Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7404

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
10/741146-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nauwe en bewuste samenwerking, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/741146-17

Datum uitspraak: 7 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de:

Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. O.C. Bondam, advocaat te Wassenaar.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 juni 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Swaak heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd, waaronder een meldplicht en andere voorwaarden.

Waardering van het bewijs

Primair ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Subsidiair ten laste gelegde

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 5 april 2017 is tussen de aangever [naam slachtoffer] en de medeverdachte [naam medeverdachte] een confrontatie ontstaan. Nadat de aangever [naam medeverdachte] verdachte een klap in het gezicht geeft, probeert [naam medeverdachte] de aangever een klap terug te geven, maar dit lukt niet. De aangever komt ten val waarna [naam medeverdachte] hem een trap geeft. De aangever rent weg en [naam medeverdachte] rent hem achterna. De verdachte zet op dat moment ook een aantal stappen in de richting van de aangever, maar staakt vervolgens de ‘achtervolging’. Even later treffen [naam medeverdachte] en de aangever elkaar weer, slaat [naam medeverdachte] de aangever, geeft hij hem negen knietjes richting en tegen het hoofd. Op dat moment slaat de verdachte de aangever met de onderkant van een bierfles op de rug. Vlak daarna geeft [naam medeverdachte] met zijn rechtervuist een stoot in het gezicht van de aangever. De aangever rent weg, waarna [naam medeverdachte] hem weer benadert en een harde stomp tegen de rechterzijkant van het gezicht geeft. Hierdoor komt aangever ten val, waarna hij niet meer op staat.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het subsidiair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [naam medeverdachte] . [naam medeverdachte] en de aangever hadden ruzie en daar was de verdachte niet bij betrokken. De verdachte heeft in een opwelling de aangever een tik op de schouder gegeven. Het letsel dat nadien bij de aangever is geconstateerd, is niet veroorzaakt door de verdachte. Zijn bijdrage aan het gevecht was niet van wezenlijke aard.

Beoordeling

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de verdachte zich heeft aangesloten bij de geweldshandelingen van [naam medeverdachte] door, op het moment dat zijn medeverdachte knietjes aan aangever gaf, met een bierfles op de rug van aangever te slaan. Er was aldus sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte. De bijdrage van de verdachte aan de geweldshandelingen is daarnaast op zichzelf genomen al van voldoende gewicht. Dit gewicht wordt bovendien nog eens vergroot door de benarde positie van de aangever op het moment dat de verdachte zijn bijdrage leverde. Dat het letsel van de aangever niet door de verdachte is toegebracht maakt een en ander niet anders.

Conclusie

Het gepleegde (openlijke) geweld is in vereniging gepleegd. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 05 april 2017 te Rotterdam,

aan de openbare weg, te weten de Kruiskade,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit het meermalen met kracht

- stompen tegen het gezicht, van die [naam slachtoffer] en

- trappen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] en

- knietjes geven tegen het gezicht, althans het hoofd van die [naam slachtoffer] en

- slaan met een bierfles op de rug

van die [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander in het openbaar geweld gepleegd. Op het moment dat [naam medeverdachte] zijn woede op de aangever botvierde, sloeg de verdachte met een fles op de rug van aangever. Hierna heeft hij zijn fles leeggedronken en toegekeken hoe zijn medeverdachte de genadeklap uitdeelde aan aangever. De aangever heeft door het geweld letsel opgelopen. Het geweld vond plaats in een drukke straat op klaarlichte dag. Dit soort geweld maakt dat mensen zich op straat bang en onveilig gaan voelen.

In het voordeel van de verdachte weegt mee dat zijn aandeel in het geweld jegens aangever van beperkte omvang was en zijn bijdrage niet het letsel heeft veroorzaakt.

Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 mei 2017 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 mei 2017 waarop acht is gelagen.

Gezien de ernst van het feit, de beperkte rol van de verdachte bij de openlijke geweldpleging en het gegeven dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict kan - anders dan de officier van justitie heeft gevorderd worden volstaan met het opleggen van een taakstraf. Bij de bepaling van de duur van de taakstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 0 (nul) uren te verrichten taakstraf resteert.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. B.A. Cnossen en L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.A.M. Elst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 05 april 2017 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

(meermalen) (met kracht)

- in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer]

heeft geslagen/gestompt en/of

- in/op/tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] heeft getrapt/geschopt en/of

- knietjes in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, van die [naam slachtoffer] heeft

gegeven (terwijl hij, verdachte, daarbij het hoofd van die [naam slachtoffer]

vasthield), en/of

- met een (bier)fles op/tegen het hoofd en/of rug, althans het lichaam, van

die [naam slachtoffer] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302/45/47 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 april 2017 te Rotterdam,

op of aan de openbare weg, te weten de Kruiskade, in elk geval op of aan een

openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit het

(meermalen) (met kracht)

- slaan/stompen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van

die [naam slachtoffer] en/of

- trappen/schoppen in/op/tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] en/of

- knietjes geven in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd van die [naam slachtoffer]

(terwijl hij, verdachte, daarbij het hoofd van die [naam slachtoffer] vasthield) en/of

- slaan met een (bier)fles op/tegen het hoofd en/of rug, althans het lichaam,

van die [naam slachtoffer] ;

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)