Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7447

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
6239336 VV EXPL 17-321
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering in kort geding na opzegging (buiten proeftijd?). Werkn. heeft niet binnen twee maanden vernietiging verzocht, zodat opzegging onaantastbaar is geworden en vordering in bodemprocedure kansloos is. Vordering in kort geding daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1193

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6239336 VV EXPL 17-321

uitspraak: 18 september 2017

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaatsnaam]

eiseres bij exploot van dagvaarding van 21 augustus 2017,

gemachtigde: mr. B.P.R. Milar te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Boom Tankstation B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

gedaagde,

gemachtigde: mr. L.A. Jansen te Oud-Beijerland.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” respectievelijk “De Boom”.

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de door de gemachtigde van De Boom bij brieven van 7 en 8 september 2017 overgelegde producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2017. Verschenen zijn [eiseres] met haar partner en met mr. B.P.R. Milar als gemachtigde, alsmede De Boom bij haar gemachtigde mevrouw mr. L.A. Jansen, die zich ter zitting heeft bediend van een pleitnota. Van hetgeen ter zitting is verhandeld is aantekening gehouden.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.2

[eiseres] is per 15 mei 2017 voor de duur van een jaar in dienst getreden bij De Boom tegen een bruto salaris van € 1.432,08 per maand, bij een werkweek van 24 uur, verdeeld over drie dagen. Blijkens het schriftelijk arbeidscontract zijn partijen een proeftijd overeengekomen van een maand. Op deze arbeidsovereenkomst is de cao Tankstations en Wasbedrijven van toepassing.

2.3

Op donderdag 15 juni 2017 is tussen [H.], bestuurder van M.A.G. den Hartog Beheer B.V., de enig aandeelhouder van De Boom, en [eiseres] een correspondentie per WhatsApp-berichten gevoerd, waaraan het volgende wordt ontleend:

[eiseres] (15.51 uur):
“Ik heb even nagevraagd bij juridisch loket en me advocaat gebeld omdat ik dacht dat je 1 dag te laat ben met het contract te beëindigen. En ze zeggen dat het klopt dat je namelijk 1 dag te laat bent ermee . (…) Sta je in je gelijk oké dan neem ik er vrede mee. Maar eerlijk is eerlijk.”
[eiseres] (15.54 uur):
“Dit is dag 32. En een maand heeft geen 32 dagen.”

Den Hartog (15.58 uur):
“Als jij het niet accepteert, wil ik uitsluitend via advocaat communicatie, alles is van de week doorgegeven aan salarisadministratie en pensioenfonds. (…) Ben maandag weer aanwezig.”
[eiseres] (16.02 uur):
“Daar heb ik dan toch niks mee te maken. Vandaag heb jij pas tegen mij gezegd dat ik niet meer hoef te komen.”

2.4

De gemachtigde van [eiseres] heeft aan De Boom bij brief van 26 juni 2017 onder meer het volgende geschreven:
“(…) Uit de door cliënte aangeleverde stukken, alsmede haar toelichting, maak ik op dat ze per 15 mei 2017 bij u in dienst is getreden (…). Op 15 juni 2017 kreeg cliënte tot haar verbazing te horen dat ze op staande voet werd ontslagen. Als reden hiervoor gaf u op dat u er “geen goed gevoel” bij had. Voor cliënte is het nog altijd een raadsel wat u hiermee bedoelt. Van een dringende reden die ontslag op staande voet rechtvaardigt is in ieder geval geen sprake.

Het ontslag op staande voet houdt dan ook geen stand. Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat de proeftijd, zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, reeds was verstreken. Het stond u niet vrij cliënte per direct te ontslaan. (…)”

2.5

Bij brief van 28 juni 2017 schreef De Boom aan de gemachtigde van [eiseres] onder meer het volgende:
“(…) In het contract staat dat de eerste maand van het dienstverband voor beide partijen geldt als proeftijd. Haar laatste werkdag was 12 juni. Er is toen besloten tijdens een gesprek, om niet verder te gaan met het dienstverband. Dit is binnen de gestelde termijn van 1 maand. Hierbij wil ik opmerken dat er geen ontslag op staande voet is, maar het stopzetten van het dienstverband binnen de proeftijd. De reden van ontbinding / beëindigen was assertief gedrag. Verder wil ik hier niet over uitweiden. (…)”

3 De vordering

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: I. De Boom te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van het netto-equivalent van € 4.053,28

bruto (exclusief 2% vakantietoeslag en overige loonemolumenten) dan wel van een

ander bedrag aan achterstallig loon in goede justitie te bepalen, tegen behoorlijk

bewijs van kwijting, te voldoen binnen zeven dagen na betekening van het in dezen

te wijzen vonnis;

II. De Boom te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente en de wettelijke

verhoging over het onder I. genoemde bedrag over de verschillende momenten der

opeisbaarheid ervan, althans vanaf 15 juni 2017, althans vanaf de dag der dagvaarding, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

III. De Boom te veroordelen [eiseres] toe te laten tot het werk c.q. in staat te stellen de werkzaamheden te verrichten waartoe zij zich in het kader van haar arbeidsovereenkomst heeft verbonden onder doorbetaling van het gebruikelijk loon ad € 1.432,08 bruto per

maand (exclusief 8% vakantietoeslag en overige loonemolumenten);

IV. De Boom te veroordelen tot afgifte van deugdelijke loonspecificaties aan [eiseres], binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

V. De Boom te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde

daaronder begrepen.

Aan de vordering heeft [eiseres] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

De Boom heeft de arbeidsovereenkomst niet eerder dan op 15 juni 2017, aldus niet binnen de wettelijke proeftijdtermijn van een maand, opgezegd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is derhalve niet rechtmatig opgezegd en duurt dan ook voort. [eiseres] heeft mitsdien recht op (door)betaling van het loon en vordert een bedrag van € 4.053,28 bruto aan achterstallig loon met nevenvorderingen.

4 Het verweer

De Boom heeft de vordering betwist en heeft daartoe – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

De opzegging heeft niet pas op 15 juni 2017 plaatsgevonden, zoals [eiseres] heeft gesteld, maar al op 12 juni 2017, derhalve binnen de overeengekomen proeftijd.

5 De beoordeling

5.1

In artikel 7:671 lid 1 aanhef en onder b BW is bepaald dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij de opzegging geschiedt gedurende de proeftijd. Voorts bepaalt artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Een en ander betekent, dat (ook) een opzegging door de werkgever in strijd met een overeengekomen proeftijdbeding, zoals hier door [eiseres] is gesteld, onder de reikwijdte van artikel 7:681 lid 1 BW valt en door de kantonrechter kan worden vernietigd. Vernietiging kan uiteraard alleen in een bodemprocedure en niet bij kort geding worden uitgesproken.

5.2

Voor toewijzing van een vordering in kort geding geldt de eis, dat zij in een bodemprocedure zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Door [eiseres] is echter, daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling, verklaard dat tot op heden niet een verzoekschrift tot vernietiging van de opzegging bij de kantonrechter is ingediend. Artikel 7:686a lid 4 onder a BW bepaalt, dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen (bedoeld is: strekkende tot vernietiging van de opzegging) vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Deze bepaling geldt ook, indien het een verzoek op grond van (onder meer) artikel 7:681 lid 1, onderdeel a BW (‘in strijd met artikel 671’) betreft. Vastgesteld moet worden dat [eiseres] niet binnen de twee maanden na de opzegging een verzoekschrift tot vernietiging van die opzegging heeft ingediend, zodat die opzegging thans niet meer voor vernietiging door de kantonrechter in aanmerking kan komen en dat die opzegging dus onaantastbaar is geworden.

5.3

Dit leidt tot het oordeel dat de onderhavige vordering van [eiseres] in kort geding, die is gebaseerd op een vernietigbare opzegging, in een bodemprocedure geen enkele kans van slagen heeft, omdat [eiseres] daarin niet kan worden ontvangen. Hieruit vloeit voort dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.

5.4

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

wijst de vordering van [eiseres] af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Boom vastgesteld op € 400,00 aan salaris van de gemachtigde van De Boom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis voor wat de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

443