Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7327

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
C/10/534357 / KG ZA 17-983
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tussen voormalige echtelieden. Executoriale titel man versus geclaimd verrekeningsrecht vrouw. Uitleg vonnis/beschikking door een latere rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/534357 / KG ZA 17-983

Vonnis in kort geding van 18 september 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [adres] ,

eiseres,

advocaat mr. M.C. Houwing te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [adres] ,

gedaagde,

advocaat mr. Z.H. van Dorth tot Melder te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de vrouw

  • -

    de pleitnota van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn voormalige echtelieden. Partijen waren gehuwd onder het aangaan van huwelijksvoorwaarden. De vrouw heeft de echtelijke woning, die gemeenschappelijk eigendom van partijen was, verlaten op 1 juli 2015.

2.2.

De rechtbank Rotterdam heeft op 9 december 2016 de echtscheidingsbeschikking gegeven en deze beschikking is op 4 april 2017 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.3.

De rechtbank Rotterdam heeft op 4 april 2017 een vervolg-/ eindbeschikking gegeven. Daarin staat onder meer dat partijen alsnog algehele overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. De rechtbank beschrijft de inhoud van deze regeling met name in haar rechtsoverwegingen 2.8.2 tot en met 2.8.7 van de eindbeschikking. In rov. 2.8.5 staat:

“Tussen partijen zal afstemming plaatsvinden over de hypotheekrenteaftrek van het jaar 2015. Ieder zal daartoe voor 1 juni 2017 opnieuw aangifte ten aanzien van de inkomstenbelasting verrichten, waarbij ieder van partijen een fiscaal adviseur in de arm zal nemen. De kosten voor deze adviseur betaalt ieder van partijen zelf. Indien nodig zal voor deze aanslag een verrekening tussen partijen plaatsvinden.”

De rechtbank heeft de tussen partijen getroffen regeling opgenomen in de beslissing.

2.4.

De man heeft in augustus 2017 diverse executoriale beslagen laten leggen ten laste van de vrouw, voor een vordering van pro resto € 5.857,79.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat - de opheffing van de door de man gelegde executoriale beslagen en veroordeling van de man om de eventueel inmiddels geïncasseerde bedragen terug te betalen aan de vrouw, alsmede aan de vrouw de kosten te vergoeden die de vrouw heeft moeten maken vanwege de beslaglegging. De vrouw stelt daartoe het volgende.

3.2.

Ten onrechte stelt de man dat de vrouw hem nog een bedrag van € 5.857,79 moet betalen. De vrouw heeft een tegenvordering op de man van € 3.739,-, zodat de vrouw per saldo nog maar € 1.727,25 verschuldigd is aan de man. De € 3.739,- betreft de hypotheekrenteaftrek over 2015. Op naam van de vrouw heeft de belastingdienst over de periode januari tot en met november 2015 een bedrag van in totaal € 5.143,- uitbetaald ter zake van de hypotheekrenteaftrek. Het is de man geweest die dat geld gebruikt heeft. Later heeft de belastingdienst een bedrag van € 3.739,- teruggevorderd bij de vrouw, als onterecht genoten hypotheekrenteaftrek over 2015. Hierdoor is de belastingteruggave over 2015 ten goede gekomen van alleen de man, dit terwijl partijen toen nog wel gehuwd waren. Door het beslag heeft de vrouw geen geld meer om de lopende vaste lasten en de kosten voor de kinderen van partijen te betalen.

3.3.

De man voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de stellingen van de vrouw.

4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 438 lid 2 Rv. kan de (voorzieningen)rechter in een executiegeschil onder meer executoriale beslagen opheffen, al dan niet tegen zekerheidstelling.

4.3.

Ter zitting bleek het volgende: de vrouw erkent dat zij een aantal bedragen verschuldigd is aan de man uit hoofde van de twee beschikkingen die de familiekamer heeft gegeven in de echtscheidingsprocedure tussen partijen. Dit bedrag komt uit op (€ 3.882,75 plus € 2.698,- minus € 1113,50=) € 5.467,25. Als erkend staat dus vast dat de man over een executoriale titel beschikt om dit bedrag te kunnen incasseren. De executoriale beslaglegging door de man is dus in beginsel geoorloofd.

4.4.

Wat partijen wel verdeeld houdt is de inkomstenbelasting over 2015. De vrouw stelt dat zij een naheffing heeft gekregen van de belastingdienst vanwege onterecht genoten hypotheekrenteaftrek en dat de man (aan wie de voorlopige teruggaaf vanwege de hypotheekrenteaftrek ten goede is gekomen) uit dien hoofde nog een bedrag van € 3.739,- verschuldigd is aan de vrouw. De man betwist dit standpunt op zich niet, maar de man voert aan dat de hijzelf ook naheffingen heeft gekregen over het belastingjaar 2015 (namelijk: terugvordering van toeslagen omdat het oorspronkelijk door de belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen later door de belastingdienst is gecorrigeerd), welke naheffingen hij heeft betaald. Deze naheffingen dienen volgens de man (mede) door de vrouw gedragen te worden.

4.5.

De vrouw stelt dat haar verrekeningsrecht onderdeel uitmaakt van de twee beschikkingen van de familiekamer. De man betwist dit. Het gaat hier dus om uitleg van een gerechtelijke uitspraak. Bij de uitleg van een vonnis (of in dit geval: beschikking) geldt een aantal uitgangspunten, zoals: de rechter moet het dictum van het onduidelijke vonnis uitleggen in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot dat dictum hebben geleid. Daarbij mag hij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren. Als partijen over de uitleg van een vonnis van mening verschillen, is de rechter niet gebonden aan de standpunten van partijen over de juiste uitleg van dat vonnis, maar moet hij, binnen de grenzen van het partijdebat, zelfstandig een feitelijk oordeel geven.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de familiekamer geen financiële beslissing heeft genomen over de inkomstenbelasting 2015. Wel is geoordeeld, in de hiervoor geciteerde rechtsoverweging rov. 2.8.5, dat hieromtrent nog nadere afstemming tussen partijen moeten plaatsvinden en dat er door partijen, ieder afzonderlijk, een nieuwe aangifte inkomstenbelasting 2015 moet worden gedaan. Daarna dient, zo nodig, nog een verrekening tussen partijen plaats te vinden. Ter zitting bleek dat deze nieuwe aangifte niet gedaan zal worden omdat dit voor partijen niet of nauwelijks financieel voordeel zal opleveren. Naar voorlopige oordeel impliceert dit dat partijen onderling (zonder het doen van aangifte) de verrekening van de diverse posten die betrekking hebben op de inkomstenbelasting 2015 moeten afstemmen. Slagen partijen er niet in om tot onderlinge afstemming te komen, dan dienen zij dit geschil, waarover nog niet is beslist, aan de rechter voor te leggen. De voorzieningenrechter is niet in staat om vast te stellen tot welk resultaat deze onderlinge afstemming zou moeten leiden. Dat vergt een onderzoek naar feiten waarvoor binnen de beperkte kaders van een kort geding geen ruimte is. De man heeft niet voldoende duidelijk omschreven welke door hem betaalde posten ter zake van de inkomstenbelasting 2015 hij in de onderlinge afstemming wenst te betrekken.

4.7.

Kort en goed komt het geschil van partijen er dus op neer dat de man een executoriale titel heeft om een geldvordering te incasseren en dat daarnaast zowel de man als de vrouw een - niet reeds door de rechter beoordeeld - verrekeningsrecht claimt over het belastingjaar 2015. De voorzieningenrechter kan, zoals gezegd, niet goed vaststellen of de man dan wel de vrouw een verrekeningsrecht heeft. Daarbij komt dat er een maatschappelijk belang is gediend met de mogelijkheid om een executoriale titel ten uitvoer te kunnen leggen, aan welk belang afbreuk zou worden gedaan als een beroep op een verrekeningsrecht al te snel zou worden gehonoreerd. Tijdens een gerechtelijke procedure mag al aan een verrekeningsverweer worden voorbijgegaan als de gegrondheid van dat verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 BW) en in dit geval is deze gerechtelijke procedure al een gepasseerd station, nu de vordering van de man inmiddels al is toegewezen. Daarom zal het door de vrouw gevorderde worden afgewezen.

4.8.

Gelet op de relatie van partijen (ex- echtelieden) zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2017.1

1 2517/2504