Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7429

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
17/5513
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Inschrijving van verzoeker aan de opleiding tot registerloods beëindigd omdat verzoeker tentamenopgaven, die door een fout van verweerder op het voor studenten vrij toegankelijke deel van de portal waren geplaatst, heeft gedownload en hij daarvan niet uit eigen beweging en in volle omvang melding heeft gemaakt. Terughoudende rechterlijke toetsing. Bij het loodswezen ligt de lat zeer hoog qua betrouwbaarheid en openheid over gemaakte fouten. Verzoeker heeft het vertrouwen van de opleiding en binnen het loodswezen verloren. Dat zijn fout mogelijk is gemaakt door de oorspronkelijke fout van verweerder doet niet af aan verzoekers eigen verantwoordelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4

zaaknummer: ROT 17/5513

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , [land] , verzoeker,

gemachtigde: mr. A.M.M. de Waal,

en

het instellingsbestuur van de Nederlandse Loodsencorporatie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.A. Kleinhout.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder overname van het advies van zijn examencommissie verzoeker op grond van artikel 4.16, achtste lid (lees: zevende lid), aanhef en onder e, van de Onderwijs- en examenregeling OTR:MMP (OER) afgewezen en zijn inschrijving aan de opleiding tot registerloods: master in maritime piloting (OTR:MMP04; hierna: de opleiding) onmiddellijk beëindigd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 18 september 2017 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. Ten aanzien van één stuk heeft verweerder in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden een beroep gedaan op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 19 september 2017 heeft de rechter-commissaris ten aanzien van dit stuk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. Verzoeker heeft ter zitting toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [persoon 1] (voorzitter van het instellingsbestuur) en [persoon 2] (voorzitter van de examencommissie).

Overwegingen

1.1.

Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

1.2.

Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, aangezien hij bij toewijzing van het verzoek nog kan deelnemen aan hertentamens in oktober en daardoor, wanneer hij in bezwaar gelijk krijgt, geen studievertraging oploopt. De door verweerder in dit verband genoemde logistieke en collegiale problemen bij het opnieuw toelaten van verzoeker tot de opleiding zijn voorstelbaar, maar niet op voorhand onoverkomelijk en leggen daarom tegenover het belang van verzoeker onvoldoende gewicht in de schaal.

2. Op grond van de gedingstukken en de door partijen ter zitting gegeven toelichting, gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende, samengevatte feiten en omstandigheden. Door een fout van een medewerkster van verweerder zijn rond 6 juli 2017 gedurende korte tijd een aantal niet voor studenten bestemde documenten – waaronder door hen nog te maken zogeheten 50%-tentamens en antwoordmodellen – op het voor studenten toegankelijke deel van de portal van de opleiding toegankelijk geweest. Verzoeker heeft op donderdag 6 juli 2017 van 9.31 tot 10.24 uur 91 documenten gedownload “om op een later moment op zijn gemak te kunnen bekijken” (verslag en advies examencommissie van 25 juli 2017). Hij wist vrijwel direct dat hij iets gezien had wat hij niet mocht zien en “bekeek het vol ongeloof” (verklaring ter zitting). Op of omstreeks 18 juli 2017 heeft verzoeker ten behoeve van een beoordelingsgesprek met de examencommissie over 6 juli 2017 schriftelijk verklaard: “Ik heb toen samen met [medestudent 1] de toetsen van de regio Scheldemonden geopend en bekeken. Hierna ben ik gaan slapen aangezien ik die avond uit rust zou komen en weer moest gaan varen. Verder niet meer over de toetsen nagedacht of er nader naar gekeken aangezien ik vol in de koppelperiode zat.” De dag erop kreeg hij omstreeks 22.00 uur via een medestudent te horen dat de portal gehackt zou zijn geweest en dat de daders een digitaal spoor hadden achtergelaten. “Na deze berichten te hebben gelezen heb ik telefonisch contact gehad met [medestudent 2] en [medestudent 1] en gezegd dat we zaterdagochtend contact zouden opnemen met [de opleidingscoördinator] om hem te vertellen hoe de vork in de steel zat.” Blijkens een verklaring van deze opleidingscoördinator [naam] van 14 juli 2017 heeft verzoeker dat die zaterdagmorgen inderdaad gedaan en verklaard dat hij op zoek was naar door hem behaalde cijfers voor eerder afgelegde toetsen.

3. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de OER wordt door de studieadviseur bij de examencommissie voor een student een beoordelingsgesprek aangevraagd als er twijfel bestaat over de studievoortgang, de geschiktheid voor het beroep of in geval van bijzondere omstandigheden. Op grond van het zesde lid kan de examencommissie bij een negatieve beoordeling het instellingsbestuur adviseren om de betreffende student af te wijzen.

Op grond van artikel 6.2, tweede lid, van de OER wordt onder geschiktheid voor het beroep ten minste verstaan het in voldoende mate beschikken over de karaktereigenschappen als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid onder c, of het zich houden aan de gedragscode als bedoeld in bijlage II van de OER.

Op grond van artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de OER moet de student in voldoende mate beschikken over de karaktereigenschappen om uiteindelijk als registerloods te kunnen optreden en functioneren. Op grond van het tweede lid, voor zover hier van belang, wordt onder deze karaktereigenschappen ten minste en in onderlinge samenhang verstaan: voldoende communicatief en stressbestendig.

In de inleiding van genoemde gedragscode is opgenomen dat het professioneel gedrag van de student wezenlijk onderdeel uitmaakt van de portfolio die de student opbouwt.

In het in de rubriek “gedrag in de praktijk” opgenomen artikel 1 van de gedragscode staat onder meer dat de student zich in het openbaar betamelijk gedraagt, geen aanstootgevend gedrag vertoont naar beroepsgenoten, andere studenten of belanghebbenden, de opleiding niet in diskrediet brengt en aantoont dat hij onder elke omstandigheid stressbestendig en voldoende communicatief is.

Ingevolge artikel 4.16, zevende lid, aanhef en onder e, van de OER, wordt de student afgewezen door het instellingsbestuur indien het advies als bedoeld in artikel 6.2, zesde lid, is overgenomen.

Ingevolge artikel 2.7, vierde lid, aanhef en onder b, van de OER wordt de inschrijving van de student beëindigd door het instellingsbestuur bij een afwijzing van de betreffende student als bedoeld in artikel 4.16, zevende lid.

4. Bij zijn beoordeling gaat de voorzieningenrechter voorbij aan een aantal door verzoeker aangevoerde formele gronden, aangezien de betreffende punten voorshands onvoldoende zwaarwegend moeten worden geacht (onder andere: het tijdsverloop bij het onderzoek door de examencommissie en het besluit van verweerder; de vooringenomenheid die zou blijken uit de formulering in de brief van de examencommissie van 14 juli 2017 waarin eiser van het beoordelingsgesprek op de hoogte werd gesteld; onvolledigheden in het verslag van de examencommissie) of in de te nemen beslissing op het bezwaar kunnen worden hersteld (met name de motivering van het besluit en de daarbij relevante bepalingen uit OER en gedragscode). Ook is niet gebleken dat verweerder een bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is verleend (détournement de pouvoir), aangezien het gedrag van verzoeker, naar tussen partijen niet in geschil is, niet valt onder de in artikel 4.9 van de OER geregelde fraude bij een examen, en daarom niet valt in te zien waarom het gedrag niet tot een beoordelingsgesprek in verband met (in elk geval) de in artikel 6.2, eerste lid, van de OER genoemde geschiktheid voor het beroep aanleiding mag geven.

5.1.

De kern van het geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel verweerders besluit als disproportioneel moet worden aangemerkt. Gelet op de aard van de beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, welke beoordeling nauw is verweven met de specifieke omstandigheden in het loodswezen, dient de rechterlijke toetsing een terughoudende te zijn.

5.2.

Verweerders besluit is ontegenzeggelijk zeer fors en ingrijpend, omdat het er feitelijk op neerkomt dat verzoeker in elk geval in Nederland nooit het door hem geambieerde beroep van loods zal kunnen uitoefenen: verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er geen andere opleidingen zijn en dat de selectiefase maar eenmaal mag worden doorlopen. Daar staat tegenover dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat ook loodsen fouten kunnen maken, maar dat met het oog op het vertrouwen dat derden in het loodswezen moeten kunnen hebben, van hen wordt verwacht dat zij daar zelf dan uit eigen beweging en in volle omvang melding van maken, in voorkomende gevallen ook bij het tuchtcollege, welke meldingen feitelijk ook plaatsvinden. Anders dan vaartechnische aspecten van het werk, waarin iemand nu juist wordt opgeleid, moeten hiertoe vereiste karaktereigenschappen als betrouwbaarheid, ook in het erkennen van fouten, en stressbestendigheid er gewoon zijn, aldus verweerder. De karaktereigenschappen worden (niet limitatief) daarom ook al genoemd in artikel 2.5 van de OER, dat gaat over de selectie-eisen. Verweerder heeft in verband met de stressbestendigheid kennelijk het oog op verzoekers reactie toen hij de gepubliceerde toetsen en antwoorden ontdekte (de stress van het “vol ongeloof” zien welke documenten hij ontdekt had en het als reactie gaan downloaden van die documenten) en heeft ter zitting voorts beklemtoond dat niet alleen bij de examencommissie en het instellingsbestuur, maar ook bij docenten en de registerloodsen met wie verzoeker nog moet varen een gebrek aan vertrouwen in verzoeker is ontstaan, waarvan volgens verweerder niet goed valt in te zien hoe het geheeld kan worden.

5.3.

Verzoeker heeft in algemene zin betoogd dat een aantal door hem over het downloaden aangesproken registerloodsen zich op het standpunt stelden dat je dat niet doet, terwijl sommige anderen aangaven dat ze hetzelfde zouden hebben gedaan. Deze algemene stelling doet naar voorlopig oordeel onvoldoende af aan het onder 5.2 geschetste totaalbeeld dat in het loodswezen de lat zeer hoog ligt qua betrouwbaarheid en openheid over gemaakte fouten. Bij de examencommissie heeft verzoeker bovendien ook zelf verklaard dat hij op basis van geruchten en verhalen van anderen bemerkte dat het vertrouwen in hem is geschaad. Het voorgaande betekent naar voorlopig oordeel dat verweerder in redelijkheid een zeer groot gewicht heeft kunnen toekennen aan de vraag of verzoeker het vertrouwen van de opleiding en binnen het loodswezen heeft verloren.

5.4.

Verweerder heeft die vraag ook in redelijkheid bevestigend kunnen beantwoorden en daartoe, zo is ter zitting gebleken, niet eens zozeer het downloaden zelf beslissend geacht, als wel het niet uit eigen beweging en in volle omvang melding maken daarvan in de dagen erna. In zijn meergenoemde schriftelijke verklaring aan de examencommissie, die verzoeker thuis en na ten minste enige overweging heeft kunnen opmaken, heeft verzoeker aan het slot opgemerkt dat hij zich slecht voelt over de situatie en had gehoopt de toetsen nooit te hebben gezien. Hij vervolgt dan evenwel: “Ik ben echter van mening dat ik niet fout heb gehandeld en de schuld niet bij ons gelegd kan worden. We hadden vrije toegang tot documenten die niet voor ons gepubliceerd zouden mogen zijn. Ik heb hiervan op vrijwillige basis melding gemaakt, rekening houdend met ons vaarschema in de koppelperiode.” Hieruit blijkt met zoveel woorden dat verzoeker ook op dat moment nog meende niet fout te hebben gehandeld. Ook is zijn verklaring, gelet op de rapportage van het door verweerder ingestelde technische onderzoek, onvolledig, waar hij stelt alleen de toetsen van de regio Scheldemonden te hebben geopend en bekeken. Ten slotte volgt uit de onder 2. geciteerde passages uit de verklaring dat geen sprake is van een melding op vrijwillige basis: verzoeker verklaart er zelfs niet meer over te hebben nagedacht en pas te hebben gereageerd naar aanleiding van berichten over een gehackt portal.

5.5.

Verzoeker heeft gelijk als hij stelt dat zijn fout mogelijk is gemaakt door de oorspronkelijke fout van verweerder, maar die omstandigheid doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid in hoe hij - in eerste instantie - omgaat met die mogelijkheid en, vooral, hoe hij daarop - in tweede instantie - al dan niet reflecteert en terugkomt. Ook de door hem naar voren gebrachte resultaten bij de selectie, een beoordeling van zijn eerdere functioneren en zijn herhaalde spijtbetuigingen doen daar niet aan af. Ten slotte heeft verweerder in zijn afweging in aanmerking mogen nemen dat verzoeker – anders dan het geval was in de door verzoeker genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 7 maart 2008 (ECLI:NL:RBBRE:2008:BD0015) – geen scholier of jonge student is, maar een volwassen man van 31 jaar, die al ten minste zeven jaar varen achter de rug heeft, die als eerste stuurman mag optreden op schepen van alle afmetingen, en die na afronding van de opleiding vanaf maart 2018 als registerloods zou hebben mogen werken.

6. Op grond van het voorgaande moet het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter ten slotte nog in aanmerking dat ook als verweerder na heroverweging in bezwaar tot een lichtere sanctie zou besluiten, er bij de thans beschikbare gegevens geen aanleiding is om te oordelen dat verzoeker bij die lichtere sanctie de 50%-tentamens in september of oktober van dit jaar had mogen afleggen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.