Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7638

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
C/10/529688 / KG ZA 17-686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Voormalig executeur in de nalatenschap van erflaatster veroordeeld tot nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van een beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0225
JERF 2018/328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/529688 / KG ZA 17-686

Vonnis in kort geding van 10 augustus 2017

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres] Q.Q.,

in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [persoon 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. A.T. Bakker te Driebergen-Rijsenburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Eisers zullen hierna [eisers] en de executeur genoemd worden. Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 7 juli 2017 met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de aanvullende producties 6 tot en met 9;

  • -

    de brief van [gedaagde] d.d. 10 juli 2017 met 7 bijlagen;

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 27 juli 2017;

  • -

    de pleitnota van de executeur

1.2.

Ter zitting is, in het kader van de ontvankelijkheidsvraag, door de voorzieningenrechter het bepaalde in artikel 4:145 BW aan de orde gesteld. Naar aanleiding daarvan heeft [eiseres] verzocht als procespartij te beschouwen [eiseres] in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [persoon 1] . [gedaagde] heeft daarmee ingestemd. In de kop van dit vonnis is dit al tot uitdrukking gebracht.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] is de broer van [persoon 1] (hierna: erflaatster), die op 18 maart 2016 is overleden. [gedaagde] is de stiefzoon van erflaatster. De executeur is de dochter van [eisers] .

2.2.

Bij testament van 10 februari 2012 heeft erflaatster haar broer en stiefzoon benoemd tot erfgenamen van haar nalatenschap. [gedaagde] is tevens benoemd tot executeur. [gedaagde] heeft de benoeming van executeur op 15 april 2016 aanvaard.

2.3.

Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2017 is [gedaagde] – op verzoek van [eisers] – ontslagen als executeur in de nalatenschap van erflaatster. Redengevend daartoe was dat hij niet had voldaan aan de testamentair vastgelegde verplichting om binnen drie maanden na het overlijden van erflaatster een boedelbeschrijving op te stellen, alsook dat onduidelijk was wat er met de inboedelzaken is gebeurd. [eiseres] is tot opvolgend executeur benoemd. De kantonrechter heeft bepaald dat [gedaagde] de roerende zaken en administratieve bescheiden ter zake de nalatenschap die zich onder hem bevinden en behoren tot de nalatenschap in het beheer dient te brengen van de hem opvolgend executeur en dat hij rekening en verantwoording dient af te leggen als bedoeld in artikel 4:161 lid 1 juncto 4:151 BW, binnen vier weken na de datum waarop de beschikking is gegeven. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.4.

[gedaagde] heeft de advocaat van eisers op 9 juli 2017 per e-mail bericht dat hij een doos met daarin twee pasjes, de eindafrekening, dagafschriften giro en AAB en de belastingaangiften 2015 en 2016 aangetekend naar haar heeft verzonden. [gedaagde] heeft in diezelfde e-mail een toelichting gegeven op de eindafrekening.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] en de executeur vorderen – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot:

  • -

    nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de beschikking d.d. 24 mei 2017, binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis;

  • -

    het in bezit van [eisers] en de executeur brengen van de as van erflaatster, binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [eisers]

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4:145 lid 2 BW vertegenwoordigt de executeur de erfgenamen bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte, zolang als het beheer van de goederen der nalatenschap voortduurt. Het betreft een exclusieve bevoegdheid. Dit betekent dat [eisers] – die wel tot erfgenaam is benoemd, maar niet tot executeur – niet bevoegd is om zelfstandig in rechte op te treden. [eisers] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.

Ten aanzien van de vorderingen

4.2.

Het spoedeisend belang van de executeur bij haar vorderingen volgt uit haar de stellingen. Het spoedeisend belang wordt niet betwist door [gedaagde] .

4.3.

De executeur legt aan haar eerste vordering ten grondslag dat [gedaagde] tot op heden niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de beschikking van de kantonrechter van 24 mei 2017, en dat hij daartoe gedwongen moet worden. [gedaagde] dient de roerende zaken van en administratieve bescheiden betreffende de nalatenschap in haar beheer te brengen. Volgens de executeur waren er veel goederen, waaronder schilderijen en sieraden, en heeft zij niets van dit alles ontvangen. Ook mist een deel van de administratie, aldus de executeur. Daarnaast heeft [gedaagde] , naar de mening van de executeur, niet op afdoende wijze rekening en verantwoording afgelegd. Het overzicht dat [gedaagde] heeft opgesteld is volgens de executeur volstrekt ontoereikend om een goed beeld te krijgen van wat er met de gelden is gebeurd.

4.4.

De executeur legt aan haar tweede vordering ten grondslag dat [eisers] en [gedaagde] na het overlijden van erflaatster hebben afgesproken dat de urn met daarin de as van erflaatster zal worden bijgezet in het graf waar de ouders van [eisers] en erflaatster begraven liggen, en dat [gedaagde] zich niet aan die afspraak heeft gehouden. De executeur wil de urn nu alsnog laten bijzetten in het familiegraf.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Vaststaat dat [gedaagde] op grond van de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2017 gehouden is om de roerende zaken die behoren tot de nalatenschap en zich onder hem bevinden, alsook de administratieve bescheiden ter zake van de nalatenschap, in het beheer te brengen van de executeur. [gedaagde] betwist dat hij tot de nalatenschap behorende roerende zaken onder zich heeft. Hij stelt dat hij [eisers] kort na het overlijden van erflaatster de gelegenheid heeft geboden om bezittingen van erflaatster mee te nemen uit diens woning. (De familie van) [eisers] en de executeur zijn toen door het huis gegaan en hebben aangewezen wat ze wilden hebben. [gedaagde] heeft alles voor ze ingepakt en dat hebben ze opgehaald. De overige zaken zijn verkocht, naar de kringloopwinkel gebracht of weggegooid, aldus [gedaagde] . Een en ander is door de executeur niet weersproken. Een boedelbeschrijving aan de hand waarvan kan worden nagegaan welke roerende zaken behoren tot de nalatenschap van erflaatster en wat daarmee is gebeurd, ontbreekt. Nu voorshands niet aannemelijk is dat [gedaagde] nog tot de nalatenschap behorende roerende zaken onder zich heeft en aldus in staat is om – op straffe van verbeurte van een dwangsom – aan een veroordeling op dit punt te voldoen, moet de vordering in zoverre worden afgewezen.

4.6.

[gedaagde] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij betalingsbewijzen betreffende uitgaven die zijn gedaan na het overlijden van erflaatster – zijnde administratieve bescheiden ter zake van de nalatenschap – onder zich heeft. Voor zover de vordering strekkende tot nakoming van verplichtingen uit hoofde van de beschikking van 24 mei 2017 ziet op het in het beheer van de executeur brengen van administratieve bescheiden ter zake van de nalatenschap zal deze daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn waarbinnen aan de veroordeling moet zijn voldaan op twee weken zal worden gesteld.

4.7.

De vordering strekkende tot afgifte aan de executeur van de urn met daarin de as van erflaatster – die blijkens haar testament gecremeerd wilde worden – opdat deze in het familiegraf kan worden bijgezet, zal eveneens worden toegewezen. [gedaagde] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij de urn onder zich heeft en dat hij bereid is de executeur in het bezit te stellen van de urn. Hij erkent dat met [eisers] is afgesproken dat de urn zal worden bijgezet in het familiegraf. De termijn waarbinnen aan de veroordeling moet zijn voldaan zal op twee weken worden gesteld.

4.8.

Voor zover de vordering strekkende tot nakoming van verplichtingen uit hoofde van de beschikking d.d. 24 mei 2017 ziet op het afleggen van rekening en verantwoording, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4:151 BW is een executeur wiens bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd verplicht aan degene die na hem tot het beheer bevoegd is rekening en verantwoording af te leggen, op de wijze als (in artikel 4:161 BW) voor bewindvoerders is bepaald. De wijze waarop rekening en verantwoording moet worden afgelegd, is door de wetgever niet nader geconcretiseerd. De voorzieningenrechter neemt tot uitgangspunt dat in ieder geval inzicht moet worden gegeven in de ontvangsten en uitgaven sinds het overlijden van de erflater en dat de ontvangsten en uitgaven moeten zijn gespecificeerd en zo mogelijk worden ondersteund door administratieve bescheiden. De vraag die thans moet worden beantwoord, is of [gedaagde] op afdoende wijze rekening en verantwoording heeft afgelegd. [gedaagde] heeft – na het uitbrengen van de dagvaarding – aan de advocaat van de executeur een overzicht doen toekomen van de banksaldi bij overlijden van erflaatster, de door hem verkochte zaken en de opbrengsten daarvan, en de kosten die hij heeft gemaakt in verband met het leeghalen van de woning van erflaatster. [gedaagde] heeft op 9 juli 2017 per e-mail een toelichting gegeven op het overzicht. Hij heeft geen inzicht gegeven in de ontvangsten en uitgaven op de bankrekeningen van de erflaatster. De executeur beschikt thans echter over bankafschriften betreffende die bankrekeningen, zo blijkt ook uit de producties 6 tot en met 8. [gedaagde] heeft ter zitting desgevraagd een toelichting hierop gegeven. Aldus heeft [gedaagde] naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht gegeven in de ontvangsten en uitgaven sinds het overlijden van erflaatster. De betalingsbewijzen die de na het overlijden van erflaatster gedane uitgaven ondersteunen zijn weliswaar niet in het beheer gebracht van de executeur, maar daartoe wordt [gedaagde] reeds veroordeeld.

4.9.

Voor zover de executeur zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] ten onrechte geldbedragen heeft opgenomen en overgeboekt van de gezamenlijke bankrekening van hemzelf en erflaatster alsook van de bankrekening van erflaatster, merkt de voorzieningenrechter nog op dat de executeur geen geldvordering heeft ingesteld en dat de vraag of zulks ten onrechte is gebeurd in de onderhavige procedure daardoor niet ter beoordeling voorligt.

4.10.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 100,00 voor iedere dag dat [gedaagde] niet aan de hoofdveroordelingen voldoet, met een maximum van € 2.500,00.

4.11.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2017 voor zover het betreft het in het beheer van de executeur brengen van administratieve bescheiden (te weten betalingsbewijzen betreffende uitgaven die zijn gedaan na het overlijden van erflaatster), binnen twee weken na betekening van dit vonnis,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan de executeur een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot het in het bezit van de executeur brengen van de as van erflaatster, binnen twee weken na betekening van dit vonnis,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] om aan de executeur een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.4 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017.2885/2009