Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7399

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
C/10/503640 / HA ZA 16-581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zeevervoer. Cognossementsvervoer. Ladingschade. Actief- en passieflegitimatie. Toepasselijk recht op passieflegitimatie. Art. 10:162 lid 1 BW. Niet-toepasselijkheid Rome I-Verordening op passieflegitimatie. Bewijsopdracht aan actief gelegitimeerde eiseressen dat de diepvriesproducten in vervoersgeschikte staat door de vervoerder ten vervoer in ontvangst zijn genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/503640 / HA ZA 16-581

Vonnis van 27 september 2017

in de zaak van

1. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

ETABLISSEMENTS BARGIBANT S.A.,

gevestigd te Noumea, Nieuw-Caledonië,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

CHUBB INSURANCE COMPANY OF AUSTRALIA LIMITED,

gevestigd te Melbourne, Australië,

eiseressen,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap naar het recht van Curaçao,

SEATRADE GROUP N.V.,

gevestigd te Willemstad, Curaçao,

2. de naamloze vennootschap naar het recht van Curaçao,

BALTIC KLIPPER SHIPPING COMPANY N.V.,

gevestigd te Willemstad, Curaçao,

gedaagden,

advocaat mr. R.L. Latten te Rotterdam.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk Bargibant respectievelijk Chubb genoemd worden en gezamenlijk Bargibant c.s., gedaagden afzonderlijk Seatrade respectievelijk Baltic Klipper Shipping en gezamenlijk Seatrade c.s..

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 maart 2016;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Bargibant, met producties 1-5;

  • -

    de incidentele conclusie tot stellen van zekerheid voor proceskosten ex art. 224 Rv tevens conclusie van antwoord, met producties 1-10;

  • -

    het tussenvonnis (de brief) van 9 november 2016 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de zittingsagenda;

  • -

    de brief van de advocaat van Bargibant c.s. van 3 januari 2017, met producties 6-7;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 januari 2017;

  • -

    de brief van de advocaat van Seatrade c.s. van 18 januari 2017, met de ontbrekende p. 4 van productie 9 van Seatrade c.s.

  • -

    de brief van 31 januari 2017 van de advocaat van Bargibant c.s. met betrekking tot het proces-verbaal;

  • -

    de brief van 2 februari 2017 van de advocaat van Seatrade c.s. met betrekking tot het proces-verbaal;

  • -

    producties 8-10 van Bargibant c.s.;

  • -

    de akte van Bargibant c.s. houdende overlegging productie alsmede akte houdende toelichting op de omvang van de schade;

  • -

    de akte uitlaten producties, tevens antwoordakte van Seatrade c.s.

1.2.

Het door Seatrade c.s. opgeworpen incident tot het stellen van proceskostenzekerheid ex artikel 224 Rv is op eenstemmig verzoek van partijen ingetrokken op de rol van 19 oktober 2016.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Voor het vervoer van een reefer container met een zending diepvriesproducten - het gaat om 2.776 ‘colis surgelés’ (vrij vertaald: ‘bevroren dozen’) - per m.s. “Baltic Klipper” (hierna: de “Baltic Klipper”), waarvan Baltic Klipper Shipping eigenaar is, van Radicatel in Frankrijk naar Noumea in Nieuw-Caledonië is op 8 oktober 2014 op een formulier van Seatrade een cognossement afgegeven met nummer SGNV116RAD408048. Op het cognossement staat SAGA France Dunkerque als “Shipper” vermeld en Bargibant als “consignee”. Het cognossement is ondertekend/gestempeld door het Franse bedrijf Sea Shipping Services “as agent to carrier” “for/by the Master”. Als (temperatuur)instructie is in het cognossement “Reefer settings -20°C Ventilation closed Floor drains open” vermeld.

2.2.

De reefercontainer waarin de zending diepvriesproducten was beladen is op of omstreeks 8 oktober 2014 in de haven van Radicatel aan boord van de “Baltic Klipper” geladen.

2.3.

Op 10 oktober 2014, gedurende de zeereis, bleek de reefer container niet meer te functioneren als gevolg van een defecte controller. Tijdens de passage van het Panamakanaal op 19 oktober 2014 is de controller vervangen en functioneerde de reefer container weer.

2.4.

De zending diepvriesproducten is op 5 november 2014 in beschadigde staat gelost in de haven van Noumea. Vervolgens zijn de diepvriesproducten op last van de autoriteiten van Nieuw-Caledonië vernietigd.

2.5.

Van de op de achterzijde van deze cognossementen vermelde cognossementscondities (“conditions of carriage”) maken - voor zover thans relevant - de volgende bepalingen deel uit:

“1. DEFINITIONS

In this Bill of Lading on the front and on the reverse, the terms mentioned hereunder shall have the following meaning:

( a) ‘Carrier’ shall mean the party on whose behalf the bill has been signed.

[…]

18. IDENTITY OF CARRIER

  • -

    The contract evidenced hereby is between the merchant and the owner of the Vessel named herein [..] and it is therefore agreed that said shipowner only shall be liable for any damage or loss due to any breach or non-performance of any obligation arising out of the contract of carriage, whether or not relating to the Vessel’s seaworthiness. If, despite the foregoing, it is adjudged that any other is a Carrier [..], all limitiations of and exonerations from, liablity provided for by laws or hereby shall be available to such other.

  • -

    It is further understood and agreed that as the company or Agents who has executed this Bill of Lading for and on behalf of the Master is not a principle in the transaction, said company or Agents shall not be under any liability arising out of the contract of carriage, [.] as Carrier [..].”

3 Het geschil

3.1.

Bargibant c.s. vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. Seatrade c.s., althans één van hen, veroordeelt tot betaling aan Chubb, althans aan Bargibant, van € 75.850,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van lossing van het schip, te weten 5 november 2014, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van de algehele voldoening;

  2. Seatrade c.s., althans één van hen, veroordeelt tot betaling aan Chubb, althans aan Bargibant, van € 976,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening;

  3. Seatrade c.s., althans één van hen, veroordeelt tot betaling aan Chubbb, althans aan Bargibant, van de door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 1.788,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening;

  4. Seatrade c.s., althans één van hen, veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis tot de dag van de algehele voldoening.

3.2.

Hieraan leggen Bargibant - samengevat - de volgende stellingen ten grondslag:

  • -

    Bargibant is belanghebbende bij de zending diepvriesproducten;

  • -

    Het onderhavige cognossement is een naamcognossement dat op naam is gesteld van Bargibant; Bargibant heeft het cognossement ontvangen en gepresenteerd en is derhalve recht- en regelmatig houder hiervan;

  • -

    Chubb is de verzekeraar van Bargibant; ook zij is vorderingsgerechtigd, omdat zij in de rechten van Bargibant is getreden;

  • -

    Aangezien het cognossement is afgegeven op het formulier van Seatrade, kan Seatrade op grond van artikel 8:461 BW worden aangemerkt als vervoerder onder cognossement;

  • -

    Mogelijk heeft Sea Shipping Services het cognossement getekend namens de eigenaren (Owners) van de “Baltic Klipper”; om die reden richten Bargibant c.s. hun vordering eveneens tegen Baltic Klipper Shipping;

  • -

    Op het onderhavige vervoer zijn de Hague-Visby Rules (HVR) van toepassing, aangezien het cognossement is uitgegeven in een land dat hierbij partij is;

  • -

    De zending diepvriesproducten verkeerde bij inlading in goede staat maar is in slechte staat aangekomen, zodat Seatrade c.s. voor deze schade (hoofdelijk) aansprakelijk zijn;

  • -

    De totale door Bargibant c.s. geleden schade bedraagt € 75.850,34;

  • -

    Chubb heeft een bedrag van A$ (Australische dollars) 122.187,34 uitgekeerd aan Bargibant en is ten belope van dit bedrag getreden, als gezegd, in de rechten van Bargibant; om formele verweren te voorkomen is de onderhavige vordering tevens op naam van Bargibant ingesteld;

  • -

    Bargibant en Chubb zijn overeengekomen dat betaling kan plaatsvinden aan Chubb.

3.3.

Seatrade c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Bargibant c.s., met veroordeling van Bargibant c.s. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de proceskosten en de nakosten.

3.4.

Op de argumenten van Seatrade c.s. wordt hierna, voor zover zij van belang zijn, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De bevoegdheid van deze rechtbank

4.1.

Hier is sprake van een internationale c.q. interregionale zaak, onder meer omdat Bargibant en Chubb, eiseressen, buiten Nederland woonplaats hebben. Daarom moet allereerst bezien worden of deze rechtbank internationaal c.q. interregionaal bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van Bargibant en Chubb tegen beide gedaagden, Seatrade en Baltic Klipper Shipping.

4.2.

Curaçao, waar beide gedaagden gevestigd zijn, maakt geen deel uit van dat deel van het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden waar een internationale regeling, zoals een verordening of een verdrag, inzake de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke- en handelszaken geldt. Dat betekent dat de vraag of deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Seatrade en Baltic Klipper Shipping beantwoord moet worden volgens de regels van Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zoals de artikelen 1-13 Rv. Aangezien deze rechtbank in het cognossement als forum is aangewezen en Seatrade en Baltic Klipper Shipping de bevoegdheid van deze rechtbank niet hebben betwist, is deze rechtbank op grond van een (stilzwijgende) forumkeuze in de zin van artikel 8, althans 9, aanhef en onder a, Rv (jo. art. 110 lid 1, eerste volzin, Rv) bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Bargibant c.s. tegen Seatrade en Baltic Klipper Shipping.

Vorderingsgerechtigdheid van Bargibant c.s., actief- en passieflegitimatie

(i) inleiding

4.3.

Niet in geschil is dat Bargibant actief gelegitimeerd is en dat Seatrade passief gelegitimeerd is. Op de comparitiezitting bleken partijen niet bereid om af te spreken dat slechts één van de eiseressen vorderingsgerechtigd is en dat slechts één van de gedaagden als vervoerder onder cognossement kan worden aangemerkt. Derhalve dient de rechtbank te onderzoeken of ook Chubb actief en ook Baltic Klipper Shipping passief gelegitimeerd is.

(ii) vorderingsgerechtigdheid van Chubb

4.4.

Bij conclusie van antwoord hebben Seatrade c.s. betwist (a) dat Chubb in de rechten van Bargibant is getreden, althans dat Chubb in eigen naam, als beweerd gesubrogeerde verzekeraar, een procedure kan beginnen, alsmede (b) dat Chubb de verzekeraar is en (c) dat werd uitgekeerd door Chubb. Bargibant c.s. hebben vervolgens bij de hiervoor in 1.1 genoemde brief van 3 januari 2017, ter onderbouwing van hun stelling “[d]at Chubb in de rechten van Bargibant is gesubrogeerd, althans dat Bargibant haar rechten aan Chubb heeft overgedragen”, de volgende, van 9 februari 2016 daterende, overeenkomst tussen Bargibant en Chubb in het geding gebracht, die is afgedrukt op briefpapier van Chubb:

SETTLEMENT AGREEMENT

This is an Agreement between ETS Bargibant and Chubb Insurance Company of Australia Limited (“Chubb”).

ETS Bargibant have received from Chubb Insurance Company of Australia Limited compensation in the amount of A$ 122,187.34 in full and final settlement of a claim under policy of insurance numbered 93408124 in respect of loss and/or damage to a consignment of food in transit between Dunkirk, France and Noume, New Caledonia under bill of lading numbered SGNV116RAD408048.

In consideration of the above payment, we hereby assign all our rights of proceeds, salvage or recoveries from third party to we ETS Bargibant shall subrogate to Chubb Insurance Company of Australia Limited.

We agree to assist Chubb Insurance Company of Australia Limited in effecting such recovery and to execute any documents which may be necessary to enable Chubb Insurance Company of Australia Limited to proceed, including any pleadings, court documents or releases which Chubb requests us to execute.

ETS Bargibant or anyone acting in their name, or on their behalf, or a successor or assignee of the Consignee or Insured, will not bring or continue any other claim against Chubb Insurance Company of Australia Limited that is in any way connected with the loss incurred in respect of this shipment that gave rise to the claim under the policy.”

Na overlegging van deze overeenkomst betwisten Seatrade c.s. niet langer dat Chubb de verzekeraar is(was) van Bargibant en dat Chubb heeft uitgekeerd aan Bargibant. In geschil blijft dus nog of Chubb door deze uitkering in de rechten van Bargibant is getreden. Evenals Seatrade c.s. gaat de rechtbank er vooralsnog van uit dat op de verzekeringsrelatie tussen Chubb en Bargibant het in het Engelse c.q. Australische recht besloten liggende beginsel van toepassing is dat door een verzekeraar die heeft uitgekeerd aan zijn verzekerde geen vordering in eigen naam kan worden ingesteld. In zoverre is Chubb dan ook niet vorderingsgerechtigd. De feiten en producties die Bargibant c.s. ten grondslag leggen aan hun stelling dat Bargibant haar rechten aan Chubb heeft overgedragen (gecedeerd) zijn door Seatrade c.s. echter niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist, zodat in ieder geval deze overdracht (cessie) is komen vast te staan. Naast Bargibant is derhalve ook Chubb vorderingsgerechtigd.

4.5.

Daarentegen verschillen partijen nog steeds van mening over de vraag of Baltic Klipper Shipping passief gelegitimeerd is. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

(iii) het toepasselijke recht op passieflegitimatie

4.6.

Het antwoord op de vraag welk recht van toepassing is op passieflegitimatie volgt uit de in artikel 10:162 lid 1 BW terzake opgenomen conflictregel:

Bij vervoer van zaken onder cognossement, wordt de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden, naast degene die het cognossement ondertekende of voor wie een ander het ondertekende, een derde als vervoerder onder het cognossement verbonden of gerechtigd is […] beantwoord naar het recht van de staat waarin de haven gelegen is, waar uit hoofde van de overeenkomst moeten worden gelost, ongeacht een door de partijen bij de vervoerovereenkomst gedane rechtskeuze.

Aangezien de overeengekomen loshaven, Noumea, gelegen is in Nieuw-Caledonië, dient deze vraag beantwoord te worden naar het recht van Nieuw-Caledonië. De rechtbank volgt Bargibant c.s. niet in hun standpunt dat het toepasselijk recht op de actief- en passieflegitimatie uit de Rome I-Vo volgt en derhalve niet uit het van het Nederlandse commune internationaal privaatrecht deel uitmakende artikel 10:162 BW. De actieflegitimatie van een partij betreft haar vorderingsgerechtigdheid, die niet geregeld is in de Rome I-Vo. Vergelijk artikel 1 lid 2 sub a en artikel 12 Rome I-Vo. Mede tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom de vraag van de passieflegitimatie, dat wil zeggen, de vraag of een partij heeft te gelden als vervoerder onder cognossement, daarentegen wél wordt geregeld door de Rome I-Vo. Daar komt bij dat op het gebied van “vervoer” de Rome I-Vo alleen maar conflictregels bevat die de “de overeenkomst voor het vervoer” betreffen; zie artikel 5 Rome I-Vo (gelezen in onderling verband en samenhang met artikel 12 Rome I-Vo). In de verwijzing door de advocaat van Barbigant c.s. op de comparitiezitting naar pagina 210 van J. Kruit, General Average, Legal Basis and Applicable Law (diss. 2017) en naar pagina’s 155-159 van het artikel van Olaf Hartenstein in jaargang 2008 van het tijdschrift Transportrecht ziet de rechtbank geen aanleiding haar visie in dezen te herzien.

(iv) passieflegitimatie naar het recht van Nieuw-Caledonië

4.7.

Partijen, eerst Bargibant c.s., zullen zich bij conclusie na enquête kunnen uitlaten over de inhoud van het recht van Nieuw-Caledonië inzake passieflegitimatie, welk recht ook van toepassing is op de hiervoor in 2.5 genoemde identity of carrier-clause, waarvan Seatrade c.s. de rechtsgeldigheid betwisten.

Toepasselijk recht op de vervoerovereenkomst

4.8.

Van de cognossementscondities maakt de volgende ‘paramount clause’ deel uit - aangehaald voor zover relevant:

“Subject to article 12 [betreffende ‘DECK GOODS AND LIVE STOCK’; Rechtbank] and to par (3) [betreffende ‘Combined Transport’; Rechtbank] of this article below, this Bill of Lading in sofar as it relates to Sea Carriage shall have effect subject to the Hague Rules or any legislation making such Rules or the Hague-Visby Rules compulsorily applicable (such as COGSA or COGWA) to this Bill of Lading and the provisions of the Hague Rules or applicable legislation shall be deemed incorporated herein. […] Where the Hamburg Rules apply, same shall be deemed incorporated herein, but only to the extent that the said Rules apply compulsorily.”

Nederland is thans partij bij het gewijzigd Brussels Cognossementsverdrag (hierna: de Hague-Visby Rules) en sinds (omstreeks) 26 april 1983 niet langer gebonden aan het (oorspronkelijke) Brussels Cognossementsverdrag (hierna: de Hague Rules). De voorwaarden voor de dwingendrechtelijke toepasselijkheid van de Hague-Visby Rules zijn onder meer neergelegd in het derde lid van artikel 8:371 BW:

De artikelen 1 tot en met 9 van het gewijzigd Verdrag worden toegepast op elk cognossement, dat betrekking heeft op vervoer van zaken tussen havens in twee verschillende staten, indien:

  1. het cognossement is uitgegeven in een verdragsstaat, of

  2. het vervoer plaats vindt vanuit een haven in een verdragsstaat, of

  3. de overeenkomst die in het cognossement is vervat of daaruit blijkt, bepaalt, dat op die overeenkomst toepasselijk zijn de bepalingen van het gewijzigd Verdrag of van enigerlei wetgeving, welke die verdragsbepalingen van kracht verklaart of in andere vorm of bewoordingen heeft overgenomen, ongeacht de nationaliteit van het schip, de vervoerder, de afzender, de geadresseerde of van iedere andere betrokken persoon.

In de onderhavige zaak is het cognossement afgegeven in Frankrijk en heeft het zeevervoer bovendien plaatsgevonden vanuit een haven in Frankrijk, Radicatel/Le Havre, zodat voldaan is aan bovengenoemde vereisten voor dwingendrechtelijke toepasselijkheid van de Hague-Visby Rules op de onderhavige zeevervoerovereenkomst. Partijen zijn het daar ook over eens. Verder is ingevolge de in artikel 5 van de cognossementsvoorwaarden opgenomen rechtskeuze, die voldoet aan artikel 3 Rome I-Vo, Nederlands recht toepasselijk op aangelegenheden die niet zijn geregeld in de cognossementsvoorwaarden. Ook daar zijn partijen het over eens.

Vervoerdersaansprakelijkheid van Seatrade c.s.

4.9.

Voor zover, zoals Bargibant c.s. stellen en Seatrade c.s. betwisten, de diepvriesproducten in vervoersgeschikte staat in ontvangst zijn genomen, zijn Seatrade c.s. in beginsel aansprakelijk voor de onderhavige schade aan de diepvriesproducten, nu tussen partijen vaststaat dat na lossing in Noumea bleek dat ze volgens de lokale autoriteiten niet meer geschikt voor menselijke consumptie waren. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op Bargibant c.s. de bewijslast van deze stelling.

4.10.

Bargibant c.s. zijn vooralsnog niet geslaagd in hun bewijs dat de diepvriesproducten in vervoersgeschikte staat door de vervoerder in ontvangst zijn genomen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Ter onderbouwing van deze stelling hebben Bargibant c.s. als productie 8 een e-mail in het geding gebracht van 10 januari 2017 van Jean Bustori (hierna: Bustori), commercieel directeur van Gelazur International Seafood (hierna: Gelazur), aan medewerkers van Bargibant, waarin Bustori het volgende mededeelt - aangehaald voor zover relevant:

“In relation with your question we can confirm that the goods have been delivered by our carrier at
-18 degrees Celsius

To the cold storage SEAFRIGO BARBE LE HAVRE without any problems or reserves taken by the coldstorage on CMR AT THE TIME OF UNLOADING THE PALETTS.

In consequence the goods have been received clean for shipment to destination.”

Vast is komen te staan dat op of omstreeks 3 oktober 2014 de onderhavige reefercontainer, met het nummer CRSU615350-7, in Le Havre bij Seafrigo, dat wil zeggen: Seafrigo Logistique S.A.S., is ‘gestuffed’ (geladen) met de diepvriesproducten en verzegeld met een zegel met nummer 0847367. Bovengenoemde e-mail van Bustori heeft betrekking op het vervoer over de weg van de diepvriesproducten naar deze locatie van Seafrigo in Le Havre, voor welk wegvervoer blijkens deze e-mail een CMR-vrachtbrief zou zijn afgegeven. Gelazur, het bedrijf waar Bustori werkzaam is, was de verkoper van de diepvriesproducten, niet tevens de wegvervoerder, zo is niet in geschil tussen partijen. Hetgeen namens Gelazur in deze e-mail door Bustori wordt verklaard berust dan ook, waar Seatrade c.s. terecht op wijzen, niet op een eigen waarneming van Bustori (Gelazur), nu het tegenovergestelde gesteld noch gebleken is, nog daargelaten dat de in de e-mail bedoelde CMR-vrachtbrief niet in het geding is gebracht. Deze e-mail vormt dan ook een onvoldoende basis voor de stelling van Bargibant c.s. dat de diepvriesproducten in vervoersgeschikte staat in ontvangst zijn genomen. Nu de producten zich in een verzegelde container bevonden, levert ook geen bewijs op het feit dat op het cognossement geen bemerking is geplaatst, nog daargelaten de daarin opgenomen onbekendheidsclausule.

4.11.

Overeenkomstig hun bewijsaanbod zullen Bargibant c.s worden toegelaten tot het bewijs dat de diepvriesproducten door de vervoerder in vervoersgeschikte staat in ontvangst zijn genomen.

4.12.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt Bargibant c.s. het bewijs op dat de diepvriesproducten in vervoersgeschikte staat door de vervoerder in ontvangst zijn genomen;

5.2.

bepaalt dat indien Bargibant c.s. dit bewijs willen leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125, voor de rechter-commissaris mr. P.C. Santema;

5.3.

bepaalt dat Bargibant c.s., indien zij getuigen in enquête willen laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010 2972518 - de namens haar te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden december 2016 tot en met maart 2017 moeten opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;

5.4.

bepaalt dat Seatrade c.s., indien zij getuigen in contra-enquête willen voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moeten houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag/dagen en uur worden gereserveerd zo mogelijk direct na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag en tijd;

5.5.

bepaalt dat Bargibant c.s., indien zij het bewijs niet door getuigen willen leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling roladministratie, kamer E12.55, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088 3610554 - en aan de wederpartij moeten opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;

5.6.

bepaalt dat Bargibant c.s. uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet in het geding gebracht, aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088 3610555 - en de wederpartij moeten toesturen;

5.7.

bepaalt dat partijen na de bewijslevering een conclusie van enquête ter rolle mogen nemen met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen in rov. 4.7;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.

901/32