Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7402

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
C/10/525900 / HA ZA 17-415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verevening pensioengelden tussen ex-echtelieden op basis van de Wet Verevening Pensioenrechten ter zake van een buitenlandse pensioenregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/525900 / HA ZA 17-415

Vonnis van 27 september 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende op een geheim adres,

eiseres,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.W. Huijzer te Papendrecht.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties

  • -

    het herstelexploot

  • -

    de conclusie van antwoord, met productie

  • -

    de brief van de rechtbank van 13 juli 2016

  • -

    de brief met producties 7 en 8 van de vrouw

  • -

    de brief met productie 2 van de man

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 september 2016

  • -

    de akte houdende overlegging producties, met een productie-overzicht en een B6-formulier van de man

  • -

    de akte uitlating van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 2 september 1976 te Rotterdam met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 22 november 2000 door echtscheiding ontbonden. Deze beschikking is op 1 maart 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Dordrecht.

2.2.

In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de door partijen opgebouwde ouderdomspensioenrechten dienen te worden verevend conform de Wet Verevening Pensioenrechten (verder: Wvps) en de man bevolen daaraan zijn medewerking te verlenen.

2.3.

De man heeft van 1988 tot 2007 bij Stolt-Nielsen (of diens rechtsvoorganger) gewerkt.

2.4.

De man is sinds 1 januari 1993 bij een Zwitserse pensioenverzekeraar, te weten Pax, Sammelstiftung BVG (verder: Pax) verzekerd. De man heeft op voornoemde datum een zogenaamd “Freizügigkeits-bedrag” van CHF 27.648,00 ingebracht.

2.5.

De afkoopwaarde van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen zou bij uittreden uit het pensioenfonds per 1 maart 2001 (de datum van de echtscheiding) CHF 119.729,40 hebben bedragen. De man is niet per voornoemde datum uit het pensioenfonds uitgetreden.

2.6.

De man heeft op 30 mei 2007 de 65-jarige leeftijd bereikt.

2.7.

Aan de man is jaarlijks sinds juni 2007 een brutobedrag van CHF 14.442,00 uitbetaald ter zake van zijn pensioen. Dit betreft een maandelijks brutobedrag van CHF 1.203,50.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat - om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. primair de man te veroordelen om aan de vrouw € 54.804,59 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente,

  2. subsidiair - indien en voor het geval de man aantoont dat het pensioenbedrag niet reeds ineens aan hem zou zijn uitgekeerd - de man te veroordelen te bewerkstelligen dat het buitenlands uitvoeringsorgaan het aan de vrouw toekomend bedrag van € 54.804,59 rechtstreeks uitbetaalt, op straffe van een dwangsom,

  3. meer subsidiair - voor het geval dat de man aantoont dat van betaling ineens geen sprake is geweest en dat daarvan geen sprake meer zal zijn - de man te veroordelen het aan de vrouw toekomende bedrag ter zake van de reeds verstreken termijnen van het opgebouwde pensioen ineens aan de vrouw te betalen, alsmede de man te veroordelen tot verevening van de nog niet verstreken termijnen van het opgebouwde pensioen met de aan de vrouw toekomend bedrag, op straffe van een dwangsom,

  4. de man te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op grond van de Wvps aanspraak heeft op de helft van de door de man gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken. De tijdens de huwelijkse periode opgebouwde pensioenaanspraken van de man bedragen CHF 119.729,40, dit is € 109.609,18. Zij maakt aanspraak op de helft daarvan, te weten € 54.904,59. In de echtscheidingsbeschikking is overwogen dat de man het pensioenbedrag ineens uitbetaald zou krijgen als hij van werkgever zou veranderen. De vrouw stelt dat, voor zover de man van werkgever is veranderd, zij jegens de man recht heeft op betaling van voornoemd bedrag. Voor zover de man niet van werkgever is veranderd, dient de man te bewerkstelligen dat Pax het aan de vrouw toekomende bedrag rechtstreeks aan haar uitbetaalt. Als dat niet mogelijk is dient de man het aan de vrouw toekomende bedrag ter zake van de reeds verstreken termijnen van het opgebouwde pensioen ineens aan de vrouw te betalen, alsmede dient de man de nog niet verstreken termijnen van het opgebouwde pensioen te verevenen met de aan de vrouw toekomend bedrag.

3.3.

De man heeft tegen de vordering verweer gevoerd en concludeert tot niet ontvankelijk verklaring althans tot afwijzing van de vordering van de vrouw. Op dit verweer zal hierna voor zover van belang worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Nederlands recht, nu niet gesteld of gebleken is van een rechtskeuze voor een ander rechtsstelsel of dat het buitenlands recht om een andere reden van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.

Indien, zoals hier, Nederlands recht het huwelijksvermogensregime van echtgenoten beheerst, is in beginsel de Wvps van toepassing.

In artikel 1 lid 8 Wvps is bepaald dat deze wet ook van toepassing is op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling. In dit geval is sprake van een buitenlandse pensioenregeling, nu het een pensioenregeling betreft die wordt uitgevoerd door een buitenlands uitvoeringsorgaan, te weten door het in Zwitserland gevestigde Pax en de pensioenregeling niet is aan te merken als een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 leden 4 tot en met 6 van de 6 Wvps.

4.2.

Uit artikel 1 lid 8 Wvps volgt dat de echtgenoot die recht op verevening heeft, geen recht verkrijgt op uitbetaling van een deel van dat pensioen jegens het buitenlands uitvoeringsorgaan, doch slechts een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot.

4.3.

Nu de vrouw geen recht heeft op rechtstreekse uitbetaling door Pax, valt niet in te zien dat de man dat wel kan bewerkstelligen. Daartoe heeft de vrouw ook geen feiten of omstandigheden gesteld. Gelet hierop ligt de subsidiaire vordering van de vrouw om de man te veroordelen er aan mee te werken dat Pax het aan de vrouw toekomende bedrag rechtstreeks uitbetaalt aan de vrouw reeds voor afwijzing gereed.

4.4.

Ter zitting heeft de man zich bereid verklaard om het aandeel van de vrouw in de maandelijkse uitkeringen vanaf heden te betalen. De rechtbank begrijpt hieruit dat de man het eerder door hem gevoerde verweer dat de vrouw haar vorderingsrecht niet meer geldend kan maken, heeft ingetrokken. Dit verweer behoeft derhalve geen behandeling meer.

Voor zover de man (ter zitting) heeft aangevoerd dat de vordering van de vrouw pas opeisbaar is zodra zij zelf de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt omdat de aanspraken tussen partijen op pensioen dan onderling dienen te worden verrekend, vindt dit standpunt geen steun in de wet en behoeft verder geen bespreking.

4.5.

Ter beoordeling liggen thans nog voor de primaire vordering van de vrouw tot veroordeling van de man tot betaling van het aan de vrouw toekomend bedrag ineens, en de meer subsidiaire vordering tot veroordeling van de man tot betaling van het aan de vrouw toekomend bedrag ineens ter zake van de reeds verstreken termijnen, alsmede tot veroordeling van de man tot verevening van het bedrag aan nog niet verstreken pensioentermijnen die aan de man toekomen met de aan de vrouw toekomend bedrag.

4.6.

Tussen partijen is in geschil wat het aan de vrouw toekomend deel van de pensioenaanspraken van de man is en op welke wijze dit deel dient te worden betaald. De volgende vragen dienen daartoe te worden beantwoord:

  1. Op welke periode heeft het vorderingsrecht van de vrouw betrekking?

  2. Kan het aan de vrouw toekomend deel van de (maandelijkse) pensioenaanspraken van de man worden vastgesteld en zo ja wat is het aan de vrouw toekomend deel van de (maandelijkse) pensioenaanspraken van de man dan?

  3. Heeft de vrouw recht op betaling ineens jegens de man van het haar toekomend deel van de (maandelijkse) pensioentermijnen?

  4. Zo nee, heeft de vrouw met terugwerkende kracht recht op betaling ineens jegens de man op het haar toekomend deel van de reeds verstreken (maandelijkse) pensioentermijnen en heeft de vrouw recht op betaling jegens de man van het haar toekomend deel van de toekomstige (maandelijkse) pensioentermijnen? Zo ja, kan de hoogte van de aan de vrouw uit te keren bedragen worden vastgesteld?

4.7.

Gelet op artikel 1 lid 1 onder b Wvps geldt als tijdstip van de scheiding 1 maart 2001, nu op voornoemde datum de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Vast staat derhalve dat het huwelijk van partijen duurde van 2 september 1976 tot 1 maart 2001 en dat het vorderingsrecht ziet op voornoemde periode waarin de man pensioenaanspraken heeft opgebouwd. In dit verband is dus niet relevant zoals door de man is aangevoerd dat de vrouw de echtelijke woning eerder zou hebben verlaten en de huwelijkse periode dus feitelijk korter zou zijn geweest.

4.8.

Gelet op artikel 2 lid 2 Wvps heeft de vrouw recht op uitbetaling van een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het pensioen. Gelet op artikel 3 Wvps betreft het deel de helft van het pensioen, waarbij de berekening van het te verevenen pensioen moet plaatsvinden op basis van de veronderstellingen die in lid 1 onderdeel a, b en c van voornoemd artikel zijn geformuleerd. In de onderhavige zaak kan op basis van de in voornoemd artikel geformuleerde veronderstellingen het pensioen dat zou worden uitbetaald worden berekend en dus ook het deel waarop de vrouw recht heeft. Vast staat immers dat de opgebouwde afkoopwaarde van het pensioen tijdens het huwelijk van partijen bij uittreden uit het pensioenfonds per 1 maart 2001 (de datum van de echtscheiding) een brutobedrag van CHF 119.729,40 zou hebben bedragen als de man per voornoemde datum uit het pensioenfonds zou zijn getreden. In beginsel heeft de vrouw recht op de helft van voornoemd nettobedrag. Immers de man zal over de door hem te ontvangen brutobedragen aan pensioengelden inkomstenbelasting zijn verschuldigd.

4.9.

Beoordeeld dient te worden of de man kan worden veroordeeld tot betaling ineens van het haar toekomende deel zoals door de vrouw is gevorderd. De vrouw heeft daaraan ten grondslag gelegd dat voor zover de man de pensioenaanspraken ineens uitgekeerd heeft gekregen, zij recht heeft op betaling van het haar toekomende deel ineens.

De man heeft dit gemotiveerd weersproken en in dit verband aangevoerd dat hij het pensioen niet heeft afgekocht. Bij deze omstandigheid is er geen aanleiding om de man tot betaling van het bedrag ineens te veroordelen. Het primair gevorderde dient derhalve te worden afgewezen.

4.10.

De vrouw heeft wel recht op betaling ineens jegens de man van het haar toekomend deel van de reeds verstreken (maandelijkse) pensioentermijnen. Immers de man heeft deze bedragen reeds ontvangen en de vrouw heeft recht op betaling van haar deel. Ook heeft de vrouw recht op betaling door de man van het haar toekomend deel van de toekomstige (maandelijkse) pensioentermijnen.

4.11.

Op grond van de door partijen overgelegde stukken kan de hoogte van die bedragen niet worden vastgesteld en is het bedrag waar de vordering op ziet onbepaald. Vast staat immers dat de man niet per datum echtscheiding uit het pensioenfonds is getreden. Tussen maart 2001 tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in juni 2007 heeft er dus mogelijk een vermogensgroei van de pensioenaanspraken kunnen plaatsvinden. Als door de man gesteld en niet verder betwist door de vrouw staat vast dat aan de man jaarlijks sinds juni 2007 een brutobedrag CHF 14.442,00 wordt uitbetaald ter zake van zijn pensioen en dat dit een maandelijks brutobedrag van CHF 1.203,50 betreft. Nu echter niet vast staat met welk bedrag de pensioenaanspraken van de man in de na-huwelijkse periode van 1 maart 2001 tot juni 2007 is toegenomen, welke vermogensgroei alleen aan de man toekomt en dus afgescheiden dient te worden van de te verrekenen pensioenuitkering, kan thans niet worden vastgesteld welk percentage van de pensioenaanspraken (met terugwerkende kracht) aan de vrouw toekomt. Voorts dient bij het bepalen van het aan de vrouw toekomend bedrag rekening te worden gehouden met de eventuele fiscale consequenties voor de man van het ineens uit te keren bedrag over 2007 tot heden. Immers, de man heeft vanaf 2007 brutobedragen uitgekeerd gekregen en is daarover inkomstenbelasting verschuldigd geweest.

4.12.

De man zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte zich uit te laten over het percentage van het (maandelijks) bedrag van de pensioenuitkering dat betrekking heeft op de na-huwelijkse periode en over de eventuele fiscale consequenties zoals in de vorige rechtsoverweging vermeld en zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen. De vrouw zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te reageren.

4.13.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 25 oktober 2017 voor het nemen van de man van een akte zoals onder 4.12. is bepaald,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.

1287 / 2294