Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7616

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
C/10/534458 / KG ZA 17-990
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG. Gemeente Rotterdam heeft executoriaal beslag gelegd na dwangbevel tot betaling van gemeentelijke heffingen. Vordering tot opheffing beslag en schadevergoeding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/534458 / KG ZA 17-990

Vonnis in kort geding van 9 oktober 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.H. de Vries te Capelle aan den IJssel,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.R. van der Zee te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente Rotterdam genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 september 2017;

  • -

    de 4 producties van de Gemeente Rotterdam;

  • -

    de mondelinge behandeling op 25 september 2017;

  • -

    de ter zitting overgelegde productie van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van de Gemeente Rotterdam.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning).

2.2.

Op 22 januari 2010 heeft ABN AMRO Bank N.V., na verlof daartoe van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2010, ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd op de woning.

2.3.

[eiser] heeft aanslagbiljetten gemeentelijke heffingen, waaronder de afvalstoffenheffing, ontvangen over de jaren 2011 t/m 2015. [eiser] heeft de Gemeente Rotterdam verzocht om kwijtschelding van de afvalstoffenheffing. Deze verzoeken zijn door de Gemeente Rotterdam alle afgewezen, evenals de daarop door

[eiser] ingestelde beroepschriften.

2.4.

Bij vonnis van 15 september 2015 heeft de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2015:6485) overwogen dat [eiser] door het beslag op de woning niet over de overwaarde kon beschikken en dat er in zoverre geen sprake was van middelen als bedoeld in artikel 35 lid 1 Wet Werk en Bijstand (thans: Participatiewet), dat wil zeggen de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

2.5.

Naar aanleiding van dat vonnis heeft [eiser] op 24 november 2015 in een herzieningsverzoek de Gemeente Rotterdam nogmaals om kwijtschelding van de afvalstoffenheffing verzocht over de jaren 2011 t/m 2015.

2.6.

Bij exploot van 15 april 2016, 27 februari 2014, 27 februari 2014, 30 oktober 2014, 15 april 2016 en 10 juni 2016 heeft de belastingdeurwaarder van de Gemeente Rotterdam een dwangbevel tot betaling van de gemeentelijke heffingen over 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 respectievelijk 2016 betekend op het adres van [eiser] .

2.7.

Op 27 maart 2017 heeft de Gemeente Rotterdam, in het kader van de invordering van de gemeentelijke heffingen over 2011 t/m 2016, executoriaal beslag gelegd op de bankrekening van [eiser] bij ING Bank N.V. voor een bedrag van € 2.720,73.

Naar aanleiding van dit beslag heeft ING Bank N.V. in mei 2017 een bedrag van € 1.655,49 uitbetaald aan de Gemeente Rotterdam.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Gemeente Rotterdam te bevelen het gelegde derdenbeslag op het banktegoed van [eiser] bij de ING bank op te heffen en de opdracht daartoe in te trekken, althans te bevelen de beslaglegging te staken en gestaakt te houden, en wel binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag indien de Gemeente Rotterdam in gebreke blijft daaraan te voldoen;

II. de Gemeente Rotterdam te bevelen de volgende bedragen aan [eiser] te betalen:

  1. het op 17 mei 2017 van de ING-rekening van [eiser] geïncasseerde bedrag van € 1.655,79;

  2. kosten van rechtsbijstand ad € 143,-;

  3. de behandelingskosten van de ING-bank ad € 100,-;

  4. schadevergoeding van € 3.000,-;

  5. wettelijke rente hierover sedert 13 april 2017 tot de dag der algehele vergoeding;

III. de Gemeente Rotterdam te bevelen om:

  1. de bezwaarschriften van [eiser] tegen de in rekening gebrachte invorderingskosten en rente alsnog te behandelen, daarbij rekening houdend met diens rechten op uitstel van betaling;

  2. alsnog afdoend gemotiveerde besluiten te nemen op de verzoeken tot kwijtschelding van [eiser] , indachtig de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 september 2015;

  3. zo nodig aansluitend te beoordelen of bedragen buiten invordering hadden moeten worden gesteld, nu binnen een jaar geen verbetering in de financiële positie van [eiser] was te verwachten, of waren verjaard, nu aanmaningen en dwangbevelen niet binnen een half jaar waren gevolgd door vervolgstappen, of automatisch waren kwijtgescholden, nu op verzoeken daartoe niet binnen twaalf weken was besloten;

  4. zo nodig aansluitend vast te stellen of [eiser] de gelegenheid had moeten krijgen om schuldhulpverlening aan te vragen en te beoordelen wat in dat geval de waarschijnlijke uitkomst was geweest ten aanzien van de gemeentelijke heffingen;

  5. zo nodig [eiser] aansluitend voldoende gelegenheid te bieden te betalen of een betalingsregeling te treffen of alsnog schuldhulpverlening aan te vragen zonder direct weer nieuwe invorderingsmaatregelen te nemen;

IV. voor zover de voorzieningenrechter zelf in het gevraagde onder III. wenst te voorzien, zulks niet eerder te doen dan na hoor en wederhoor en op basis van een volledig dossier;

V. de Gemeente Rotterdam te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De Gemeente Rotterdam voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter zitting heeft de Gemeente Rotterdam aangevoerd dat het gelegde beslag na de uitbetaling door de ING was opgeheven en heeft [eiser] erkend dat hij inmiddels toegang had tot zijn bankrekening. De vordering tot opheffing van het beslag ligt daarmee voor afwijzing gereed.

4.2.

Ten aanzien van het gevorderde bevel aan de Gemeente Rotterdam om de beslaglegging gestaakt te houden, wordt het volgende overwogen.

4.3.

Op grond van artikel 231 lid 1 Gemeentewet geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 (IW) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.

Indien een belastingschuldige het niet eens is met de gemeentelijke aanslagen, komt hem de wettelijk vastgelegde mogelijkheid toe om daartegen bezwaar te maken bij de Gemeente Rotterdam en, indien dat wordt afgewezen, administratief beroep in te stellen bij de bestuursrechter. De Gemeente Rotterdam heeft gesteld dat [eiser] deze wegen heeft bewandeld en dat het bezwaar en beroep tegen de aanslagen ten aanzien van de verschillende heffingsjaren steeds zijn afgewezen. Dit is door [eiser] niet voldoende gemotiveerd weersproken. Derhalve wordt ervan uitgegaan dat de gemeentelijke aanslagen over 2011-2015 onherroepelijk zijn geworden. Gelet op het voorgaande, is het niet aan de civiele rechter om een oordeel te geven over de vraag of de door [eiser] verzochte kwijtschelding al dan niet terecht is geweigerd. Daarvoor diende de voormelde bestuursrechtelijke weg.

4.4.

Vervolgens heeft de Gemeente Rotterdam op de voet van artikel 12 lid 1 IW verschillende dwangbevelen uitgevaardigd ter invordering van de aanslagen. Ingevolge artikel 17 IW kan de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden, maar kan in beginsel niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Er is geen termijn waarbinnen dit verzet moet worden gedaan.

Het standpunt van [eiser] dat de Gemeente Rotterdam niet heeft voldaan aan de formaliteiten rondom het uitvaardigen van de dwangbevelen en de beslaglegging dient in een verzetzaak zoals bedoeld in artikel 17 IW aan de orde te worden gesteld. Nu [eiser] niet in verzet is gekomen tegen de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen, wordt vooralsnog uitgegaan van de onherroepelijkheid van de dwangbevelen.

4.5.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de (verdere) tenuitvoerlegging van een executoriale titel – in dit geval de onherroepelijk geworden dwangbevelen – slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dit kan zich voordoen a) als de te executeren titel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of b) indien na de uitvaardiging van de dwangbevelen opgekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.

4.6.

Daarvan is niet gebleken.

Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat de dwangbevelen op een misslag berusten, doordat de Gemeente Rotterdam tot op heden niet heeft gereageerd op zijn herzieningsverzoek van 24 november 2015, wordt dit standpunt verworpen.

Nog daargelaten dat de dwangbevelen ten aanzien van de heffingen over 2012, 2013 en 2014 reeds waren uitgevaardigd en onherroepelijk waren toen het herzieningsverzoek werd ingediend, is niet aannemelijk geworden dat tot op heden nog niet is beslist op dit verzoek. De Gemeente Rotterdam heeft ter zitting aangevoerd dat zij het verzoek op 28 december 2015 heeft afgewezen, terwijl [eiser] zijn stelling geenszins heeft onderbouwd, bijvoorbeeld met aanmaningen waarin hij de Gemeente Rotterdam verzoekt om (alsnog) uitspraak te doen in zijn herzieningsverzoek.

4.7.

De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding de Gemeente Rotterdam te bevelen om zich te onthouden van eventuele toekomstige beslaglegging.

4.8.

Ten aanzien van de gevorderde (terug)betalingen van de Gemeente Rotterdam aan [eiser] , heeft [eiser] aangevoerd dat hij dat geld met name nodig heeft voor het schilderwerk aan zijn woning dat een eenmalige hoge investering vergt en waarvoor hij wenst deel te nemen aan een collectieve actie van de Vereniging Eigen Huis. De Gemeente Rotterdam heeft dat niet bestreden. Het spoedeisend belang is daarmee voldoende gegeven.

4.9.

Niet gebleken is echter dat het bedrag dat uit hoofde van het gelegde beslag aan de Gemeente Rotterdam is uitgekeerd, onrechtmatig is geweest. Zoals reeds overwogen is het beslag gelegd op basis van aanslagen en dwangbevelen die onherroepelijk zijn geworden. [eiser] heeft nog aangevoerd dat bij de beslaglegging geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet, doch die stelling is uitdrukkelijk door de Gemeente Rotterdam betwist en door [eiser] niet aannemelijk gemaakt. Voor het overige heeft [eiser] geen, althans een onvoldoende, grondslag gesteld op basis waarvan de Gemeente Rotterdam gehouden zou zijn om hem een bedrag terug te betalen dan wel een schadevergoeding te voldoen. Het gevorderde onder II. wordt afgewezen.

4.10.

De vorderingen onder III. en IV. zullen eveneens worden afgewezen. Voor deze vorderingen dient [eiser] de bestuursrechtelijke weg te volgen. Een kort geding is daarvoor niet bedoeld of geschikt.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente Rotterdam worden begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 2.740,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente Rotterdam tot op heden begroot op € 2.740,00;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

2091 / 676