Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7276

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
C/10/502714 / HA ZA 16-539 en C/10/511589 / HA ZA 16-988
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Begroting van schade in verband met asbestbesmetting van woningen als gevolg van renovatiewerkzaamheden. Hoofdelijke aansprakelijkheid van VvE en van de door de VvE ingeschakelde aannemer is bij voorafgaand tussenvonnis vastgesteld (ECLI:NL:RBROT:2017:2560).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0756
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring en in het incident van 23 augustus 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/502714 / HA ZA 16-539 van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiseres 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres 4],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.T. Kool te Rotterdam,

tegen

1. de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAARS FLATGEBOUW RUIGENHOEK 62 T/M 140 (EVEN), TE ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.A.H.W. Meijer te Rotterdam,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EVG PROJECTEN & ONDERHOUD B.V.,

gevestigd te Leidschendam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P. van Riessen te Gouda,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/511589 / HA ZA 16-988 van

de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAARS FLATGEBOUW RUIGENHOEK 62 T/M 140 (EVEN), TE ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. H.A.H.W. Meijer te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EVG PROJECTEN & ONDERHOUD B.V.,

gevestigd te Leidschendam,

gedaagde,

advocaat mr. P. van Riessen te Gouda.

Partijen zullen hierna [eisers] , de VvE en EVG genoemd worden. [eisers] zullen afzonderlijk worden aangeduid als [eiser 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] .

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 maart 2017 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de conclusie na tussenvonnis, tevens houdende verandering/vermeerdering van eis van 19 april 2017 van [eisers] , met producties;

  • -

    de (antwoord)conclusie na tussenvonnis van 17 mei 2017 van EVG;

  • -

    de antwoordconclusie na tussenvonnis van 17 mei 2017 van de VvE.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De verdere beoordeling

in de hoofdzaak in conventie

3.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld over de aansprakelijkheid van de VvE en EVG jegens [eisers] Vervolgens heeft de rechtbank [eisers] in de gelegenheid gesteld om bij conclusie na tussenvonnis de omvang van de door hen als gevolg van de onrechtmatige daden van de VvE en EVG geleden schade nader te onderbouwen en daarbij te reageren op de daartegen door de VvE en EVG gevoerde verweren.

3.2.

Bij conclusie na tussenvonnis hebben [eisers] hun eis vermeerderd dan wel veranderd, zodanig dat deze thans luidt, bij vonnis:

''a. te verklaren voor recht dat de VvE toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen van artikel 5:126 BW, en artikel 8 van het splitsingsreglement en de splitsingsakte jegens [eisers] en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] op de gronden omschreven in de dagvaarding;

b. te verklaren voor recht dat EVG onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] door een inbreuk te maken op de persoonlijke integriteit en het eigendomsrecht van [eisers] en door in strijd te handelen met verschillende wettelijke plichten zoals artikel 3 Asbestverwijderingsbesluit 2005, artikel 1:26 Bouwbesluit en de waarschuwingsplicht uit hoofde van artikel 7:754 BW;

c. te verklaren voor recht dat de VvE en EVG hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eisers] lijden en nog zullen lijden als gevolg van het handelen onder 1 [a] respectievelijk 2 [b];

d. de VvE en EVG hoofdelijk te veroordelen aan [eiser 1] en [eiseres 2] te betalen een schadevergoeding voor materiële schade van EUR 52.979,95 en een schadevergoeding voor immateriële schade van EUR 8.000,-, althans een door uw Rechtbank te bepalen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 december 2014, althans de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

e. de VvE en EVG hoofdelijk te veroordelen aan [eiseres 3] te betalen een schadevergoeding voor materiële schade van EUR 22.229,11 en een schadevergoeding voor immateriële schade van EUR 4.000,-, althans een door uw Rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 december 2014, althans de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

f. de VvE en EVG hoofdelijk te veroordelen aan [eiseres 4] te betalen een schadevergoeding voor materiële schade van EUR 16.911,00 en een schadevergoeding voor immateriële schade van EUR 4.000,-, althans een door uw Rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 december 2014, althans de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

g. de VVE en EVG hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan [eisers] van het bedrag van alle overige door [eisers] geleden en nog te lijden schade, waaronder de overige schade als gevolg van de VvE-kosten, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 december 2014, althans de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

(…)

i. voor zover de voorwaardelijke vordering van de VvE wordt toegewezen, te verklaren voor recht dat EVG aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade in verband met de vervangende huisvesting ter hoogte van het bedrag dat [eisers] uit hoofde van onverschuldigde betaling aan de VvE alsdan zullen moeten terugbetalen en EVG te veroordelen voornoemd bedrag bij wijze van schadevergoeding aan [eisers] te betalen, een en ander, voor zover de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad; en

j. de VvE en EVG hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van EUR 131,-- zonder betekening, dan wel EUR 199,-- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis,

een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.'

3.3.

EVG verzet zich tegen de vermeerdering van eis. Dat [eisers] hun eis voorafgaand aan de comparitie niet, maar thans alsnog hebben vermeerderd is in de visie van EVG tardief en strijdig met de eisen van een goede procesorde.

3.4.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de verandering en vermeerdering van eis buiten beschouwing te laten. Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis te veranderen of te vermeerderen (artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; Rv). Van strijd met de eisen van een goede procesorde is geen sprake. De rechtbank heeft [eisers] bij tussenvonnis uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om de schade nader te onderbouwen en om te reageren op de verweren die zijn gevoerd met betrekking tot de gestelde schade. [eisers] hebben vervolgens aangevoerd dat de materiële schade inmiddels inzichtelijker is geworden. De verandering/vermeerdering van eis ligt in het verlengde van de vorderingen zoals die reeds bij dagvaarding waren ingesteld en vormt in belangrijke mate een nadere concretisering van die vorderingen. EVG en de VvE zijn bovendien in de gelegenheid gesteld om bij antwoordconclusie(s) te reageren op de nadere stellingen van [eisers]

3.5.

De rechtbank zal de door [eisers] gestelde en door EVG en VvE betwiste schadeposten hierna achtereenvolgens behandelen. Bij het tussenvonnis onder 6.1 in samenhang met 5.24 heeft de rechtbank partijen er uitdrukkelijk op gewezen dat indien zij zouden menen dat het wenselijk is dat de rechtbank zich ter zake van de omvang van de schade laat voorlichten door een te benoemen deskundige zij daartoe - bij voorkeur na overleg en eenparig - een concreet voorstel konden doen. Uit de conclusie en antwoordconclusies na tussenvonnis begrijpt de rechtbank dat geen van partijen het wenselijk acht dat deskundigenonderzoek wordt gelast. Derhalve zal de rechtbank de schade begroten op basis van de beschikbare informatie. Voor zover de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, maar wel voldoende aannemelijk is gemaakt dat schade is geleden, zal de rechtbank de omvang schatten.

Inboedel

3.6.

[eisers] stellen dat zij in verband met vernietiging van inboedelgoederen een schade hebben geleden van:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 13.633,00

[eiseres 3] € 7.790,00

[eiseres 4] € 2.885,00

3.7.

Vast staat dat een veelheid aan inboedelgoederen verloren is gegaan als gevolg van de asbestbesmetting, gevolgd door de sanering, waarbij in het bijzonder de sanering bij [eiser 1] en [eiseres 2] zeer ingrijpend is geweest (zie het tussenvonnis onder 3.18 tot en met 3.25). [eisers] hebben opsommingen verstrekt van verloren gegane inboedelgoederen en van de kennelijk door henzelf geschatte waardes die aan die goederen kunnen worden toegekend. EVG en de VvE hebben de opgaven van [eisers] , bij gebrek aan wetenschap, betwist.

3.8.

Dat [eisers] schade hebben geleden door het verlies van inboedelgoederen staat vast. De omvang van de dientengevolge door [eisers] geleden schade kan niet nauwkeurig worden vastgesteld. Rekening houdende met de specificaties en de opgegeven waardes, voor zover aannemelijk, en gelet op hetgeen uit de producties blijkt over de saneringswerkzaamheden zal de rechtbank omvang van de schade ter zake van verloren gegane inboedelgoederen schatten op de volgende bedragen:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 10.000,00

[eiseres 3] € 6.000,00

[eiseres 4] € 2.250,00

Herstelwerkzaamheden en/of onvoltooide renovatiewerkzaamheden

3.9.

[eisers] stellen dat zij in verband met herstelwerkzaamheden en onvoltooide renovatiewerkzaamheden een schade hebben geleden van:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 18.130,88

[eiseres 3] € 3.704,00

[eiseres 4] € 3.704,00

3.10.

Vast staat dat de renovatiewerkzaamheden door EVG op 16 december 2014 zijn stilgelegd en nadien niet meer zijn hervat (zie het tussenvonnis onder 3.11 en 3.12). [eisers] hebben hun woningen op 20 februari 2015 verlaten. Na sanering zijn [eiseres 3] en [eiseres 4] in april 2015 teruggekeerd in hun woningen. De woning van [eiser 1] en [eiseres 2] diende echter nog aanvullend gesaneerd te worden. Dat is gebeurd in de periode tussen 15 en 23 juni 2015. Als onderdeel van die laatste zeer ingrijpende aanvullende sanering zijn onder meer de vloer in de gehele woning, de volledige keuken, al het textiel in de woning, alle elektrische apparatuur (waaronder de leidingen en afvoer van de CV installatie) en een deel van de meubels vernietigd (zie het tussenvonnis onder 3.25). [eiser 1] en [eiseres 2] hebben nadien zelf actie ondernomen, zaken aangeschaft en werkzaamheden verricht en doen verrichten om de woning weer in bewoonbare en verkoopbare staat te brengen.

3.11.

EVG heeft zich op het standpunt gesteld dat zij er buiten staat als [eisers] het werk op eigen houtje afmaken. EVG komt haars inziens een beroep op overmacht toe. Zij zou het werk graag willen afmaken, maar de VvE verbiedt haar dat.

3.12.

Ook de VvE betwist dat de schade als gevolg van herstelwerkzaamheden en/of onvoltooide renovatiewerkzaamheden aan haar kan worden toegerekend. Zij wijst erop dat de noodzaak van de herstelwerkzaamheden ook in de visie van [eisers] onder andere het gevolg is van de zeer ondeugdelijk uitgevoerde en onvoltooide renovatiewerkzaamheden van EVG.

3.13.

Deze verweren slagen niet. Zowel EVG als de VvE zijn jegens [eisers] aansprakelijk in verband met het (doen) verrichten van de renovatiewerkzaamheden zonder onderzoek te (doen) verrichten naar de aanwezigheid van asbest. Doordat EVG en VvE het (doen) verrichten van noodzakelijke onderzoek achterwege hebben gelaten, kon de asbestcontaminatie ontstaan. Die asbestcontaminatie en de ingrijpende saneringsmaatregelen die daardoor noodzakelijke werden, hebben de schade veroorzaakt.

3.14.

Kosten die [eiser 1] en [eiseres 2] hebben gemaakt om hun woning uiteindelijk weer in bewoonbare en verkoopbare staat te brengen zijn toerekenbaar aan zowel EVG als de VvE. Door de asbestbesmetting is een groot aantal zaken in praktische zin waardeloos geworden omdat voor zover asbestbesmetting niet kon worden uitgesloten en reiniging niet goed mogelijk was die zaken vernietigd dienden te worden. In zoverre is sprake van direct geleden materiële schade. Daarnaast kunnen de gemaakte kosten om de woning weer in bewoonbare en verkoopbare staat te brengen (ook) worden aangemerkt als redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade.

3.15.

[eiser 1] en [eiseres 2] hebben aangevoerd dat zij niet in staat waren om de werkzaamheden door daartoe in te schakelen externe professionals/bedrijven te laten uitvoeren omdat hen de daartoe noodzakelijke financiële middelen ontbraken. Daarom hebben zij zelf een veelheid aan materialen aangeschaft en de werkzaamheden zelf en met hulp van de heer [eiser 1] (hierna: [eiser 1] ) uitgevoerd.

3.16.

Ook voor deze schadepost geldt dat de omvang ervan niet nauwkeurig worden vastgesteld. Weliswaar hebben [eiser 1] en [eiseres 2] een grote hoeveelheid bonnen van aangeschafte zaken overgelegd, maar een inzichtelijke specificatie van de te verrichten noodzakelijke werkzaamheden, de specifiek in verband daarmee aangeschafte materialen en de aangewende arbeid ontbreekt. Uit de overgelegde informatie is evenmin af te leiden hoe de gestelde feitelijke inzet van materiaal en arbeid zich precies verhoudt tot de hypothetische situatie waarin [eiser 1] en [eiseres 2] de noodzakelijke werkzaamheden wel door externe professionals/bedrijven zouden hebben laten verrichten. De rechtbank zal de omvang van deze schadepost schatten.

3.17.

Rekening houdende met de specificaties en de overgelegde bonnen, en hetgeen uit de producties blijkt over de noodzakelijke werkzaamheden, zal de rechtbank omvang van de ter zake geleden schade schatten op het volgende bedrag:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 8.000,00

3.18.

De door [eiseres 3] en [eiseres 4] ter zake van deze post gevorderde schadevergoeding is onvoldoende onderbouwd. [eiseres 3] en [eiseres 4] vorderen vergoeding van schade als gevolg van het niet voltooid zijn van de renovatiewerkzaamheden. Om de kosten te begroten trekken [eiseres 3] en [eiseres 4] een parallel met een offerte van een schildersbedrijf, welke is opgesteld met betrekking tot de woning van [eiser 1] en [eiseres 2] . Kennelijk zijn betreffende werkzaamheden niet verricht in de woningen van [eiseres 3] en [eiseres 4] . Dat het als gevolg van onrechtmatig handelen van EVG en de VvE noodzakelijk is die werkzaamheden in die woningen te verrichten, kan uit de stellingen van [eisers] en de overgelegde producties evenmin worden afgeleid. Dit onderdeel van de vorderingen van [eiseres 3] en [eiseres 4] zal de rechtbank afwijzen.

Extra kosten

3.19.

[eisers] stellen dat zij extra kosten hebben moeten maken in de zin van woonlasten, vervoers- en parkeerkosten, huishoudelijke kosten, benodigdheden en overige, Zij stellen dat zij daardoor een schade hebben geleden van:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 21.798,74

[eiseres 3] € 1.480,37

[eiseres 4] € 880,00

3.20.

De verschillende onderdelen waaruit deze gestelde schadepost is opgebouwd, zullen hierna achtereenvolgens worden behandeld.

3.21.

[eiser 1] en [eiseres 2] stellen voor een bedrag van € 6.760,00 aan extra woonlasten te hebben gehad. Dat onderdeel van de vordering zal de rechtbank toewijzen. [eiser 1] en [eiseres 2] hebben gesteld dat zij tussen 21 februari en 16 maart 2015 hun verblijf hebben gehad in Hotel Van der Valk Ridderkerk (waarvan de kosten door de VvE zijn gedragen), dat zij tussen 16 maart en 11 april 2015 bij de moeder van [eiseres 2] hebben verbleven en dat zij tussen 11 april 2015 en eind februari 2016 onderdak hebben gekregen in een woning van P. [eiser 1] . De gestelde extra kosten van € 160,00 in verband met het verblijf bij de moeder van [eiseres 2] en van € 6.600 in verband met verblijf in een woning van P. [eiser 1] acht de rechtbank voldoende aannemelijk. EVG en de VvE hebben hun betwisting van die kosten niet adequaat onderbouwd.

3.22.

[eiser 1] en [eiseres 2] stellen in verband met hun verblijf elders extra vervoerskosten te hebben gehad. Bij dagvaarding stellen zij een bedrag van € 1.297,92 (productie 34). Bij nadere conclusie onder 2.26 stellen zij op basis van een overgelegde nadere specificatie een bedrag van € 2.077,00, waarbij dat laatste bedrag kennelijk (onbedoeld) exclusief de in eerdergenoemde productie vermelde parkeerkosten en parkeerbonnen is. De rechtbank zal deze schadepost schatten op € 2.000,00. De rechtbank acht op basis van de overgelegde specificatie voldoende aannemelijk dat tot dit bedrag schade is geleden. EVG en de VvE hebben hun betwisting van deze kosten niet voldoende onderbouwd.

3.23.

[eiser 1] en [eiseres 2] stellen in verband met hun verblijf elders extra huishoudelijke kosten te hebben moeten maken. Zij achten het onmogelijk om deze schade concreet te berekenen. Daarom hebben zij deze abstract begroot op een bedrag van € 2.371,40. De rechtbank acht aannemelijk dat sprake is geweest van enige extra kosten. Echter niet in de door [eiser 1] en [eiseres 2] gestelde mate. De rechtbank zal deze schadepost schatten op een bedrag van € 750,00.

3.24.

[eiser 1] en [eiseres 2] stellen voor € 9.587,92 aan verschillende benodigdheden te hebben moeten aanschaffen die zij niet hadden hoeven aanschaffen indien er geen sprake was geweest van een asbestcontaminatie. [eisers] stellen, na daartegen gevoerd verweer, dat dit andere benodigdheden betreft dan de goederen die door hen worden gerekend tot de vernietigde inboedel (conclusie na tussenvonnis onder 2.28). De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost in het licht van de gemotiveerde betwistingen door EVG en de VvE onvoldoende is onderbouwd. Van de zijde van EVG en de VvE is er terecht op gewezen dat er sprake is van dubbeltellingen. Ter toelichting wijst de rechtbank op het volgende. Indien een televisie of andere zaken zijn vernietigd, kan men de waarde daarvan vorderen. Men kan uiteraard enerzijds van dergelijke vernietigde zaken de waarde vorderen en onder een andere schadepost de aanschafkosten van een vervangend artikel. Nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat schade is geleden die niet reeds onder andere posten is begroot, bestaat er geen aanleiding ter zake van deze categorie een extra bedrag aan schadevergoeding toe te kennen.

3.25.

[eiser 1] en [eiseres 2] stellen voor € 546,50 wegens schade ter zake van 'overige extra kosten' te hebben geleden. Daarbij noemen [eiser 1] en [eiseres 2] extra verbruik internet buiten databundel door gebrek aan wifi in de tijdelijke woning te Den Haag, Digitenne in de tijdelijke woning, een noodmatras, een stofzuiger en elektriciteitsverbruik door saneerder Horyon. De rechtbank acht enige extra kosten, bijvoorbeeld extra telefoonkosten/kosten datagebruik aannemelijk. Ook hier lijkt echter sprake van dubbeltellingen (stofzuiger, matras). Voorts heeft de VvE er terecht op gewezen dat deze gestelde schadeposten niet met bewijsstukken zijn onderbouwd. De rechtbank zal dit gestelde onderdeel van de schade schatten op een bedrag van € 150,00.

3.26.

Het door [eiseres 3] gestelde schadebedrag ad € 1.480,37 betreft voor € 75,00 extra vervoerkosten en voor € 1.405,37 extra huishoudelijke kosten. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [eiseres 3] extra kosten heeft moeten maken. De overgelegde specificatie (productie 34) omvat deels een opsomming van kennelijk gedane uitgaven en deels een schatting van gemaakte kosten. De rechtbank zal de schade ter zake van door Bosman gemaakte extra kosten schatten op een bedrag van € 750,00.

3.27.

Het door [eiseres 4] gestelde schadebedrag ad € 880,00 betreft extra vervoerkosten, de reparatie van een cv-ketel en kosten in verband met een bij de sanering verdwenen sleutel van de brievenbus. De overgelegde specificatie (productie 34) is summier. Aantallen gereden kilometers zijn niet vermeld. Niet helder is hoe de gestelde kosten zich verhouden tot de asbestbesmetting en de sanering. De rechtbank zal de gemaakte toerekenbare extra kosten schatten op een bedrag van € 250,00.

3.28.

De rechtbank zal de schade ter zake van de door [eisers] gestelde extra kosten derhalve schatten op de volgende bedragen:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 9.660,00

[eiseres 3] € 750,00

[eiseres 4] € 250,00

Gederfde winst

3.29.

[eiser 1] en [eiseres 2] stellen dat zij sinds november 2013 een eigen bedrijf hebben geëxploiteerd naast hun werk in loondienst. Dat bedrijf houdt zich voornamelijk bezig met de verhuur van consumentenartikelen. [eiser 1] en [eiseres 2] stellen dat zij als gevolg van de asbestcontaminatie en al hetgeen daarvan het gevolg is geweest in de periode tussen december 2014 en maart 2016 een schade van € 2.172,33 hebben geleden.

3.30.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. [eiser 1] en [eiseres 2] hebben een kort overzichtje met enkele cijfers overgelegd waaruit zou kunnen worden afgelegd dat de gemiddelde omzet per maand van het eigen bedrijfje vanaf 2013 tot en met 2016 steeds lager is geworden. Uit hetgeen [eiser 1] en [eiseres 2] hebben gesteld en uit de door hen overgelegde stukken kan de rechtbank echter niet afleiden dat aannemelijk is te achten dat de gestelde omzetdaling het gevolg is van de asbestbesmetting en de saneringswerkzaamheden in de woning van [eiser 1] en [eiseres 2] . Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat sprake is geweest van netto winstderving en, zo ja, in welke mate. Voor zover de omzetdaling samenhangt met het feit dat [eiser 1] en [eiseres 2] tijd hebben geïnvesteerd in de herstelwerkzaamheden in plaats van in dit eigen bedrijfje is van belang dat sprake is van dubbeltellingen. Zij vorderen immers tevens een vergoeding voor (arbeid in verband met) die verrichte werkzaamheden. Dit onderdeel van de vordering is onvoldoende onderbouwd.

Verlofdagen

3.31.

[eiser 1] , [eiseres 2] en [eiseres 3] stellen dat zij respectievelijk 25, 26 en 3 verlofdagen hebben moeten opnemen als gevolg van de asbestcontaminatie. [eiser 1] en [eiseres 2] vorderen ter zake een schadevergoeding van € 5.885,00. [eiseres 3] vordert ter zake een schadevergoeding van € 394,74.

3.32.

Aannemelijk is dat [eiser 1] , [eiseres 2] en [eiseres 3] veel moesten regelen en dat zij in dat verband enkele vrije dagen/uren hebben moeten opnemen. Een duidelijke opgave van de dagen die zij hebben opgenomen en het doel waarvoor zij die dagen hebben opgenomen ontbreekt echter. Met betrekking tot [eiser 1] en [eiseres 2] is voorts van belang dat zij stellen dat zij dagen hebben opgenomen om herstelwerkzaamheden te kunnen verrichten. De in verband met herstelwerkzaamheden en onvoltooide renovatiewerkzaamheden geleden schade betreft echter een andere reeds begrote schadepost waarin zowel materiaal als arbeid zijn verdisconteerd. In zoverre is van dubbeltellingen. De rechtbank zal met betrekking tot deze schadepost aan [eiser 1] en [eiseres 2] (gezamenlijk) toewijzen een bedrag van € 450,00 en aan [eiseres 3] van € 300,00.

Onverkoopbaarheid woning en daling woningwaarde

3.33.

[eisers] stellen dat zij schade lijden als gevolg van onverkoopbaarheid van de - inmiddels onder financieringsvoorbehoud verkochte - woning van [eiser 1] en [eiseres 2] en de daling van de woningwaarde van [eisers] Een en ander is in de visie van [eisers] het gevolg van de asbestcontaminatie en van de slechte financiële toestand waarin de VvE verkeert. [eisers] stellen dat zij daardoor een schade hebben geleden van:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 15.000,00

[eiseres 3] € 15.000,00

[eiseres 4] € 15.000,00

3.34.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het feit dat de woningen van [eisers] met asbest gecontamineerd zijn geweest een beperkt waarde drukkend effect heeft. Dat de woningen met asbest gecontamineerd zijn geweest (welk probleem is aangepakt), leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot onverkoopbaarheid van de woningen en evenmin tot een zeer substantiële daling van de woningwaarde.

3.35.

Gebleken is dat in de woningen en in het complex waarvan de woningen deel uitmaken asbest is verwerkt, en wel op zodanige wijze dat dit de uitvoeringskosten van een op enig moment noodzakelijke renovatie zeer aanzienlijk kan verhogen. Van dat feit gaat een belangrijk waarde drukkend effect uit. Daarvoor zijn EVG en de VvE echter niet aansprakelijk jegens [eisers]

3.36.

Aannemelijk is dat er tevens een belangrijk waarde drukkend effect uitgaat van het feit dat de VvE niet of nauwelijks beschikt over financiële middelen en dat de VvE die middelen niet eenvoudig zal kunnen verwerven, terwijl ten behoeve van onderhoud en renovatie van het complex in de (nabije) toekomst waarschijnlijk aanzienlijke uitgaven zouden dienen te worden gedaan om (verdere) achteruitgang te voorkomen. In een dergelijke situatie kan een VvE niet goed functioneren. Nog afgezien van het feit dat het ontbreken van middelen bij de VvE bij verkoop van een appartement in een relatief oud complex met achterstallig onderhoud verdisconteerd zal worden in de koopprijs, zal ook het niet goed (kunnen) functioneren van de VvE negatief effect hebben op de waarde van de zich in het complex bevindende appartementen en op de verkoopbaarheid van die appartementen. Ook daarvoor zijn EVG en de VvE echter niet aansprakelijke jegens [eisers] Voor zover de financiële positie van de VvE is verslechterd doordat een contractuele wederpartij van de VvE jegens haar wanprestatie heeft gepleegd of doordat derden jegens de VvE onrechtmatig hebben gehandeld of nagelaten, is het de VvE die mogelijk een vordering jegens die partijen heeft. Dat levert geen rechtstreekse vordering op van de leden van de VvE jegens de contractuele wederpartij van de VvE en/of jegens die derden.

3.37.

De rechtbank zal de schade ter zake van het waarde drukkend effect van de asbestcontaminatie schatten op de volgende bedragen:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 3.000,00

[eiseres 3] € 3.000,00

[eiseres 4] € 3.000,00

VvE-kosten

3.38.

[eisers] stellen dat zij schade lijden doordat de VvE in verband met en als gevolg van de asbestcontaminatie kosten heeft gemaakt. Zij wijzen erop dat deze kosten uiteindelijk worden gedragen door alle bewoners die lid zijn van de VvE. Sinds de asbestcontaminatie zijn de eigen bijdragen aanzienlijk verhoogd. De VvE vraagt van haar leden zelfs een extra eenmalige eigen bijdrage van € 30.000,00. [eisers] stellen dat de precieze schade als gevolg van de VvE-kosten niet goed is vast te stellen omdat de daarvoor benodigde informatie zich bij de VvE bevindt. [eisers] vorderen thans het bedrag waarmee de periodieke eigen bijdrage vanaf 1 januari 2015 is verhoogd ad € 1.360,00, vermeerderd met een gedeelte nader op te maken bij staat.

3.39.

De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen. Indien de VvE kosten maakt of schade lijdt als gevolg van wanpresteren of een onrechtmatige daad van een derde kan de VvE jegens die derde een vordering tot vergoeding van schade hebben. Die vordering komt in beginsel niet toe aan individuele leden van de VvE. Waarom dat in dit geval anders zou zijn, kan uit de stellingen van [eisers] niet worden opgemaakt. Indien de VvE kosten maakt en/of schade lijdt die zij niet kan verhalen op een derde dan ligt het inderdaad in de rede dat deze kosten (via verhoging van de eigen bijdragen) uiteindelijk worden gedragen door alle bewoners die lid zijn van de VvE. Het is echter niet zo dat dergelijke kosten dienen te worden gedragen door alle bewoners/leden van de VvE behalve [eisers]

Immateriële schade

3.40.

[eisers] stellen dat zij immateriële schade hebben geleden doordat sprake is geweest van asbestcontaminatie in de woningen van [eisers] gedurende een periode van ruim twee maanden dat zij in die woningen hebben geleefd. [eisers] vorderen aan smartengeld:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 8.000,00

[eiseres 3] € 4.000,00

[eiseres 4] € 4.000,00

3.41.

Het van de zijde van EVG en de VvE gevoerde verweer dat de kans op gezondheidsschade zeer gering is en dat er - naar de rechtbank begrijpt - ook slechts een zeer geringe vrees voor gezondheidsschade kan bestaan, leidt niet tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van smartengeld.

3.42.

Het moge zo zijn dat de kans op gezondheidsschade door blootstelling aan asbest gering is, maar het door onzorgvuldig handelen van EVG en de VvE gedurende een substantiële periode in de eigen woning blootgesteld zijn geweest aan het risico op inademing van asbestvezels in combinatie met het verlies van zich in de eigen woning bevindende persoonlijke zaken als gevolg van de noodzakelijke sanering van de woningen, levert - wat er ook zij van het beperkte risico op concrete gezondheidsschade (anders dan angst daarvoor) - een aantasting in de persoon op die toekenning van een bedrag aan smartengeld rechtvaardigt. De rechtbank zal aan smartengeld toekennen:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 1.500,00

[eiseres 3] € 750,00

[eiseres 4] € 750,00

Samenvattend

3.43.

De rechtbank zal derhalve de volgende bedragen aan schadevergoeding toekennen:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 32.610,00

[eiseres 3] € 10.800,00

[eiseres 4] € 6.250,00

3.44.

In mindering op die bedragen komen de door [eisers] reeds ontvangen voorschotten en de door [eiser 1] en [eiseres 2] van hun verzekeraar ontvangen vergoeding:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 25.000,00

[eiseres 3] € 7.500,00

[eiseres 4] € 3.250,00

3.45.

Per saldo zal derhalve nog worden toegewezen:

[eiser 1] en [eiseres 2] € 7.610,00

[eiseres 3] € 3.300,00

[eiseres 4] € 3.000,00

3.46.

Vergoeding van wettelijke rente over de saldi is gevorderd vanaf 9 december 2014, subsidiair vanaf de dag van dagvaarding. Nu op 9 december 2014 in ieder geval nog niet alle schade was verschenen, zal de wettelijke rente over de saldi worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

3.47.

Er bestaat geen aanleiding om naast de veroordelingen tot schadevergoeding tevens verklaringen voor recht uit te spreken. [eisers] hebben daarbij geen belang. Die vorderingen zullen worden afgewezen.

3.48.

Op de vordering die is ingesteld voor het geval de voorwaardelijke reconventionele vordering van de VvE wordt toegewezen, hoeft niet te worden beslist. De reconventionele vorderingen zullen worden afgewezen.

3.49.

EVG en de VvE zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3.50.

De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 96,67

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.740,67

in de hoofdzaak in reconventie tussen de VvE en [eisers]

3.51.

De VvE heeft aan haar vordering in reconventie ten grondslag gelegd dat zij voor een bedrag van € 34.858,63 aan kosten heeft voorgeschoten aan [eisers] onder andere om deze - nadat zij in het voorjaar van 2015 uit hun woningen waren vertrokken - in diverse hotels te laten verblijven.

3.52.

De vordering van de VvE zal worden afgewezen. Indien niet de VvE maar [eisers] betreffende kosten zouden hebben gemaakt, zouden zij vergoeding van die kosten in beginsel als schade voortvloeiende uit de door de VvE jegens hen gepleegde onrechtmatige daad van De VvE kunnen vorderen. Nu de VvE die kosten voor haar rekening heeft genomen, waardoor [eisers] in zoverre geen schade hebben geleden, kan zij die kosten niet terugvorderen van [eisers] Uit de stellingen van de VvE kan niet worden opgemaakt dat voor een dergelijke vordering een juridische grondslag bestaat. [eisers] hebben niet onrechtmatig gehandeld jegens de VvE en van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake. De verhouding tussen de VvE en EVG - die beide uit onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens [eisers] - gaat [eisers] in beginsel niet aan.

3.53.

De VvE zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie.

3.54.

De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- salaris advocaat € 452,00 (1,0 punt × tarief € 452,00)

in de hoofdzaak in reconventie tussen EVG en [eisers]

3.55.

EVG vordert in reconventie van [eisers] de bedragen terug die zij op basis van het vonnis is kort geding aan [eisers] heeft moeten betalen. Uit hetgeen in conventie is overwogen en beslist vloeit voort dat die vorderingen tot terugbetaling zullen worden afgewezen. De reeds betaalde voorschotten strekken in mindering op de door EVG aan [eisers] te vergoeden schade. Per saldo resteren echter nog steeds vorderingen van [eisers] , welke in conventie worden toegewezen.

3.56.

EVG zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie.

3.57.

De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- salaris advocaat € 452,00 (1,0 punt × tarief € 452,00)

in de zaak in vrijwaring

3.58.

In vervolg op hetgeen in het tussenvonnis is overwogen onder 5.27 tot en met 5.37 worden de vorderingen van de VvE in vrijwaring afgewezen.

3.59.

De VvE zal in vrijwaring als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in vrijwaring.

3.60.

De kosten aan de zijde van EVG worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 452,00 (1,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.071,00

in het incident

3.61.

Bij het vonnis in het incident van 24 augustus 2016 is de beslissing over de kosten van het incident aangehouden. De VvE wordt veroordeeld in de kosten van het incident. Deze worden aan de zijde van [eisers] begroot op nihil.

4 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak in conventie

4.1.

veroordeelt de VvE en EVG hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser 1] en [eiseres 2] te betalen een bedrag van € 7.610,00 (zevenduizend zeshonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 17 mei 2016 tot de dag van volledige betaling,

4.2.

veroordeelt de VvE en EVG hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres 3] te betalen een bedrag van € 3.300,00 (drieduizend driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 17 mei 2016 tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt de VvE en EVG hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres 4] te betalen een bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 17 mei 2016 tot de dag van volledige betaling,

4.4.

veroordeelt de VvE en EVG hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de hoofdzaak in conventie, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.740,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken tot de dag van volledige betaling,

in de hoofdzaak in reconventie tussen de VvE en [eisers] :

4.5.

wijst de vorderingen af,

4.6.

veroordeelt de VvE in de kosten in de hoofdzaak in reconventie tussen de VvE en [eisers] , aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken tot de dag van volledige betaling,

in de hoofdzaak in reconventie tussen EVG en [eisers] :

4.7.

wijst de vorderingen af,

4.8.

veroordeelt de EVG in de kosten in de hoofdzaak in reconventie tussen EVG en [eisers] , aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken tot de dag van volledige betaling,

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie:

4.9.

veroordeelt de VvE en EVG in de hoofdzaak in conventie en in reconventie hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.11.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in de zaak in vrijwaring:

4.12.

wijst de vorderingen af,

4.13.

veroordeelt de VvE in de proceskosten in de zaak in vrijwaring, aan de zijde van EVG tot op heden begroot op € 1.071,00,

in het incident:

4.14.

veroordeelt de VvE in de proceskosten in het incident, aan de zijde van [eisers] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017.
[1729; 2053]