € 6.685,79 mede van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 14 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van een anonieme melding op 26 januari 2016 dat [ex-partner] sinds november 2014 met haar zoon J.M. [ex-partner] zou samenwonen met eiser op het adres [adres] te [plaats 2] , is verweerder een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan [ex-partner] verstrekte uitkering op grond van de Participatiewet (de Pw). Naar aanleiding hiervan heeft verweerder geconcludeerd dat [ex-partner] en eiser sinds 25 september 2015 een gezamenlijke huishouding voerden op het adres [adres] te [plaats 2] , wat [ex-partner] niet aan verweerder had gemeld. Bij besluit van 29 april 2016 heeft verweerder het recht op bijstandsuitkering van [ex-partner] over de periode van 25 september 2015 tot en met 7 april 2016 herzien en de als gevolg daarvan ten onrechte betaalde bijstandsuitkering tot een bedrag van € 6.251,68 (€ 6.685,79 - € 434,11 aan niet uitbetaald en reeds verrekend vakantiegeld) van haar teruggevorderd.

2. Bij het primaire besluit is eiser voor deze terugvordering hoofdelijk aansprakelijk gesteld. Bij het betreden besluit heeft verweerder - met overneming van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, Kamer VI, van 19 januari 2017 - eisers bezwaren ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Aan de medeterugvordering van eiser heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 59, tweede lid, van de Pw, ten grondslag gelegd dat [ex-partner] en eiser in de periode van 25 september 2015 tot en met 7 april 2016 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Gelet hierop had de bijstand naar het oordeel van verweerder als gezinsbijstand aan [ex-partner] en eiser als gehuwden moeten worden verleend, maar dat is achterwege gebleven omdat [ex-partner] haar inlichtingenplicht niet is nagekomen. De kosten van de bijstand dienen daarom mede van eiser te worden teruggevorderd, aldus verweerder.

3. Eiser ontkent dat hij in de periode van 25 september 2015 tot en met 7 april 2016 een gezamenlijke huishouding voerde met [ex-partner] . Eiser heeft in dit verband, net als in bezwaar, benadrukt dat [ex-partner] en hij niet waren gemachtigd op elkaars bankrekeningen, dat zij geen gezamenlijke verzekeringen hadden en dat zij bij de belastingdienst niet bekend stonden als toeslagpartners. Volgens eiser is uit het onderzoek van verweerder onvoldoende duidelijk geworden of eiser en [ex-partner] boodschappen voor elkaar kochten. Volgens eiser is dan ook geen sprake geweest van financiële verstrengeling tussen [ex-partner] en hemzelf die verder ging dan het uitsluitend delen van de woon- en daarmee samenhangende lasten. Eiser betwist dat sprake was van wederzijdse zorg. Zonder nadere feitelijke invulling van de aard en omvang van de zorg die de één aan de ander verleende, kon volgens eiser niet geconcludeerd worden dat sprake was van wederzijdse zorg. Eiser stelt dat naar de wederkerigheid van de vermeende zorg onvoldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. Voor zover wel sprake is van een schending van de inlichtingenplicht door [ex-partner] , stelt eiser dat het recht op aanvullende bijstand is vast te stellen. Hij stelt dat hij volledig inzicht heeft gegeven in zijn financiële administratie. Uit de overgelegde administratie blijkt volgens eiser dat hij via een uitzendbureau heeft gewerkt en dat er omstreeks april 2016 weer opdrachten zijn binnengekomen. Eiser stelt dat verweerder geen nadeel heeft ondervonden van het niet kunnen opleggen van nadere (arbeids)verplichtingen aan hem omdat hij zich al actief heeft ingespannen om werk te vinden. Ten slotte heeft hij erop gewezen dat de consequentie van het niet kunnen opleggen van arbeidsverplichtingen door verweerder nooit volledige uitsluiting van bijstand, maar eerder een maatregeloplegging zou zijn geweest.

4. Op grond van artikel 59, tweede lid, van de Pw, kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

5.1.

In geschil is de vraag of eiser moet worden aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de bijstandsverlening rekening had moeten worden gehouden als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Pw. Daarvoor moet worden vastgesteld of eiser in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [ex-partner] als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Pw.

5.2.

Gelet op het verhandelde ter zitting is niet langer in geschil is dat [ex-partner] sinds 25 september 2015 haar hoofdverblijf had in de woning van eiser. In de uitspraak van deze rechtbank van 25 april 2017 op het beroep van [ex-partner] (zaaknummer: ROT 16/6529) heeft deze rechtbank in rechtsoverweging 6.5. geoordeeld dat verweerders onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat [ex-partner] en eiser in de periode van 25 september 2015 tot en met 7 april 2016 een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd op het adres [adres] te [plaats 2] . Dit oordeel is in voornoemde rechtsoverweging uitvoerig gemotiveerd. Samengevat heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de bankafschriften van de rekeningen van [ex-partner] en eiser blijkt dat [ex-partner] betalingen heeft gedaan voor eiser, dat eiser de vaste lasten heeft betaald, dat [ex-partner] voornamelijk de boodschappen heeft betaald en dat er daarom sprake was van financiële verstrengeling. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de door [ex-partner] op 4 en 8 april 2016 afgelegde verklaringen volgt dat [ex-partner] en eiser in elkaars zorg voorzagen. Er is geen aanleiding om van deze verklaringen af te wijken en er is, zo heeft de rechtbank geoordeeld, geen grond voor het oordeel dat de toezichthouder van verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd. De rechtbank neemt deze rechtsoverweging over en maakt deze tot de hare. In de door eiser in het beroepschrift aangevoerde gronden met betrekking tot de financiële verstrengeling, wederzijdse zorg en de gezamenlijke huishouding, die gelijkluidend zijn aan de gronden die [ex-partner] in de door haar gevoerde beroepsprocedure naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geschil tot een ander oordeel te komen dan in haar uitspraak van 25 april 2017.

5.3.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [ex-partner] haar inlichtingenplicht heeft geschonden en dat eiser is aan te merken als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [ex-partner] rekening had moeten worden gehouden. Verweerder was dan ook op grond van artikel 59, tweede lid, van de Pw bevoegd om de kosten van de aan [ex-partner] verleende bijstand over de in geding zijnde periode mede van eiser terug te vorderen en eiser voor de terugbetaling van dat bedrag hoofdelijk aansprakelijk te stellen. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5.4.

In geschil is verder of verweerder het terugvorderingsbedrag juist heeft vastgesteld. Eisers betoog dat verweerder aan [ex-partner] en hemzelf, ondanks de schending van de inlichtingenplicht, over de in geding zijnde periode aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden had moeten verlenen, slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

5.5.

Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1197 en de uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8094) is het aan eiser om aannemelijk te maken dat, indien [ex-partner] destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, aan hem en [ex-partner] over de in geding zijnde periode volledige dan wel aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden zou zijn verstrekt. Daarvoor is in de eerste plaats nodig dat (achteraf) een volledig inzicht kan worden verkregen in de financiële positie van eiser tijdens de in geding zijnde periode. Verder is van belang dat, door de schending van de inlichtingenverplichting door [ex-partner] , eiser - die geen bijstand van verweerder ontving - bij verweerder niet bekend was als degene die met [ex-partner] een gezamenlijke huishouding voerde. Daardoor is aan verweerder de mogelijkheid ontnomen om aan eiser in het kader van de op hem op grond van de verlening van bijstand van toepassing zijnde wettelijke arbeidsverplichtingen nadere verplichtingen op te leggen dan wel hem bij het verkrijgen van arbeid te ondersteunen. Deze nadere verplichtingen kunnen van invloed zijn op het recht op bijstand en ook deze omstandigheid moet in aanmerking worden genomen bij de vraag of betrokkenen in de in geding zijnde periode recht op bijstand zouden hebben gehad.

5.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende inzicht in zijn financiële positie tijdens de in geding zijnde periode gegeven. Uit het dossier blijkt dat eiser een (concept)jaarrekening 2015, BTW aangifte(n), een aangiftebiljet Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen 2015, en twee beschikkingen Omzetbelasting heeft overgelegd. De stelling van eiser in beroep en ter zitting dat hij als zelfstandige in de periode in geding niet of nauwelijks inkomsten had, kan hieruit onvoldoende worden afgeleid. Bovendien valt deze stelling niet te rijmen met eisers stelling dat hij in de in geding zijnde periode via een uitzendbureau heeft gewerkt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat de aanzienlijke periodieke contante stortingen op eisers bankrekening in de periode in geding inkomsten betroffen van door als eiser als zelfstandige verrichte werkzaamheden.

5.7.

In wat eiser in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser niet in staat zou zijn geweest, al dan niet met behulp van een door verweerder aangeboden voorziening, tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid waarmee [ex-partner] en eiser samen zelf in hun levensonderhoud hadden kunnen voorzien. De omstandigheid dat eiser zich heeft ingespannen om betaald werk te vinden is onvoldoende om daar anders over te denken.

6. Het beroep van eiser is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en

mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.