Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7538

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
535641 / HA RK 17-868
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De rechtbank heeft op eigen initiatief - en zonder vooroverleg met verzoeker die daartegen juist uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt - het rapport “Veiligheid Odfjell Terminals Rotterdam periode 2000-2012” van internet gehaald en onderdeel van het procesdossier gemaakt. Naar het OvV-rapport wordt verwezen in een verzoek tot het horen van getuigen en in het proces-verbaal van het getuigenverhoor van de getuige [naam]. In dat licht is het voegen van het rapport in het procesdossier niet onbegrijpelijk te noemen. Het enkele feit dat de rechters kennis nemen van het eindrapport van de OvV betekent niet dat zij dit stuk bij hun oordeelsvorming als bedoeld in artikel 338 Sv en bij de beantwoording van de in de artikelen 34$ en 350 Sv genoemde vragen zullen gebruiken in strijd met het voorschrift van artikel 69 Rijkswet OvV. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 september 2017 hebben de rechters ook uitdrukkelijk aangegeven dat zij dat niet zullen doen. Daarbij is mede van belang dat de rechters zich van de inhoud en strekking van dat voorschrift bewust zijn en dat de rechters zich uit hoofde van hun professionaliteit onafhankelijk en onbevangen een oordeel dienen te vormen. Er zijn geen concrete aanwijzingen aangevoerd of aannemelijk geworden waaruit kan worden opgemaakt dat het in dit geval aan die professionaliteit zou schorten. De wrakingskamer merkt nog op dat het rapport van de OvV een openbaar stuk is waarvan door eenieder kan worden kennis genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 10/535642 / HA RK 17-868

Beslissing van 4 oktober 2017

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [land],

verzoeker,

advocaten mrs. G.J.K. Elsen en F. Ahlers,

strekkende tot wraking van:

mr. D.J. Cohen Tervaert, mr. A. Eichperger, mr. F.W. Pieters, rechters in de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechters).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 20 september 2017 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak. Die procedure draagt als parketnummer 10/994532-14.

Bij gelegenheid van die behandeling hebben de raadslieden van verzoeker de wraking van de rechters verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding;

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;

- het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid “Veiligheid Odfjell Terminals Rotterdam periode 2000-2012” .

Verzoeker, de officier van justitie mr. L.W. Boogert alsmede de rechters zijn verwittigd van het tijdstip waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Ter zitting van 20 september 2007 alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen mrs. G.J.K. Elsen, F. Ahlers en officier van justitie mr. L.W. Boogert. Advocaat mr. G.J.K. Elsen heeft ter zitting het standpunt van verzoeker nader toegelicht.

De rechters zijn niet verschenen.

2 Het verzoek en de reactie daarop

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker bij monde van zijn advocaat het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

In artikel 69 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: Rijkswet OvV) staat expliciet dat door de Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: OvV) opgestelde stukken in een strafrechtelijke procedure niet als bewijs mogen worden gebruikt. Er is met de rechters geen discussie over geweest dat het rapport “Veiligheid Odfjell Terminals Rotterdam periode 2000-2012” van de OvV (hierna het OvV-rapport een door de OvV opgesteld document is in de zin van artikel 69 lid 1 aanhef en onder f Rijkswet OvV. Uit de parlementaire geschiedenis en de toelichting blijkt dat het begrip bewijs ruim moet worden uitgelegd. Een rapport van de OvV mag niet ten nadele van de verdachte worden gebruikt door de rechtbank bij de bewijsbeslissing van artikel 338 Sv en bij de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Verzoeker verwijst ter adstructie van de reikwijdte van artikel 69 Rijkswet OvV naar twee stukken van prof. mr T. Kooijmans, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, geschreven samen met twee collega’s. In het rapport van 2014 gaan zij in op het gebruik van onderzoeksinformatie en rapporten van de OvV in juridische procedures. In het verlengde daarvan hebben zij een stuk geschreven met als titel ‘Bewijsrechtelijke grenzen voor rapporten van de Onderzoeksraad voor veiligheid’, gepubliceerd in de NJB 2015/247, blz 296-305. In paragraaf 4 van voornoemd artikel is aangegeven dat belastende informatie uit een rapport van de OvV in een strafrechtelijke procedure geen rol mag spelen.

Verzoeker verwijst verder naar de memorie van toelichting II 2002-2003, 28634, nr.3 blz 33. Artikel 69 Rijkswet OvV is in het leven geroepen om tegen te gaan dat informatie van de OvV ten nadele van de betrokkene in een strafproces kan worden gebruikt. Door een amendement van de tweede kamerleden Van der Ham en Van der Staaij is in lid 1 onder f toegevoegd dat door de OvV opgestelde stukken, dus ook eindrapporten niet in een strafprocedure mogen worden gebruikt. Immers iedereen is verplicht om mee te werken aan een onderzoek door de OvV. Een onderzoek van de OvV overstijgt het strafvorderlijk en strafrechtelijk belang. Artikel 69 Rijkswet OvV werkt als een handrem: uit het feitenonderzoek van de OvV mag niets worden gebruikt in een strafproces. Indien dit niet het geval zou zijn, dan zou er weinig medewerking worden verleend aan een onderzoek door de OvV en dit zou het einde betekenen van de OvV. Verzoeker is gehoord in het kader van een onderzoek door de OvV..

Ondanks het feit dat de rechters hebben gezegd dat zij het OvV-rapport niet als bewijs gaan gebruiken, laat dit onverlet dat zij dit rapport kunnen gebruiken bij het verkrijgen van de overtuiging die is vereist voor de bewezenverklaring, zoals bedoeld in artikel 338 Sv. Het gaat verder om iedere beslissing die de rechters nemen bij de beantwoording van de vragen ex artikel 348 en artikel 350 Sv. Het rapport kan met name bij de overtuiging een grote rol spelen.

De rechtbank heeft op eigen initiatief - en zonder vooroverleg met verzoeker die daartegen juist uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt - het OvV-rapport van internet gehaald en onderdeel van het procesdossier gemaakt, terwijl de rechters op de hoogte zijn van artikel 69 Rijkswet OvV. De officier van justitie had op de zitting aangegeven dat hij het OvV-rapport in zijn requisitoir zal gebruiken, terwijl het gebruik van het rapport in belastende zin ten opzichte van verzoeker niet is toegestaan.

In het verzoek tot horen van getuigen is in een voetnoot door de advocaten van verzoeker verwezen naar het OvV-rapport. Het staat verzoeker en zijn advocaten vrij om bij een verzoek ex artikel 182 Sv te verwijzen naar het rapport, dit in tegenstelling tot de rechters. Ook in de verklaring van één getuige wordt naar het rapport verwezen.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De officier van justitie heeft aangevoerd dat verzoeker zelf het OvV-rapport te berde heeft gebracht door een verwijzing daarnaar in het verzoek tot het horen van getuigen, alsmede in het getuigenverhoor van getuige [naam]. Het rapport is openbaar en voor iedereen kenbaar is. Je kunt een stuk uit een openbare bron in je oordeelsvorming betrekken, net zoals een arrest van de Hoge Raad. Dit moet worden onderscheiden van technisch bewijs in de zin van artikel 69 van de Rijkswet OvV. Het wrakingsverzoek is puur speculatief en te snel ingediend. Er bestaat geen enkele aanleiding voor. Immers de rechters hebben aangegeven dat zij het rapport niet als bewijs tegen de verzoeker als verdachte zullen gaan gebruiken en dat ze rekening houden met artikel 69 van de Rijkswet OvV. Bovendien zullen de rechters in een uitspraak moeten aangeven welke bewijsmiddelen ze hebben gebruikt.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing. Het is niet aan de wrakingskamer om de beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. Dit geldt evenzeer voor de processuele beslissing tot het opnemen van een stuk in het procesdossier van een strafzaak.

3.3

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

3.4

Dat kan verder anders zijn indien de motivering van de aangevochten beslissing erop duidt dat de rechter zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op (betwiste doch) door hem reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel omtrent vragen die eerst bij eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Dan immers is een (al dan niet begrijpelijke) beslissing kennelijk ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.

3.5

De wrakingskamer is van oordeel dat één en ander niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Zoals de rechters in het (uittreksel van het) proces-verbaal van de zitting van 20 september 2017 hebben aangegeven en ter zitting van de wrakingskamer ook door de raadslieden van verzoeker is bevestigd, wordt naar het OvV-rapport verwezen in een verzoek tot het horen van getuigen en in het proces-verbaal van het getuigenverhoor van de getuige [naam]. In dat licht is het voegen van het rapport in het procesdossier niet onbegrijpelijk te noemen.

Het enkele feit dat de rechters kennis nemen van het eindrapport van de OvV betekent niet dat zij dit stuk bij hun oordeelsvorming als bedoeld in artikel 338 Sv en bij de beantwoording van de in de artikelen 348 en 350 Sv genoemde vragen zullen gebruiken in strijd met het voorschrift van artikel 69 Rijkswet OvV.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 september 2017 hebben de rechters ook uitdrukkelijk aangegeven dat zij dat niet zullen doen.

Daarbij is mede van belang dat de rechters zich van de inhoud en strekking van dat voorschrift bewust zijn en dat de rechters zich uit hoofde van hun professionaliteit onafhankelijk en onbevangen een oordeel dienen te vormen. Er zijn geen concrete aanwijzingen aangevoerd of aannemelijk geworden waaruit kan worden opgemaakt dat het in dit geval aan die professionaliteit zou schorten.

De wrakingskamer merkt nog op dat het rapport van de OvV een openbaar stuk is waarvan door eenieder kan worden kennis genomen.

Uit het voorgaande volgt dat uit het enkele voegen van dat rapport in het procesdossier niet blijkt van een gebrek aan onpartijdigheid, noch dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.6

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. D.J. Cohen Tervaert, mr. A. Eichperger en mr. F.W. Pieters.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. O.E.M. Leinarts en mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2017 in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-