Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7419

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
C/10/531131 / FT EA 17/1440 en C/10/531132 / FT EA 17/1441
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek dwangakkkoord ex art. 287a Fw toegewezen, ondanks dat verzoeker maar één schuldeiser heeft.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a, geldigheid: 2017-09-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummers]

uitspraakdatum: 26 september 2017

in de zaak van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 13 juli 2017, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend om een schuldeiser, te weten:

- Rabobank Rotterdam (hierna: Rabobank);

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 12 september 2017 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    mevrouw [naam 2] , echtgenote van verzoeker;

  • -

    de heer [naam 3] ;

  • -

    de heer G.J. van Rossen, werkzaam bij Modus Vivendi (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    mevrouw mr. M.A.C. Bartelen, advocaat, namens Rabobank;

  • -

    de heer [naam 4] , werkzaam bij Rabobank.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift één concurrente schuldeiser, namelijk Rabobank. Die heeft in totaal een bedrag van € 312.668,19 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 16 mei 2017 een schuldregeling aangeboden aan Rabobank, inhoudende een betaling van 25,58% tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond: de aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn huidige, fulltime dienstbetrekking. Die afloscapaciteit is berekend aan de hand van de VLTB-normen. In die berekening is meegenomen dat verzoeker is gehuwd, zij het onder het huwelijkse voorwaarden, dat de echtgenote van verzoeker ook inkomen heeft en dat zij samen een hypothecaire lening hebben voor hun gezamenlijke woning. Jaarlijks zal er een inkomenstoets plaatsvinden en zal verzoeker telkens het inkomen dat boven het VTLB uitkomt reserveren voor Rabobank gedurende een totale periode van drie jaar. Het aangeboden percentage kan daarom ook hoger uitvallen, omdat verzoeker jaarlijks een bonus kan verdienen.

3. Het verweer

Rabobank stemt niet met de aangeboden schuldregeling in. Zij heeft een vordering van
€ 312.668,19 op verzoeker uit hoofde van borgtocht.

Rabobank heeft allereerst aangevoerd dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek. In een situatie waarin sprake is van slechts één schuldeiser kan artikel 287a Fw niet worden toegepast. Volgend de Rabobank moet daarvoor sprake zijn van meer schuldeisers waarvan één of meer schuldeisers weigeren in te stemmen met de aangeboden regeling. Daarnaast heeft de Rabobank aangevoerd dat zij alleen kunnen instemmen met een regeling als die inhoudt dat er een algehele afwikkeling c.q. beëindiging van de bancaire relatie met verzoeker plaatsvindt. Verzoeker heeft, samen met zijn echtgenote, een hypothecaire lening bij de Rabobank voor een woning die thans ‘onder water’ staat en die niet in het voorstel is betrokken. Conform het beleid van Rabobank moet die lening ook worden afgewikkeld. Rabobank meent voorts dat verzoeker, gelet op zijn huidige financiële situatie, in staat moet worden geacht om jaarlijks € 30.000,- af te lossen op de schuld. Verzoeker kan dan in zo’n tien jaar de totale schuld terugbetalen nu Rabobank bereid is de rente te bevriezen. In dat geval kan verzoeker in de woning blijven wonen en hoeft de hypothecaire lening niet te worden afgewikkeld.

4 De beoordeling

Uit de tekst van de wet volgt niet onomstotelijk dat een dwangakkoord op grond van artikel 287a Fw alleen kan worden toegewezen in een situatie waarin sprake is van meer schuldeisers waarvan er één of meer niet instemmen met het aangeboden akkoord. In dit verband wordt gewezen op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:2007) waarin wordt verwezen naar de wetsgeschiedenis om uiteindelijk tot het oordeel te komen dat pluraliteit niet noodzakelijk is voor het kunnen toepassen van artikel 287a Fw.

Uit die wetsgeschiedenis, meer specifiek de Memorie van Toelichting, blijkt dat artikel 287a Fw (onder meer) is bedoeld om het minnelijk traject met een belangrijk rechtsmiddel te versterken om zo het wettelijk traject te ontlasten. Daarbij past niet een formeel vereiste van pluraliteit van schuldeisers dat immers voor het wettelijk traject ook niet geldt. Aanknopingspunten dat desondanks toch sprake moet zijn van pluraliteit gelet op de aard van een akkoord en andere insolventieregelingen ontbreken. De conclusie luidt daarom dat artikel 287a Fw dan ook niet moet worden uitgelegd in het licht van andere insolventieregelingen en de aard van een akkoord, maar moet worden gezien als een op zichzelf staande regeling. Verzoeker is dus ontvankelijk in zijn verzoek.

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Rabobank bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Rabobank in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker.

Allereerst wordt opgemerkt dat verzoeker DGA was van een onderneming die is gefailleerd. Die onderneming had een schuld aan Rabobank. Als DGA had verzoeker zich persoonlijk borg gesteld voor de schuld van de onderneming aan Rabobank. Het faillissement van de onderneming is inmiddels afgewikkeld en er is geen sprake geweest van bestuurdersaansprakelijkheid. Uitsluitend de borgstelling is derhalve de reden voor de enorme schuldenlast die verzoeker thans heeft aan Rabobank.

Voorts heeft verzoeker onweersproken gesteld dat hij, en zijn echtgenote, altijd ervoor hebben gezorgd dat de (financiële) verplichtingen die zij hadden uit hoofde van de hypothecaire lening bij de Rabobank zijn nagekomen. Beëindiging van die lening lijkt ook niet in het belang van Rabobank te zijn: de woning staat nu ‘onder water’ en gedwongen verkoop zou leiden tot een nog grotere schuld aan Rabobank. Volledige herfinanciering bij een andere bank lijkt in de gegeven situatie immers niet heel waarschijnlijk.

Het tegenvoorstel van Rabobank dat verzoeker gedurende tien jaar maandelijks € 2.500,- ter aflossing betaalt aan Rabobank lijkt niet zonder meer reëel: verzoeker is inmiddels ruim 58 jaar en hij heeft onweersproken aangevoerd dat sprake is van een gat in zijn pensioenopbouw. Dat hij de door Rabobank voorgestelde aflossing zondermeer zal kunnen nakomen, staat daarmee allerminst vast.

De rechtbank stelt voorts vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Stroomopwaarts. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker beschikt over een fulltime baan, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat verzoeker reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting voor 36 uur per week.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor Rabobank dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de Rabobank minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen zwaarder wegen dan die van Rabobank, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om Rabobank te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Rabobank zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de Rabobank. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Rabobank om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Rabobank in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. de Winkel, rechter, en in aanwezigheid van R.I. Buitenwerf-Don, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 september 2017. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.