Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7290

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
C/10/496794 / HA ZA 16-244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbetaalde facturen advocaat. Verjaring? Advocaat als pandhouder en/of als advocaat toerekenbaar tekort geschoten of is er onrechtmatig gehandeld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0314

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/496794 / HA ZA 16-244

Vonnis van 20 september 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. [advocaat] te Oud-Beijerland,

tegen

[gedaagde]

wonende te [gedaagde] en kantoorhoudende te Oud-Beijerland,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.L. Berkel te Veenendaal.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 juni 2016, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 oktober 2016;

  • -

    de akte uitlating in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de akte uitlating na gehouden comparitie van partijen van [gedaagde] ;

  • -

    de antwoordakte na comparitie van partijen van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en reconventie

2.1.

[eiseres] drijft en dreef ook in de relevante periode een advocatenkantoor. Mr. [advocaat] is als advocaat (partner) aan dat kantoor verbonden en heeft gedurende de periode van 7 augustus 2006 tot en met 10 januari 2013 in opdracht en voor rekening van [gedaagde] juridische werkzaamheden verricht.

2.2.

[eiseres] heeft [gedaagde] voor haar werkzaamheden diverse declaraties gestuurd voor een totaalbedrag van € 24.592,41 (productie 35 bij akte uitlating in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie).

2.3.

Op grond van de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden is [gedaagde] een contractuele rente van 9% per jaar verschuldigd indien hij de declaraties van [eiseres] niet binnen de betalingstermijn voldoet (productie 2 bij dagvaarding).

2.4.

Tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst tot opdracht heeft [gedaagde] op 12 oktober 2005 vijf vorderingen (waaronder vorderingen op [zaaksnaam] , Geuzenstaete en Linido) aan [eiseres] in pand gegeven. Op 3 maart 2008 heeft [gedaagde] zijn huidige en toekomstige vorderingen op de besloten vennootschap [zaaksnaam] B.V. (hierna [zaaksnaam] ) aan [eiseres] in pand gegeven (productie 6 bij conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie).

2.5.

In de periode van 15 februari tot en met 25 april 2008 hebben [eiseres] en [zaaksnaam] gecorrespondeerd over de (beweerdelijke) vordering van [gedaagde] op [zaaksnaam] (producties 5 tot en met 8 bij dagvaarding).

2.6.

[gedaagde] is op 17 september 2008 door de rechtbank Rotterdam failliet verklaard.

2.7.

Bij schrijven van 3 november 2008 heeft [eiseres] zijn vorderingen bij de curator ingediend, die [eiseres] bij schrijven van 10 november 2008 heeft bericht dat zijn vorderingen op [gedaagde] op de lijst van voorlopig erkende crediteuren zijn geplaatst (producties 30 en 31 bij akte uitlating in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie).

2.8.

[eiseres] heeft aanvankelijk met de curator contact gehad over het als advocaat van [gedaagde] instellen van een vordering tegen [zaaksnaam] . Op 14 december 2012 heeft [eiseres] aan de curator laten weten dat tegen [zaaksnaam] geen procedure is ingesteld (producties 7 en 8 bij conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie).

2.9.

Bij schrijven van 5 maart 2013 heeft [eiseres] een overzicht van haar openstaande declaraties aan [gedaagde] toegezonden (productie 32 bij akte uitlating in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie).

2.10.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2013 is het faillissement van [gedaagde] is opgeheven wegens gebrek aan baten.

2.11.

Bij e-mail van 27 november 2013 heeft [eiseres] [gedaagde] om betaling van de openstaande declaraties verzocht en nadien met hem een betalingsregeling getroffen (productie 33 bij akte uitlating in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie).

2.12.

In de periode van 26 juni 2014 tot en met16 september 2015 hebben partijen gecorrespondeerd over de facturen, de betalingsregeling en de vordering op [zaaksnaam] (producties 9 tot en met 27 bij dagvaarding).

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 47.029,41, te vermeerderen met de contractuele rente ad 9% per jaar, althans de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 24.592,41, vanaf 24 november 2015 tot de dag der algehele voldoedning, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiseres] in de vorderingen, dan wel tot afwijzen daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [eiseres] jegens [gedaagde] aansprakelijk is voor het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van haar verplichtingen als pandhouder dan wel door onrechtmatig handelen in dat verband;

  2. [eiseres] te veroordelen tot vergoeding van de onder sub 1 gemelde schade aan [gedaagde] , op te maken bij staat;

  3. [eiseres] te veroordelen om aan [gedaagde] , binnen twee weken na dit vonnis, bij wijze van voorschot op de schade, als bedoeld onder sub 1, te voldoen een bedrag van

€ 150.000,00;

4. [eiseres] te veroordelen in de proceskosten.

3.5.

Het verweer van [eiseres] strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van [gedaagde] in de vorderingen, dan wel tot afwijzen daarvan, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Hoewel de vorderingen in conventie en reconventie samenhangen, zal de rechtbank, omwille van de overzichtelijkheid, eerst de vordering in conventie beoordelen en daarna de vordering in reconventie.

in conventie

4.2.

Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat het deel van de vordering dat ziet op de betaling van de facturen van augustus 2006 tot en met januari 2009 is verjaard, nu [eiseres] heeft verzuimd om binnen zes maanden na het einde van het einde van het faillissement de verjaring te stuiten.

4.3.

De vordering van [eiseres] betreft de nakoming van een gesloten overeenkomst van opdracht. Deze vordering is in ieder geval per datum faillissement, 17 september 2008, integraal opeisbaar geworden. Blijkens artikel 3:307 BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen, zoals deze vordering, door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. In het onderhavige geval betekent dit dat de verjaringstermijn zou aflopen gedurende het faillissement. In deze specifieke situatie voorziet artikel 36 Faillissementswet (hierna: Fw), waarin is bepaald dat in die situatie de verjaringstermijn voortloopt totdat zes maanden na het einde van het faillissement zijn verstreken. Het faillissement is bij beschikking van 12 november 2013 wegens gebrek aan baten opgeheven, zodat de verjaringstermijn, gelet op het bepaalde in artikel 36 Fw, is voltooid op 12 mei 2014, tenzij de lopende verjaring voordien is gestuit.

4.4.

Volgens artikel 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een vordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Ook kan de verjaring worden gestuit door erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient (artikel 3:318 BW).

4.5.

Vast staat dat [eiseres] haar vordering op 3 november 2008 bij de curator heeft ingediend en het faillissement is op 12 november 2013 opgeheven. Op 27 november 2013 is [gedaagde] opnieuw aangeschreven en nadien is met hem een betalingsregeling getroffen (zie 2.7, 2.9, 2.10 en 2.1). Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen leidt dit ertoe dat rechtsgeldig stuiting heeft plaats gevonden op de voet van artikelen 3:317 en 3:318 BW, te weten (na de aanspraak op betaling met stuitende werking d.d. 3 november 2008) binnen de termijn van 6 maanden ex artikel 36 Fw op 27 november 2013. Daarbij komt nog, dat het treffen van een betalingsregeling in beginsel als erkenning kwalificeert. Het verjaringsverweer van [gedaagde] wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

4.6.

Aan de orde is vervolgens de vraag of [gedaagde] gehouden is tot betaling aan [eiseres] van het door haar gevorderde bedrag van € 24.592,41 aan openstaande declaraties.

4.7.

Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat partijen gedurende ruim 20 jaar zaken met elkaar hebben gedaan, zo ook in de periode 2006 – 2008. De door [eiseres] verstuurde opdrachtbevestigingen heeft [gedaagde] , naar hij erkent, doorgaans ontvangen. De algemene voorwaarden van [eiseres] en de toepasselijkheid daarvan, als ook het door [eiseres] gehanteerde uurtarief is tussen partijen nooit een punt van discussie geweest. De rechtbank is dan ook, bij gebreke van een behoorlijk gemotiveerd verweer, van oordeel dat de algemene voorwaarden op alle opdrachten en werkzaamheden van toepassing zijn. Dat [gedaagde] die algemene voorwaarden kende staat vast. [gedaagde] is in beginsel gehouden de declaraties van [eiseres] te voldoen.

4.8.

[gedaagde] heeft, behoudens ten aanzien van de declaraties in het hoger beroep in het faillissement (declaratienummer 39124 d.d. 26 januari 2008 ad € 132,45 (inclusief BTW)), de behandeling van de zaak [zaaksnaam] (declaratienummer 35833 d.d. 7 april 2008 ad

€ 132,45 (inclusief BTW)), de behandeling van de zaak [zaaksnaam] (declaratienummers 56092 d.d. 16 mei 2012 ad € 3.323,79, 57995 d.d. 9 oktober 2012 ad € 3.761,45 en 59242 d.d. 10 januari 2013 ad € 166,10 (alles inclusief BTW) en de behandeling van de zaak [zaaksnaam] (declaratienummers 35471 d.d. 19 maart 2008 ad € 605,47, 35823 d.d. 7 april 2008 ad € 2.762,47, 36693 d.d. 19 juni 2008 ad € 340,58 en 37656 d.d. 12 september 2008 ad € 283,82 (alles inclusief BTW)), betwist tot betaling te zijn gehouden; het aanvankelijk gevoerde verweer ter zake van de declaraties in de zaak [gedaagde] /Hol heeft hij kennelijk niet meer gehandhaafd na de door [eiseres] in het geding gebrachte urenspecificatie van haar werkzaamheden.

de declaratie hoger beroep in het faillissement

4.8.1.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt niet tot betaling van deze declaratie gehouden te zijn en voert daartoe aan dat een kantoorgenoot van mr. [advocaat] hem in hoger beroep, tijdens het pleidooi bij het Hof, niet naar behoren heeft bijgestaan.

[eiseres] daarentegen stelt zich, met een beroep op artikel 6:89 BW, op het standpunt dat [gedaagde] tot betaling van de onderhavige declaratie is gehouden. [gedaagde] heeft, anders dan dat hij zich in algemene bewoordingen heeft beklaagd bij mr. [advocaat] over de door zijn kantoorgenoot verrichte werkzaamheden, nagelaten tegen de hem toegezonden declaratie tijdig te protesteren en daarom kan hij zich nu niet meer beroepen op gebreken in de door [eiseres] verrichte werkzaamheden.

4.8.2.

Vast staat dat [gedaagde] in hoger beroep in het faillissement is bijgestaan door een kantoorgenoot van mr. [advocaat] en dat [gedaagde] tegenover mr. [advocaat] in algemene bewoordingen zijn ongenoegen heeft geuit over het optreden ter zitting van diens kantoorgenoot. Daarmee heeft [gedaagde] tijdig geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW (gelet op de verhouding tussen partijen was een schriftelijke klacht niet nodig). Daarmee dient inhoudelijk op het bezwaar te worden ingegaan. Op een advocaat rust geen resultaatsverbintenis. Dat het betoog niet succesvol was is dus niet voldoende. Anders dan [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat het voorgaande er niet zonder meer toe leidt dat [eiseres] haar declaratie uit zichzelf had moeten aanpassen; immers het met horten en stoten voorlezen van de pleitnota betekent nog niet dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat niet is gehandeld als een redelijk bekwaam en zorgvuldig advocaat en dat daardoor de belangen van [gedaagde] zodanig zijn geschaad dat sprake kan zijn van een toerekenbare tekortkoming van [eiseres] . Overigens was [gedaagde] door [eiseres] in haar brief van 23 september 2008 gewezen op het feit dat zijn argumenten waarschijnlijk niet tot succes in hoger beroep zouden leiden (productie 37 bij akte uitlating in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie). Voorts heeft [gedaagde] geen bezwaar gemaakt tegen de declaratie d.d. 26 januari 2008, althans dat is niet gebleken. Het thans door [gedaagde] gevoerde verweer ter zake de niet gehoudenheid tot betaling van de declaratie moet, naar het oordeel van de rechtbank, verworpen worden. De vordering van [eiseres] is op dit onderdeel dan ook voor toewijzing vatbaar.

de declaratie in de zaak [zaaksnaam]

4.8.3.

[gedaagde] stelt zich hierbij op het standpunt niet tot betaling te zijn gehouden, omdat door toedoen van mr. [advocaat] de vordering op [zaaksnaam] is verjaard. Ook heeft [eiseres] van de aan haar verpande vordering op [zaaksnaam] onvoldoende gebruik gemaakt waardoor [gedaagde] is benadeeld.

[eiseres] daarentegen stelt zich op het standpunt dat zij door het faillissement van [gedaagde] geen verdere werkzaamheden kon en mocht verrichten inzake [zaaksnaam] . De incasso en het voorkomen van de verjaring van de vordering is dan ook een zaak van [gedaagde] en/of de curator en niet van [eiseres] .

4.8.4.

Vast staat dat [eiseres] werkzaamheden voor [gedaagde] in de zaak [zaaksnaam] zijn aangevangen voor het faillissement van [gedaagde] en dat [eiseres] een klein gedeelte van de vordering op [zaaksnaam] ten behoeve van [gedaagde] heeft geïncasseerd. Hoewel de onderhavige vordering door [gedaagde] aan [eiseres] is verpand, rustte de bevoegdheid tot inning van een dergelijke stil verpande vordering uitsluitend bij de pandgever [gedaagde] en na diens faillissement bij de curator en niet bij [eiseres] , hetgeen ook heeft te gelden ten aanzien van het voorkomen van de verjaring van die vordering nu [eiseres] de aan haar verpande vordering niet openbaar heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3:246 lid 3 BW. Dat [eiseres] (althans mr. [advocaat] ) advocaat is betekent niet dat zij/hij bevoegd, laat staan verplicht, is de verjaring zelfstandig te stuiten. Van mr. [advocaat] had hoogstens verwacht kunnen worden dat hij, op enig moment, als vaste advocaat van [gedaagde] , met hem deze vordering en de eventuele stuiting had besproken. Voor zover [gedaagde] hem op dat punt verwijten maakt zijn die, mede gelet op het tussenkomende faillissement en de taak van de curator in het kader van de inning, onvoldoende concreet. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] tegen de desbetreffende declaratie heeft geprotesteerd. Het thans door [gedaagde] gevoerde verweer teneinde de declaratie niet te hoeven te betalen is, naar het oordeel van de rechtbank, tardief, omdat hij niet conform artikel 6:89 BW heeft geklaagd. De vordering van [eiseres] is op dit onderdeel dan ook voor toewijzing vatbaar.

de declaraties in de zaak [zaaksnaam]

4.8.5.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiseres] ten onrechte het normale uurtarief voor de door haar verrichte werkzaamheden in rekening heeft gebracht, terwijl [gedaagde] , die failliet was, in aanmerking zou hebben kunnen komen voor een toevoeging op grond van gefinancierde rechtsbijstand. Nu [eiseres] heeft nagelaten hem te wijzen op die mogelijkheid is hij niet gehouden tot betaling van de declaraties.

[eiseres] daarentegen stelt zich primair op het standpunt dat het aanvragen van en informeren over een toevoeging tuchtrechtelijk van aard is. Civielrechtelijk is sprake van een perfecte en afdwingbare overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] . Subsidiair betwist [eiseres] dat [gedaagde] recht had op een toevoeging; immers [gedaagde] mocht van de curator tijdens het faillissement zijn gang gaan en had ook inkomen.

4.8.6.

Een failliet heeft in beginsel recht op een toevoeging. Een behoorlijke taakvervulling van de advocaat brengt mee dat hij zijn failliete cliënt informeert en wijst op de mogelijkheid van het aanvragen van een toevoeging. Ook in een civiele procedure kan erover geklaagd worden als de advocaat daarin tekortschiet. Vast staat dat [eiseres] [gedaagde] geïnformeerd noch gewezen heeft op de mogelijkheid dat zij in de zaak [zaaksnaam] haar werkzaamheden voor [gedaagde] op basis van een toevoeging zou kunnen verrichten. Dit betekent, naar het oordeel van de rechtbank, dat [eiseres] haar taak als advocaat niet naar behoren heeft vervuld. Dit leidt ertoe dat [eiseres] niet haar normale uurtarief voor de door haar verrichte werkzaamheden bij [gedaagde] in rekening had mogen brengen. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] op dit punt dan ook afwijzen.

de declaraties in de zaak [zaaksnaam]

4.8.7.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat als de vordering op [zaaksnaam] als een kansloze zaak moet worden aangemerkt, het niet in de rede ligt dat [eiseres] alsnog allerlei werkzaamheden verricht en die vervolgens bij hem declareert. Van een betaling van de declaraties kan dan ook geen sprake zijn.

[eiseres] daarentegen stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van de declaraties, omdat zij ter zake van de vordering op [zaaksnaam] werkzaamheden heeft verricht. Dat deze niet tot een incasso hebben geleid doet daar niet aan af. Anders dan [gedaagde] het deed voorkomen, door in zijn contacten met [eiseres] te spreken over een kansrijke zaak, was het een complexe zaak en was de kans op succes moeilijk in te schatten. [gedaagde] heeft tegen de declaraties geen bezwaar gemaakt en hij kan zich nu niet meer beroepen op ten onrechte verrichte werkzaamheden teneinde niet aan zijn betalingsverplichtingen te hoeven voldoen.

4.8.8.

Vast staat dat [gedaagde] een vordering op [zaaksnaam] meent, althans meende, te hebben, welke hij aan [eiseres] heeft verpand. Uit de procestukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat [eiseres] werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de inning van deze vordering. Nadat [gedaagde] op 12 september 2012 failliet is verklaard, heeft [eiseres] over voormelde vordering contact onderhouden met de curator van [gedaagde] en hem bericht dat er gerede twijfels bestonden over de kans van slagen van de incasso (brief d.d. 3 november 2008 productie 30 bij akte uitlating in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie). Het is de rechtbank niet gebleken dat [gedaagde] tegen de desbetreffende declaraties heeft geprotesteerd. Het thans door [gedaagde] gevoerde verweer ter zake de niet gehoudenheid tot betaling van de declaraties is, naar het oordeel van de rechtbank, tardief in verband met het niet nakomen van de verplichting van artikel 6:89 BW. Daarbij komt dat op een advocaat geen resultaatsverbintenis rust en dat [eiseres] , onbetwist heeft gesteld, dat [gedaagde] zelf van mening was dat het hier een zeer kansrijke vordering betrof, waarvan [gedaagde] alle details kende. Hierop wordt in reconventie verder teruggekomen. De vordering van [eiseres] is op dit onderdeel dan ook voor toewijzing vatbaar.

4.9.

De gevorderde contractuele rente tot en met 22 november 2015 ten bedrage van

€ 21.416,08 zal, gelet op de toepasselijke algemene voorwaarden op dat punt, worden toegewezen.

4.10.

Over de gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat [gedaagde] lange tijd in gebreke is gebleven met de betaling van de declaraties naar aanleiding waarvan hij door [eiseres] is gesommeerd tot betaling. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat partijen meerdere malen een betalingsregeling hebben getroffen in het kader waarvan door [gedaagde] betalingen zijn verricht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat door [eiseres] voldoende buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor een afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 1.020,92 (inclusief BTW) zijn op grond van de in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op genomen staffel voor toewijzing vatbaar.

4.11.

Dit alles leidt ertoe dat de vordering van [eiseres] , behoudens het deel van de vordering dat betrekking heeft op de declaraties in de zaak [zaaksnaam] , voor toewijzing vatbaar is.

4.12.

Of [gedaagde] een beroep op verrekening toekomt is afhankelijk van de uitkomst van het geschil in reconventie.

in reconventie

4.13.

Tussen partijen is in geschil of [eiseres] tegenover [gedaagde] aansprakelijk is voor het toerekenbaar tekort schieten in de nakoming van haar verplichtingen als pandhoudster dan wel dat zij in strijd met haar verplichtingen als pandhoudster van de vorderingen [zaaksnaam] heeft gehandeld.

4.14.

[gedaagde] stelt zich daarbij op het standpunt dat [eiseres] als pandhoudster verantwoordelijk was om de lopende verjaring van de aan haar in pand gegeven vordering op [zaaksnaam] te stuiten, temeer daar [eiseres] ook als advocaat voor hem optrad. In die laatste hoedanigheid heeft zij contact gehad met hem en ook zijn curator over het incasseren van deze kansrijke vordering. Hij mocht er dan ook op vertrouwen dat [eiseres] voor de incasso zou zorgdragen en dat hij daar zijn openstaande declaraties bij [eiseres] mee kon voldoen. Zeker daar hij meermalen [eiseres] heeft gevraagd hoe het ervoor stond met die vordering. Ondanks vele verzoeken zijnerzijds heeft er uiteindelijk pas op 28 mei 2014 een bespreking met [eiseres] plaatsgehad en toen is aan het licht gekomen dat de vordering op [zaaksnaam] was verjaard. [eiseres] is aansprakelijk voor de schade die hij hierdoor heeft geleden.

4.15.

[eiseres] betwist dat zij aansprakelijk is jegens [gedaagde] . [eiseres] had in haar hoedanigheid van pandhoudster niet dezelfde verantwoordelijkheid en bevoegdheid als [gedaagde] als pandgever en, na diens faillissement, de curator. Haar werkzaamheden als advocaat heeft [eiseres] gestaakt toen [gedaagde] in 2008 failliet werd verklaard. [eiseres] heeft weliswaar de vordering op [zaaksnaam] bekeken, maar na een inhoudelijke reactie van [zaaksnaam] geconcludeerd dat het een complexe zaak betrof en heeft van de kans van slagen geen inschatting kunnen maken. [eiseres] heeft [zaaksnaam] nooit ex artikel 3:246 BW aangeschreven, zodat de inningsbevoegdheid bij [gedaagde] dan wel zijn curator is gebleven en het is dan niet haar verantwoordelijkheid maar die van [gedaagde] dan wel zijn curator om de verjaring te stuiten. Ter adstructie verwijst zij naar haar brief van 14 december 2012 aan de curator, waarin zij hem laat weten geen procedure tegen [zaaksnaam] te beginnen.

4.16.

Vast staat dat [eiseres] de aan haar verpande vordering op [zaaksnaam] niet openbaar heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3:246 lid 3 BW, zodat de bevoegdheid tot inning van een dergelijk stil verpande vordering uitsluitend bij de pandgever [gedaagde] en na diens faillissement bij de curator rustte.

4.17.

Onder inning van een vordering dient niet alleen de passieve inontvangstneming van het verschuldigde te worden verstaan, maar ook de meer actieve maatregelen om de debiteur tot betaling te bewegen. In dat verband mag van een redelijk handelend en redelijk geïnformeerd curator (zoals de curator op de hoogte was van de brief van [eiseres] d.d. 14 december 2012), naar het oordeel van de rechtbank, ook worden verwacht dat hij op de hoogte is van de in de onderhavige kwestie geldende verjaringstermijnen en dat hij daarmee rekening houdt en [gedaagde] daarvan in kennis stelt c.q. informeert.

4.18.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] er tijdens het faillissement van [gedaagde] ten aanzien van de aan haar verpande vordering van [gedaagde] van uit mocht gaan dat de curator zonodig de verjaring van de vordering zou voorkomen, zelfs als [eiseres] als pandhouder de vordering – die qua waarde de vordering van [eiseres] oversteeg – onder zich had. Naar het oordeel van de rechtbank was [eiseres] in de gegeven omstandigheden dan ook niet gehouden om tijdens het faillissement van [gedaagde] de verjaring van de verpande vordering te stuiten. Daaraan doet niet af dat [eiseres] behalve pandhoudster ook de advocaat van [gedaagde] was. Zoals (onder 4.8.2) in conventie is overwogen rustte op [eiseres] slechts de verplichting als een redelijk zorgvuldig en redelijk handelend advocaat te handelen. Het betrof hier een complexe vordering, waarvoor bij uitstek [gedaagde] zelf en, tijdens het faillissement, de curator na overleg met [gedaagde] konden inschatten in hoeverre het entameren van een procedure zinvol was, waarbij dan de daarmee gemoeide kosten meegewogen konden worden. Kennelijk heeft de curator de vordering niet als kansrijk ingeschat. Daarvan valt [eiseres] geen verwijt te maken. Van een toerekenbare tekortkoming dan wel van enig onrechtmatig handelen aan de zijde van [eiseres] is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook geen sprake. De rechtbank zal de vorderingen van [gedaagde] daarom afwijzen.

4.19.

In het licht van het voorgaande behoeven de vorderingen betreffende de schade en het voorschot op de schade geen nadere bespreking en beoordeling.

4.20.

De uitkomst van het geschil leidt ertoe dat [gedaagde] geen beroep op verrekening van zijn vordering in reconventie met de vordering van [eiseres] in conventie toekomt.

in conventie en in reconventie

4.21.

[gedaagde] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] in conventie worden begroot op:

- dagvaarding € 77,75

- griffierecht € 1.929,00

- salaris € 2.235,00 (2,5 punten x tarief € 894,00)

Totaal € 4.241,75

De kosten aan de zijde van [eiseres] in reconventie worden begroot op:

- salaris € 565,00 (1,25 punten x tarief € 452,00)

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 39.029,41 (zegge: negenendertigduizend negenentwintig euro en eenenveertig eurocent), te vermeerderen met de contractuele rente ad 9% per jaar over € 17.341,07 vanaf 24 november 2015 tot de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 4.241,75,

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 565,00,

in conventie en reconventie

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.1

1 type:1451 coll:106