Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7560

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
C/10/347149 / HA ZA 10-310
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Begroting schade ten gevolge van IE-inbreuk op grond van art. 13 lid 1 sub b Handhavingsrichtlijn na eerder tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2017:1583). Proceskostenveroordeling ex art. 1019h RV. Bezwaar tegen uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/347149 / HA ZA 10-310

Vonnis in hoofdzaak van 4 oktober 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRACK INNOVATIONS B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VIJVERBERG MEDICAL CONSULTANTS B.V.,

gevestigd te Brielle,

gedaagde,

advocaat mr. A.W. Hooijen te Hilversum.

Partijen zullen hierna Track en Vijverberg genoemd worden.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 februari 2017 en alle daaraan ten grondslag liggende stukken,

  • -

    de akte houdende eiswijziging,

  • -

    de antwoordakte houdende eiswijziging, met producties 1 t/m 3,

  • -

    de antwoordakte naar aanleiding van antwoordakte houdende eiswijziging.

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.15 tot en met 4.18. geoordeeld dat Vijverberg met het gebruik van D-Care in de periode april 2005 tot eind augustus 2010 inbreuk heeft gemaakt op het aan Track toekomend auteursrecht op Track Verzuim en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens Track en dat deze inbreuk haar ook is toe te rekenen, althans met ingang van 1 januari 2006, zodat Vijverberg gehouden is de dientengevolge door Track geleden schade over de periode januari 2006 tot eind augustus 2010 te vergoeden.

2.2.

Ter zitting, bij gelegenheid van pleidooi gehouden op 23 september 2016, heeft Track zich bereid verklaard haar vordering tot vergoeding van de schade te beperken tot het voordeel dat [ex-werknemer Track] in het “Projectvoorstel D-Office en D-Care” van december 2004 (productie 53 Track) aan Vijverberg heeft voorgerekend, te vermeerderen met een fixed fee van € 10.000, - per jaar. Track heeft daarbij opgemerkt dat als de rechtbank op deze wijze de schade zou kunnen begroten, verwijzing naar de schadestaat niet nodig is. Daarop is namens Vijverberg verklaard dat zij zich – in het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat Vijverberg aansprakelijk is voor de door Track geleden schade – akkoord verklaart met het voorstel van de rechtbank alsdan Track in de gelegenheid te stellen haar eis te wijzigen in voormelde zin.

2.3.

Gelet hierop heeft de rechtbank bij voormeld tussenvonnis de zaak naar de rol verwezen en Track in de gelegenheid gesteld een akte wijziging eis te nemen. Track heeft op 16 mei 2017 een akte genomen en haar eis als weergegeven in voormeld tussenvonnis onder 3.1. sub 8 daarbij gewijzigd als volgt:

8. Vijverberg te veroordelen de door Track als gevolg van de inbreuk geleden schade te vergoeden te begroten op een bedrag van EUR 25.825, - per kalenderjaar waarin toerekenbaar inbreuk is gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat schadebedrag vanaf de laatste dag van ieder van die kalenderjaren en voor het jaar vanaf 2010 vanaf 27 augustus van dat jaar, althans ten aanzien van de wettelijke rente subsidiair, vanaf 20 november 2009 (datum sommatie).

2.4.

Vijverberg heeft bij antwoordakte voorop gesteld dat haar akkoord als gegeven ter zitting betrekking had op de feitelijke wijziging, dat wil zeggen dat Track de door haar beweerdelijk geleden schade niet meer in een separate schadestaat procedure wenst vast te stellen maar nu reeds in het eindvonnis wenst te begroten, maar daarmee geen akkoord heeft gegeven op de inhoud daarvan. Vijverberg heeft vervolgens de gestelde omvang van de schade, zowel ter zake het ter zitting genoemde voordeel dat [ex-werknemer Track] in het “Projectvoorstel D-Office en D-Care” van december 2004 (productie 53 Track) aan Vijverberg heeft voorgerekend als de ter zitting reeds aangegeven vermeerdering met een fixed fee van € 10.000, - per jaar, inhoudelijk betwist en gesteld dat voor de begroting van de schade niet zomaar kan worden aangeknoopt bij de door een derde (Devotus) opgevoerde berekening in een commerciële offerte. Vijverberg bepleit daarom primair de door Track geëiste schadevergoeding af te wijzen en alsnog te verwijzen naar een aparte schadestaatprocedure. Subsidiair heeft zij betoogd dat de daadwerkelijke schade 0 is, althans hooguit kan worden gesteld op een bedrag van € 5.866,14 (tot juni 2006), althans op een bedrag van € 25.419,93 in totaal voor de periode van april 2005 tot eind augustus 2010.

2.5.

De rechtbank ziet geen reden alsnog naar de schadestaat te verwijzen, nu deze schade zich heel wel reeds thans laat begroten en overweegt daartoe als volgt.

Schade

2.6.

Voorop staat dat krachtens het bepaalde in artikel 6:97 BW de rechter de schade dient te begroten op een wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven en dus dat zoveel als mogelijk de schade wordt berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Daarnaast en bovenal moet in het onderhavige geval rekenschap worden gegeven van hetgeen op Europees niveau is bepaald in de Richtlijn 2004/48/EU betreffende de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten (hierna: Handhavingsrichtlijn). In artikel 13 van deze richtlijn is bepaald dat de begroting van de schade kan plaatsvinden op concrete wijze (lid 1 sub a) dan wel als alternatief voor het bepaalde onder a, in passende gevallen kan worden vastgesteld op een forfaitair bedrag, op basis van elementen als ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende intellectuele eigendomsrecht te gebruiken (lid 1 sub b). Laatstgenoemde ‘b-grond’ kan worden geacht te zijn geïmplementeerd in (onder meer) artikel 27 lid 2 Aw zij het dat de hele laatste zinsnede (na forfaitair bedrag) daar ontbreekt. Dit laat onverlet dat krachtens de Handhavingsrichtlijn een forfaitair bedrag aan schadevergoeding minimaal moet worden begroot op het bedrag aan gederfde licentievergoedingen.

2.7.

Het begroten van de schade op een forfaitair bedrag gerelateerd aan de gederfde licentievergoeding acht de rechtbank – anders dan Vijverberg meent - voor een geval als het onderhavige passend. Zoals te doen gebruikelijk heeft Track immers steeds de verzuimsoftware aan haar klanten in licentie gegeven. Track is bij de berekening van haar thans gevorderde schadebedrag allereerst uitgegaan van de berekening door [ex-werknemer Track] (ex-werknemer van Track, op dat moment werkzaam bij Devotus aanbieder van D-Care) van de kosten voor de licenties die Vijverberg aan Track zou moeten hebben betalen voor het gebruik van de programmatuur indien zij de overeenkomst met Track niet zou hebben opgezegd. Deze kosten zijn door hem naar de stand van zaken van eind 2004 in totaal begroot op € 15.825, - per jaar. Track heeft daarbij opgemerkt dat haar werkelijke schade veel hoger is onder verwijzing naar haar eerder bij dagvaarding reeds overgelegde berekeningen. Vijverberg acht het door [ex-werknemer Track] genoemde bedrag geen reëel / waarheidsgetrouw uitgangspunt, omdat het hier betreft een inschatting van een commerciële concurrent, die wel gunstiger moet zijn dan de werkelijk door Track aangeboden tarieven. Dit verweer faalt. [ex-werknemer Track] was als ex-werknemer van Track op de hoogte van de door Track gehanteerde tarieven. Evenzo was Vijverberg zelf als klant van Track daarvan op de hoogte. Het ligt dan ook niet in de rede te veronderstellen dat [ex-werknemer Track] Vijverberg dienaangaande een niet realistisch beeld heeft voorgehouden. Nu Vijverberg haar verweer op dit punt ook verder niet heeft onderbouwd, wordt daaraan voorbij gegaan. Voor de door Vijverberg voorts nog bepleite vermindering van het licentiebedrag in verband met mogelijk verleende kortingen en of uitgespaarde investerings- en/of bedrijfskosten, ziet de rechtbank geen reden. Zoals Track terecht heeft aangevoerd kan in zijn algemeenheid niet worden gezegd dat dergelijke kosten dalen omdat één van de klanten vertrekt. Bovendien moet in ogenschouw worden genomen dat Track de gederfde licentievergoeding heeft gefixeerd op een bedrag naar de stand van zaken eind 2004 alsmede dat op basis van de Handhavingsrichtlijn een forfaitair bedrag aan schadevergoeding minimaal moet worden begroot op het bedrag aan gederfde licentievergoedingen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het passend en reëel om bij de begroting van de schade uit te gaan van een gederfde licentievergoeding ten bedrage van € 15.825, - per jaar.

2.8.

Track legt aan de door haar bovenop het bedrag van € 15.825, - per jaar gevorderde surplus van € 10.000, - per jaar ten grondslag dat haar werkelijke schade bij wege van gederfde licentievergoeding veel hoger is, daarbij verwijzend naar haar eerdere berekening bij brief van 20 november 2009 met bijlagen (productie 7 Track). Bij deze eerdere berekening was Track uitgegaan van hogere en jaarlijks stijgende licentievergoedingen (van € 19.106, - voor 2005 oplopend tot € 58.766, - voor 2009 alsmede van een jaarlijkse winstderving van € 5.000, - dan wel € 2.500, - wegens gemiste support en consultancy werkzaamheden samenhangend met het gebruik van de programmatuur. Over de in 2009 gehanteerde wijze van berekening van de schade is in de begeleidende brief gemeld dat de berekening is gemaakt op basis van de licentievergoeding van oktober 2004 en trend-schattingen rond aantal gebruikers, ontwikkeling van het aantal werknemers en prijsontwikkeling, echter zonder de gehanteerde parameters nader te onderbouwen, zodat niet zonder meer van deze veel hogere cijfers dan berekend door [ex-werknemer Track] (zie 2.7) kan worden uitgegaan Anderzijds acht de rechtbank het, gelet op de gestelde - en onbetwist gebleven - groei in de periode 2005-2008 aan aantal werknemers/dossiers bij Vijverberg van 5331 naar 6587 en het aantal medewerkers/gebruikers in dienst van Vijverberg van 14 naar 29, op basis waarvan een flinke - zij het geleidelijke - stijging van de gederfde licentievergoeding reëel is, voldoende aannemelijk dat Track in werkelijkheid meer schade heeft geleden dan de hiervoor op basis van de door [ex-werknemer Track] opgevoerde cijfers begrote licentievergoeding. Daar komt bij de omstandigheid dat in het bedrag van € 15.825, - nog niet de gederfde licentievergoeding als gevolg van het wegvallen van de support en consultancy werkzaamheden is verdisconteerd. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft Track de gederfde winst wegens gemiste support en consultancy (ervan uitgaande dat de helft van de omzet ter zake marge zou zijn) destijds gesteld op € 5.000 (oude model Track 2) dan wel € 2.500 (nieuwe Track 3) per jaar. Gegeven het feit dat precieze vaststelling van een redelijk bedrag aan surplus niet mogelijk is, acht de rechtbank - uitgaande van een basislicentievergoeding van € 15.825, - als gefixeerd in 2004 en al het vorenstaande in ogenschouw nemend, in het bijzonder gelet op de onbetwist gebleven verdubbeling van het aantal gebruikers - het door Track gevorderde surplus van € 10.000, - per jaar niet onredelijk.

2.9.

Een en ander leidt er toe dat de rechtbank de schade zal begroten op een forfaitair bedrag van € 25.825, - per jaar. De periode waarover deze vergoeding verschuldigd is betreft de periode januari 2006 tot eind augustus 2010 (zie hiervoor onder 2.1). Het nogmaals door Vijverberg opgeworpen verweer dat de inbreuk zou zijn geëindigd in 2006, is reeds onder 4.13.6 in voormeld tussenvonnis verworpen.

De vordering onder sub 8 zal daarom als voormeld worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2009 (datum sommatie).

Proceskosten

2.10.

Nu Vijverberg in het ongelijk zal worden gesteld dienen de proceskosten voor haar rekening te komen.

2.11.

Track heeft op grond van artikel 1019h Rv vergoeding van de volledige proceskosten gevorderd (weergegeven in voormeld tussenvonnis onder sub 9). Artikel 1019h Rv, dat de implementatie vormt van artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn, bepaalt dat de in het ongelijk te stellen partij desgevorderd wordt veroordeeld in de redelijke en evenredige proceskosten en andere kosten die de in het gelijk te stellen partij heeft gemaakt, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzet. Bij arrest van 28 juli 2016 (United Video Properties) heeft het HvJEU ten aanzien van de billijkheidscorrectie overwogen dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten die de in het gelijk gestelde partij daadwerkelijk heeft gemaakt door de verliezende partij dient te worden vergoed. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter de taak heeft ambtshalve te beslissen over de toewijsbaarheid van de proceskosten en de hoogte daarvan (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477).

2.12.

Track heeft de kosten voor haar advocaat, onder verwijzing naar haar specificatie overgelegd als productie 65 bij gelegenheid van pleidooi, gesteld op € 176.231,86. Vijverberg heeft de omvang van deze kosten betwist daartoe aanvoerende dat deze niet redelijk en evenredig zijn, althans op grond van de billijkheid dienen te worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 5.000, - subsidiair € 25.000, - .

2.13.

De rechtbank merkt allereerst op dat in de door Track gevorderde advocaatkosten de kosten van de advocaat in verband met de opgeworpen incidenten zijn inbegrepen. Met betrekking daartoe wordt overwogen als volgt.

De advocaatkosten voor het aan beide zijden (vergeefs) opgeworpen incident tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn bij vonnis van deze rechtbank van 27 oktober 2010 over en weer reeds toegewezen tot een bedrag van € 452, -. De kostenveroordeling in de overige nog door Vijverberg opgeworpen incidenten tot oproeping in vrijwaring en tot verwijzing wegens connexiteit zijn bij vonnis van 27 oktober 2010 (eerste vrijwaringsincident), 3 augustus 2011 (incident tot verwijzing) en 23 september 2011 (tweede vrijwaringsincident) aangehouden. De kosten van deze incidenten komen voor rekening van Vijverberg als de in het ongelijk gestelde partij in het incident tot verwijzing en de in het ongelijk te stellen partij in de onderhavige procedure. In deze incidenten heeft Track steeds vergoeding van haar volledige proceskosten gevorderd op grond van artikel 1019h Rv.

Het voorafgaande brengt met zich dat ter zake van de incidenten een bedrag van € 452, - in mindering strekt op de gevorderde proceskosten.

2.14.

Vijverberg heeft ter onderbouwing van haar verweer dat de door Track gevorderde kosten niet redelijk zijn, althans behoren te worden gematigd, allereerst aangevoerd dat sprake is van een wanverhouding tussen de door Track gestelde schade en de kosten ter verkrijging van die schade. Dit verweer kan Vijverberg niet baten, reeds omdat een door haar gestelde wanverhouding, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ter zake de omvang van de schade, het bedrag waarop dit per jaar is begroot en de periode waarover een vergoeding betaald dient te worden, zich niet voordoet. Wel kan met Vijverberg worden vastgesteld dat het gevorderde bedrag substantieel is. Dat is echter ook het door Vijverberg zelf gestelde bedrag aan kosten advocaat (producties 17 en F Vijverberg), in totaal uitkomende op € 122.120,79. Bovendien is dat een onvermijdelijke consequentie van het feit dat de procedure zich al jaren voortsleept, mede veroorzaakt door de wijze waarop partijen hebben verkozen te procederen. Er is een niet gering verschil van meer dan € 50.000, - tussen de advocaatkosten van beide partijen, hetgeen zich deels laat verklaren door het verschil in omvang van de aangeleverde stukken. In dit verband is relevant het verweer van Vijverberg dat de hoge kosten van Track naar zij veronderstelt mede te wijten zijn aan het feit dat maar liefst zeven medewerkers / advocaten werkzaamheden zouden hebben verricht, waardoor waarschijnlijk dubbele kosten zijn gemaakt. Track heeft op dit verwijt niet gereageerd, alhoewel zij daartoe bij akte na tussenvonnis de gelegenheid had. Dat had wel op haar weg gelegen. Nu zij dit heeft nagelaten ziet de rechtbank reden tot matiging van de proceskosten over te gaan door daarop een bedrag van € 25.000, - in mindering te brengen.

Mede de aftrek van € 452, - in ogenschouw nemend zullen de advocaatkosten afgerond worden bepaald op € 150.000, -.

2.15.

Onder de proceskosten vallen buiten de hiervoor bepaalde advocaatkosten voorts de kosten van het griffierecht en de explootkosten in de hoofdzaak aan de zijde van Track bestaande uit:

  • -

    griffierecht € 262,00

  • -

    explootkosten dagvaarding € 73,89

  • -

    explootkosten beslag € 280,94

  • -

    taxe getuigen € 393,00

----------------

Totaal € 1.009,83

Slotsom t.a.v. vorderingen

2.16.

In voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank onder 4.21. reeds overwogen dat:

  • -

    de vorderingen onder sub 1 en sub 4 bij gebreke van belang zullen worden afgewezen (terwijl de vordering onder sub 7 reeds was ingetrokken);

  • -

    de vorderingen onder sub 2 (primair), 3, 5 (primair, d.w.z. zonder “gedeeltelijk”) en 6 voor toewijzing gereed liggen.

Wat betreft de vordering onder sub 3 ziet de rechtbank reden de op te leggen dwangsom te matigen tot een bedrag van € 500, - per overtreding en deze te maximeren tot een bedrag van € 50.000, -.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan daaraan thans nog worden toegevoegd dat:

  • -

    de vordering onder sub 8 zal worden toegewezen tot een bedrag van € 25.825, - per jaar over de periode januari 2006 tot eind augustus 2010, met vermeerdering van de wettelijke rente als hierna bepaald;

  • -

    de vordering onder sub 9 zal worden toegewezen tot een bedrag van € 151.009,83.
    Uitvoerbaar bij voorraad

2.17.

Ten slotte ligt nog ter beoordeling voor het voor het eerst bij pleidooi gedane verzoek van Vijverberg aan de rechtbank om, mocht enige vordering van Track worden toegewezen, dergelijke vorderingen en de toe te wijzen kostenveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Vijverberg stelt dat zij bij toewijzing van enige vordering zeker hoger beroep zal aantekenen en dat uitvoering van een voor Vijverberg negatief vonnis tot het faillissement van Vijverberg zal leiden en daarmee tot niet meer te herstellen en definitieve gevolgen.

2.18.

Dit verweer kan Vijverberg niet baten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.19.

Bij de beoordeling van een vordering op grond van artikel 233 Rv dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Indien het betreft een vordering tot betaling van een geldsom is het belang bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring in beginsel gegeven (vergelijk HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688). Daarnaast heeft te gelden dat bij de belangenafweging de kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing dient te blijven (HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2216). Voorts staat de omstandigheid dat een voorlopige tenuitvoerlegging ingrijpende gevolgen kan hebben, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de weg; wel moet dit worden meegewogen bij de belangenafweging (HR 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0976).

2.20.

Track heeft niet meer gereageerd op het verweer van Vijverberg. Echter, nu Vijverberg slechts heeft gesteld dat tenuitvoerlegging van een voor haar negatief vonnis zeker tot haar faillissement zal leiden en zij die stelling op geen enkele wijze heeft toegelicht of onderbouwd kan het enkele feit dat Track daar niet op heeft gereageerd – gelet op het hiervoor geschetste beoordelingskader en mede gezien het late tijdstip waarop het verweer naar voren is gebracht - er niet toe leiden dat het verweer wordt gehonoreerd.

2.21.

De conclusie is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat Vijverberg aan Track afschrift dient te verlenen van de D-Care programmatuur, door te gehengen en te gedogen dat de bewaarder van de harde schijven waarop de kopie(ën) van deze programmatuur staa(t)n, door het maken van kopieën (al dan niet bijgestaan door ter zake kundige derden) afschrift van deze programmatuur verstrekt althans doet verstrekken aan Track;

3.2.

bepaalt dat de hierboven vermelde verplichting tot gehengen en gedogen wordt opgelegd onder verbeurte van een dwangsom van € 500, - per dag of gedeelte van een dag dat Vijverberg in gebreke blijft uitvoering te geven aan deze verplichting, tot een maximum van € 50.000, -;

3.3.

verklaart voor recht dat de D-Care programmatuur een auteursrechtelijke verveelvoudiging is van de Track Verzuim programmatuur;

3.4.

verklaart voor recht dat Vijverberg met de aanschaf en het gebruik van de D-Care software inbreuk (heeft ge)maakt op auteursrechten van Track;

3.5.

veroordeelt Vijverberg tot vergoeding van de door Track als gevolg van de inbreuk geleden schade tot een bedrag van € 25.825, - per jaar over de periode januari 2006 tot eind augustus 2010, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2009 (datum sommatie);

3.6.

veroordeelt Vijverberg in de kosten van deze procedure tot aan dit vonnis aan de zijde van Track begroot op € 151.009,83 in totaal;

3.7.

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft (3.1., 3.2., 3.5. en 3.6.) uitvoerbaar bij voorraad;

3.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel, mr. P.C. Santema en mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2017.

1515/32/2502/2066