Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7261

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
6211955 VZ VERZ 17-20434
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontbindingverzoek werkgever ex 7:671 b BW op e-grond en g-grond en tegenverzoek werknemer op grond van 7:686 BW. Tegenverzoek afgewezen, e-grond afgewezen, g-grond toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1222

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6211955 VZ VERZ 17-20434

uitspraak: 14 september 2017

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Zorgbeheer de Zellingen,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

verzoekster,

gemachtigde: mr. R.C.W. van der Zande te Utrecht,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaatsnaam],

verweerster,

gemachtigde: mr. P. Mourik te Rotterdam.

Partijen worden hierna ‘De Zellingen’ en ‘[verweerster]’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Op 3 augustus 2017 is ter griffie ontvangen het verzoek ex artikel 7:671b lid 1 sub a BW van De Zellingen om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Bij dit verzoekschrift zijn producties gevoegd. De Zellingen heeft bij brief van 29 augustus 2017
meer producties overgelegd.

1.2

Op 25 augustus 2017 is ter griffie het verweerschrift met producties van [verweerster] ontvangen. Daarnaast heeft [verweerster] zelfstandige tegenverzoeken gedaan.

1.3.

Op 31 augustus 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Beide partijen zijn verschenen, De Zellingen vertegenwoordigd door mevrouw [P.] (Manager Zorg en direct leidinggevende van [verweerster]) de heer [L.] (Manager P&O) bijgestaan door haar gemachtigde en [verweerster] in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door de respectieve gemachtigden, mede aan de hand van pleitnotities, die zijn overgelegd. Van hetgeen op de zitting is besproken heeft de griffier aantekening gemaakt.

1.3.

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De Zellingen is een organisatie die zich bezighoudt met activiteiten op het gebied van thuiszorg, preventieve gezondheidszorg verzorgingshuizen en lokaal welzijnswerk.

2.2

[verweerster], geboren op [geboortedatum], is per 15 april 2017 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij De Zellingen in de functie van Wijkverpleegkundige. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 7 maanden. De arbeidsomvang is gemiddeld 24 uur per week en ten hoogste 32 uur per week. Het basissalaris van [verweerster] bedraagt € 2.939,89 bruto per maand op basis van een 36-urige werkweek, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO VTT van toepassing.

2.3

Na het einde van de proeftijd, per 14 mei 2017, en na een evaluatiegesprek heeft De Zellingen besloten het dienstverband met [verweerster] voort te zetten.

2.4

Op 20 juni 2017 heeft een tweede evaluatie gesprek plaatsgevonden.

2.5

Op 19 juli 2017 heeft De Zellingen aan [verweerster] een voorstel voor de beëindiging van het dienstverband per 1 augustus 2017 toegezonden. [verweerster] heeft met dit voorstel niet ingestemd.

2.6

Bij brief van 21 juli 2017 heeft De Zellingen [verweerster] geschorst en haar het volgende geschreven:

“(…) In een eerder overleg met je Leidinggevende ben je met haar overeengekomen dat het niet zinvol was om de arbeidsrelatie voort te zetten en zijn er ten aanzien van de wijze van beëindiging afspraken gemaakt. De overeenkomst is per mail naar je toegezonden en tevens ben je verzocht om deze beëindigingsovereenkomst vandaag te komen tekenen.

Nu jij vandaag per e-mail, blijk geeft van het niet nakomen van deze afspraak

kan dit worden toegevoegd aan de al lange lijst van zaken die zich in jouw nog korte

dienstverband met De Zellingen, ingangsdatum 15 april 2017, al hebben voorgedaan,

Niet limitatief noem ik de volgende zaken:

- de manier van communiceren met collega’s en cliënten;

- het telefonisch voor collega’s niet bereikbaar zijn tijdens werktijd;

- het niet nakomen van afspraken om op AT-basis werkzaamheden te verrichten;

- het indienen van een klacht door familie van een cliënt.

Ik ben van mening dat er inmiddels sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Als

gevolg daarvan wordt je met onmiddellijke ingang, te weten 21 juli 2017, geschorst.

Op dit moment heb je nog door de werkgever aan jou verstrekte eigendommen en

bescheiden in bezit. Je wordt opgedragen deze eigendommen en bescheiden op

maandag 24 juli 2017 In te leveren bij je leidinggevende [P.].

De Zellingen is voornemens om de arbeidsrelatie met ingang van 1 augustus 2017 te

beëindigen. Van werkgeverszijde is de bereidheid aanwezig om alsnog beëindigen met

wederzijds goedvinden. Deze mogelijkheid staat tot en met donderdag 27 juli 2017

voor je open.(…)”

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoek van De Zellingen strekt er toe de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden, primair omdat er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerster], zodanig dat van De Zellingen in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW, subsidiair omdat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g BW.

3.2.

Aan haar verzoek heeft De Zellingen, naast de hiervoor onder 2.1, 2.2 en 2.6 genoemde vaststaande feiten -voor zover thans van belang- het volgende ten grondslag gelegd:

3.2.1

Vanaf aanvang van de dienstbetrekking zijn er problemen geweest met [verweerster]. De Zellingen heeft [verweerster] steeds aangesproken op haar gedrag, handelswijze en verder disfunctioneren, maar een verbetering is niet opgetreden. [verweerster] heeft met haar acties en nalaten de bedrijfsvoering van De Zellingen belemmerd. Door dit verwijtbaar handelen van [verweerster] heeft Zellingen schade geleden. Van De Zellingen kan daarom in redelijkheid niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2.2

De arbeidsverhouding tussen partijen is door een en ander verstoord geraakt. [verweerster] heeft zich bij haar collega’s en bij De Zellingen onmogelijk gemaakt. De Zellingen heeft zich dan ook genoodzaakt gezien [verweerster] per 21 juli 2017 te schorsen.

4 Het verweer en de tegenverzoeken

4.1

Het verweer strekt tot afwijzing van het verzoek. [verweerster] heeft daartoe het volgende aangevoerd.

4.1.1

Voor [verweerster] was werken in de wijkverpleging een nieuw terrein en De Zellingen was dit bekend. Tijdens de sollicitatie gesprekken is ook aangegeven dat men rekening hield met een inwerkperiode van een jaar.

4.1.2

[verweerster] is aangenomen in de functie Wijkverpleegkundige niveau 5, deze functie zou wat meer gericht zijn op indiceren en coördineren en plannen, terwijl de functie Wijkverpleegkundige niveau 3 meer gericht is op het daadwerkelijk verlenen van zorg.

[verweerster] is echter voornamelijk ingezet op werkzaamheden op niveau 3.

4.1.3

Van ernstig verwijtbaar handelen is geen sprake. Door De Zellingen is nooit aangegeven wat voor haar wel of niet toelaatbaar wordt geacht. Bovendien behoort een werkgever een werknemer te begeleiden en te zorgen voor scholing. Dat is niet gebeurd, hoewel [verweerster] op 31 mei en 20 juni 2017 had aangegeven behoefte te hebben aan 1-op-1 begeleiding, als ook aan een grondige scholing. In plaats daarvan wordt [verweerster] al na ruim 2 maanden (op 21 juni 2017) medegedeeld dat het contract niet verlengd zal worden.

Het is op zich juist dat [verweerster] op 19 april 2017 heeft aangegeven dat zij wilde stoppen. Zij meende toen dat het beter was om met het werken in de wijkverpleging te stoppen. Zij is erg onzeker, twijfelt aan eigen kunnen en heeft behoefte aan bevestiging. Zij is hiervoor in therapie.

De door De Zellingen in de door haar overgelegde e-mail correspondentie gesignaleerde aandachtspunten zien voornamelijk op werkzaamheden op niveau 3 en zijn verder aan te merken als leermomenten in een inwerkperiode.

Alle theorievragen heeft [verweerster] gemaakt en tijdig, op 30 mei 2017, ingeleverd.

Dat het verzoek om van dienst te ruilen voor onrust zou hebben gezorgd is ongefundeerd, een dergelijk verzoek komt is in de zorg met grote regelmaat voor.

Wat betreft de klacht van cliënt [X.]: de werkwijze van [verweerster] is in lijn met de actuele stand van medisch onderzoek.

4.1.4

Van (herhaalde) werkweigering is evenmin sprake. Zij zou, nadat zij zich op 23 juni 2017 ziek had moeten melden met rugklachten, arbeidstherapeutische werkzaamheden verrichten, in welk kader zij op een intramurale afdeling werd geplaatst. Gelet op en het feit dat dergelijke werkzaamheden meer specifieke kennis vereist dan thuiszorg en haar gebrek aan ervaring, achtte zij dit niet verantwoord.

4.1.5

Van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:669 lid 3 onder g BW is evenmin sprake, daarvoor is vereist dat er sprake is van een ernstige en duurzame verstoring. Gesteld noch gebleken is dat De Zellingen een serieuze poging heeft gedaan om, als er al sprake was van een verstoorde verstandhouding, deze te herstellen.

4.2

[verweerster] verzoekt de kantonrechter daarnaast, in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van een verstoorde verstandhouding aan haar een billijke vergoeding toe te kennen van € 5.000,00, nu de verstoring van de verstandhouding is veroorzaakt door De Zellingen. De Zellingen heeft verzuimd aan [verweerster] de benodigde scholing en begeleiding te geven, zij maakt [verweerster] verwijten ten aanzien van werkzaamheden die grotendeels buiten haar functieomschrijving vallen, zij doet aan [verweerster] een niet-acceptabel beëindigingsvoorstel, zij schorst [verweerster] en start een ontbindingsprocedure, waardoor [verweerster] disproportionele extra juridische kosten heeft moeten maken.

4.3

Voorts verzoek [verweerster] de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van wanprestatie als bedoeld in artikel 7:686 BW, waartoe zij verwijst naar hetgeen door haar is aangevoerd als verwoord in r.o. 4.2. [verweerster] stelt zich op het standpunt dat zij door het tekortschieten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst door De Zellingen schade heeft geleden die door haar wordt geschat op € 5.000,00.

5 De beoordeling

De verzoeken tot ontbinding op grond van 7:7:671b BW jo 7:686 BW

5.1

Uit de stellingen van partijen volgt dat beide partijen in deze procedure een ontbinding van de arbeidsovereenkomst nastreven, zij het op verschillende gronden. Toewijzing van een ontbinding op grond van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst (7:686 BW), zal er toe leiden dat er per datum beschikking wordt ontbonden en de kantonrechter geen opzegtermijn als bedoel in artikel 7: 671b lid 8 BW in acht behoeft te nemen. Dit brengt met zich dat hierna eerst het tegenverzoek in zake de ontbinding op grond van een tekortkoming in de nakoming beoordeeld zal worden.

Het verzoek op grond van 7:686 BW

5.2

Artikel 7:686 BW bepaalt dat de bepalingen van afdeling 9 en 10 van Boek 7 voor geen van beide partijen de mogelijkheid uitsluiten om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vorderen wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst alsmede vergoeding van schade. In dit kader heeft de Hoge Raad beslist dat de tekortkoming in de nakoming alleen kan leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in het geval er sprake is van een ernstige tekortkoming. Daarbij is overwogen dat het stelsel van de wet betreffende de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, in het bijzonder de bescherming die de regeling ter zake van die beëindiging aan de werknemer beoogt te bieden, daartoe noopt. (HR 20 april 1990 NJ 1990, 702). Het onderhavige verzoek is echter door [verweerster] als werknemer gedaan, zodat de beschermende rol van het arbeidsrecht niet zozeer aan de orde is en kan worden volstaan met een tekortkoming welke niet van slechts geringe betekenis is in de zin van artikel 6:265 lid 1 BW.

5.3

Op grond van de arbeidsovereenkomst heeft [verweerster] als werknemer zich verbonden om gedurende de overeengekomen tijd de bedongen werkzaamheden te verrichten in dienst van De Zellingen als werkgever en heeft De Zellingen zich verbonden het overeengekomen loon aan [verweerster] te voldoen en dienen beide partijen zich respectievelijk als goed werknemer en goed werkgever te gedragen. Dit laatst dient te worden ingevuld aan de hand van artikel 3:12 BW. Op grond van de jurisprudentie brengt goed werkgeverschap met zich dat de Zellingen in beginsel verplicht is [verweerster] feitelijk te werk te stellen tenzij zij een voldoende zwaarwegende redelijke grond heeft [verweerster] daarvan te weerhouden.

5.4

Gesteld noch gebleken is dat De Zellingen [verweerster] haar loon niet heeft voldaan, zodat De Zellingen in zoverre haar verbintenis uit de onderhavige overeenkomst is nagekomen.

5.5

[verweerster] verwijt De Zellingen onder meer dat zij [verweerster] heeft geschorst. Zij acht dit diffamerend; voorts is door de schorsing haar gebrek aan zelfvertrouwen verder toegenomen. De Zellingen heeft blijkens haar brief van 21 juli 2017 [verweerster] geschorst, omdat de arbeidsverhouding tussen partijen in haar visie zodanig was verstoord dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerster] wenste te beëindigen, in welk kader zij een beëindigingsvoorstel aan [verweerster] heeft gedaan, en vervolgens nadat [verweerster] niet met het beëindigingsvoorstel had ingestemd, de onderhavige ontbindingsprocedure heeft geëntameerd. De Zellingen had aldus in beginsel een redelijke grond om [verweerster] te schorsen. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of die grond voldoende zwaarwegend is tegenover de wens van [verweerster] om in de gelegenheid te worden gesteld de bedongen werkzaamheden te verrichten. [verweerster] heeft in dit kader niet meer aangevoerd dan dat de schorsing voor haar diffamerend was en haar gebrek aan zelfvertrouwen heeft doen vergroten. Deze omstandigheden brengen, hoe begrijpelijk en vervelend deze ook zijn, niet met zich dat het belang van De Zellingen bij de schorsing in het kader van de gestelde verstoorde verstandhouding en de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst minder zwaar dient te wegen en De Zellingen zich daarom van die schorsing had dienen te onthouden. Door aldus te handelen is De Zellingen dan ook niet in voldoende ernstige mate tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst.

5.6

De overige verwijten van [verweerster] jegens De Zellingen (het gestelde verzuim om aan [verweerster] de benodigde scholing en begeleiding te geven, de stelling dat de gemaakte verwijten zien op werkzaamheden die grotendeels buiten de functieomschrijving vallen,

de stelling dat De Zellingen een niet-acceptabel beëindigingsvoorstel heeft gedaan, als ook de stelling dat [verweerster] door de handelswijze van De Zellingen (disproportionele extra) juridische kosten heeft moeten maken) zijn - indien al juist en indien De Zellingen daarbij in strijd met haar goed werkgeverschap zou hebben gehandeld en aldus haar verbintenis uit de overeenkomst niet goed zou zijn nagekomen - niet aan te merken als voldoende ernstige tekortkomingen die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen.

5.7

Het voorgaande leidt er toe dat het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van 7:686 BW dient te worden afgewezen.

5.8

De gevorderde schadevergoeding ad € 5.000,00 die op de ontbinding op deze grond is gebaseerd, treft het zelfde lot, en behoeft dan ook geen aparte bespreking meer.

Het verzoek op grond van artikel 7:671b lid 1 BW

Opzegverboden

5.9

Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken.

Beoordelingskader

5.10.

Vooropgesteld wordt dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (zoals in het geval van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in lid 3 onder e), waarbij in lid 3 van dat wetsartikel nader en limitatief is omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

Redelijke grond

5.11

De Zellingen stelt dat er zowel sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW als van een situatie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW en beide gronden op zichzelf zodanig ernstig zijn dat van De Zellingen in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te laten voortduren. [verweerster] heeft dit standpunt van De Zellingen uitdrukkelijk betwist.

t.a.v het verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e BW

5.12

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de door De Zellingen overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende dat er sprake van is dat [verweerster] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e BW, dat dit een redelijke grond oplevert die tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te leiden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.13

Ter onderbouwing van haar stelling dat er sprake is van verwijtbaar handelen en nalaten van [verweerster] heeft De Zellingen aangevoerd dat [verweerster] door haar handelen en nalaten de bedrijfsvoering van De Zellingen heeft belemmerd en De Zellingen schade heeft berokkend. De Zellingen heeft in dit kader een aantal voorvallen aangehaald, waaruit die belemmering en schade zouden blijken. In het hierna volgende zal hierop nader worden ingegaan.

5.14

Voor verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van 669 lid 3 sub e BW moet het een werknemer duidelijk zijn wat door de werkgever als ontoelaatbaar gedrag wordt beschouwd, waarbij het om redelijke eisen ten aanzien van het gedrag dient te gaan. Dit brengt in casu met zich dat [verweerster] wist, althans had moeten begrijpen dat haar handelen en nalaten de bedrijfsvoering van De Zellingen belemmerde als ook schade toebracht aan
De Zellingen en voorts dat De Zellingen dergelijk gedrag daarom ontoelaatbaar acht. Dat daarvan sprake is volgt echter niet, althans onvoldoenden uit de door De Zellingen overgelegde stukken die hierna worden besproken.

5.15

In de e-mail van 19 april 2017 van [H.] (wijkverpleegkundige niveau 5 en teamgenoot van [verweerster]) aan [P.], geeft eerstgenoemde aan dat [verweerster] haar die ochtend een appje had gestuurd dat zij besloten had niet meer te komen. Nog daargelaten dat [verweerster] hieraan kennelijk geen gevolg heeft gegeven, zij is haar werkzaamheden immers blijven verrichten, wordt in deze e-mail niet gesproken over eventuele gevolgen van deze mededeling voor De Zellingen. Uit deze e-mail volgt dan ook niet dat daardoor de bedrijfsvoering van De Zellingen is geschaad laat staan dat De Zellingen daardoor schade heeft geleden en evenmin dat [verweerster] hierop is gewezen.

5.16

In het gespreksverslag van 10 mei 2017, gehouden vlak vóór het einde van de proeftijd, worden een aantal aandachtspunten genoemd. [verweerster] komt soms wat nors over op cliënten en zij was tijdens een avonddienst telefonisch niet bereikbaar, zodat er geen afstemming had kunnen plaatsvinden, waarbij is aangetekend dat thuiszorg valt of staat met afstemming. Voorts is haar geadviseerd om contact met andere collega’s te zoeken ter bevordering van de onderlinge samenwerking. Uit dit verslag volgt niet dat een en ander gevolgen heeft gehad voor de bedrijfsvoering van De Zellingen en dus evenmin dat [verweerster] door haar handelen of nalaten de bedrijfsvoering van De Zellingen heeft geschaad en De Zellingen schade heeft geleden en dat De Zellingen zulk gedrag dan ook niet tolereert. Voorts heeft het gedrag van [verweerster] De Zellingen er kennelijk niet van weerhouden het dienstverband met [verweerster] voort te zetten.

5.17

In de e-mail van 26 mei 2017 van [M.] aan [H.], is aangegeven dat [verweerster] met betrekking tot een cliënt het wondplan niet gevolgd had en bij een andere cliënt onhandig te werk was gegaan bij het douchen. Voorts maakt [M.] zich zorgen dat [verweerster] geen tips aan wil nemen en niet eerlijk is en verder heeft zij het gevoel dat [verweerster] het afsprakenblad van de betreffende cliënt niet leest en daardoor fouten maakt.

Op 31 mei 2017 heeft er kennelijk een gesprek plaatsgevonden tussen [H.] en [verweerster], waarin een aantal klachten is besproken; de e-mail van 31 mei 2017 van [H.] is een vervolg op dit gesprek. Uit die e-mail volgt dat in dit gesprek met [verweerster] onder meer de hiervoor genoemde aanmerkingen van [M.] zijn besproken. Voorts is in die e-mail aangegeven dat het aan [verweerster] is om waar nodig een beroep op haar collega’s te doen, omdat het voor haar collega’s lastig is te zien op welke punten [verweerster] hulp behoeft.

Uit de reactie van [verweerster] volgt dat zij de door [H.] geuite bezwaren erkent en verbetering wil nastreven, in welk kader zij vraagt of het mogelijk is om nog mee te lopen met collega’s.

5.18

Uit geen van de beide hiervoor onder 5.17 genoemde stukken volgt echter welke (nadelige) gevolgen het gedrag van [verweerster] voor De Zellingen heeft gehad, in welk opzicht de bedrijfsvoering van De Zellingen is geschaad en welke schade De Zellingen daardoor heeft geleden en evenmin dat [verweerster] daarop is gewezen en is gewaarschuwd dat dergelijk gedrag niet langer zal worden getolereerd. Met name de e-mail van 31 mei 2017 is eerder aan te merken als het wijzen op aandachtspunten, die verbetering behoeven.

Uit de omstandigheid dat [verweerster] in haar reactie de hoop uitspreekt dat De Zellingen nog met haar verder zal willen gaan is wel af te leiden dat [verweerster] heeft beseft dat als verbetering van de aandachtspunten uitblijft haar contract mogelijk niet zal worden verlengd. Dit leidt er echter niet toe dat er daarom sprake is verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van 669 lid 3 sub e BW.

5.19

Deze e-mail wisseling van 31 mei 2017 is (kennelijk met instemming van [verweerster]) op 7 juni 2017 doorgestuurd aan [P.]. Laatstgenoemde uit in haar e-mail van 7 juni 2017 aan [H.] de wens dat [verweerster], om meer ervaring op te doen, elke dienst cliëntzorg zal verlenen en vraagt in hoeverre het meelopen door een ervaren wijkverpleegkundige met [verweerster] iets op zal leveren. [H.] reageert daar op
19 juni 2017 op: nu het aantal klachten niet afneemt, inmiddels hadden kennelijk twee cliënten aangegeven verdere thuiszorg door [verweerster] niet op prijs te stellen, meent zij dat er niet veel tijd meer ingestoken zou moeten worden. Zij denkt dat een en ander niet is op te lossen met een kleine tijdsinvestering.

5.20

Op 20 juni 2017 volgt er wederom een evaluatiegesprek met [H.], [P.] en [verweerster]. In dit gesprek komen aandachtspunten naar voren met betrekking tot de communicatiestijl van [verweerster]: terugkoppeling naar het team vindt te weinig plaats, er is te weinig contact met de andere teamleden en bij diverse cliënten komt zij stug over. Verder is aangegeven dat van belang is dat [verweerster] eerst alle basis principes beheerst, en dat als zij iets niet weet zij eerst informatie bij directe collega’s moet inwinnen, alvorens te handelen. Dit laatste wordt geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld van de wondbehandeling van een cliënt met decubitus. Echter ook uit dit verslag volgt niet in hoeverre de bedrijfsvoering van De Zellingen door het handelen van [verweerster] is geschaad en evenmin dat en in hoeverre De Zellingen daardoor schade heeft geleden, laat staan dat [verweerster] op een en ander is gewezen.

5.21

Op 12 juli 2017 wordt [verweerster] er door [P.] op gewezen dat een familielid van een cliënt een klacht heeft ingediend bij De Zellingen. Voorts is [verweerster] er op gewezen dat haar functioneren niet op niveau 5 ligt en de communicatie met collega’s en cliënten moeizaam is. Verder is aangegeven dat [verweerster] meent dat zij een forse kennisachterstand heeft en dat het verlenen van basiszorg haar niet ligt. Op grond daarvan is haar medegedeeld dat De Zellingen heeft besloten dat het contract niet zal worden verlengd. Ook hieruit volgt echter niet dat er van de zijde van [verweerster] sprake is verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van 669 lid 3 sub e BW.

5.22

Het e-mailverkeer van 26 tot en met 29 mei 2017 heeft betrekking op het inleveren van opdrachten de dinsdag er opvolgend in het kader van het skills lab. Hieruit volgt echter niet dat er sprake is van een slechte communicatie aan de zijde van [verweerster], in tegendeel. [verweerster] reageert juist op de door haar ontvangen e-mail. De Zellingen heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat de bewuste uitwerkingen van de opdrachten niet door [verweerster] zijn ingeleverd, maar dit is door [verweerster] betwist, waartoe zij twee e-mailberichten van dinsdag 30 mei 2017 heeft overgelegd.

5.23

De e-mail wisseling op 15 juni 2017 ziet op een verzoek van [verweerster] aan diverse collega’s om een avonddienst met haar te ruilen, hetgeen voor onrust zou hebben gezorgd. De Zellingen heeft tenslotte een e-mail van 23 juni 2017 overgelegd van [M.], waarin [verweerster] wordt verweten dat zij niet heeft voldaan aan het verzoek om na afloop van haar route andere collega’s te bellen of zij, in verband met de uitval van een zieke collega en de opvang van diens werkzaamheden, assistentie behoefden. [M.] achtte dit het toppunt van on-collegialiteit. Ook uit deze e-mails volgt niet dat en in hoeverre hierdoor de bedrijfsvoering van De Zellingen is belemmerd en De Zellingen schade heeft geleden en evenmin dat [verweerster] daarop is gewezen.

5.24

Kort samengevat volgt uit het vorenstaande in onderling verband bezien dat [verweerster] in de eerste drie maanden van de arbeidsovereenkomst weliswaar meermaals op haar functioneren is aangesproken en daarbij steeds diverse aandachtspunten zijn beklemtoond en is aangegeven dat die punten verbetering behoeven, als ook dat is geconstateerd dat verbetering is uitgebleven. Echter daarbij is [verweerster] niet op de consequentie van haar gedrag gewezen, namelijk dat zij - zo daar al sprake van is - door haar handelen en nalaten de bedrijfsvoering van De Zellingen belemmert en De Zellingen schade toebrengt. Evenmin volgt daaruit dat De Zellingen heeft aangegeven dat zij dergelijk gedrag daarom ontoelaatbaar acht.

Hoewel [verweerster] kennelijk wel heeft begrepen dat haar gedrag, indien geen verbetering optrad, er toe zou kunnen leiden dat haar contract na 14 november 2017 niet zal worden voortgezet, leidt dit er niet toe dat er thans sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 669 lid 3 sub e BW en [verweerster] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van De Zellingen in redelijkheid niet meer kan worden verwacht dat de arbeidsovereenkomst nog langer voortduurt en deze dient te worden ontbonden.

t.a.v de verstoorde verstandhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g BW

5.25

Wil er sprake zijn van een verstoorde arbeidsverhouding die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, dan dient de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig en duurzaam verstoord te zijn en wel zodanig dat van De Zellingen in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsrelatie met [verweerster] te laten voortduren.

5.26

De Zellingen heeft deze grond onderbouwd met dezelfde feiten en omstandigheden als hiervoor genoemd. Uit de door De Zellingen overgelegde brief van 21 juli 2017 volgt dat de verstoorde arbeidsverhouding ook is gelegen in de omstandigheid dat [verweerster] afspraken om op AT-basis werkzaamheden te verrichten niet is nagekomen. De Zellingen stelt dat uit de door haar overgelegde stukken volgt dat [verweerster] zich onmogelijk heeft gemaakt bij zowel De Zellingen, de cliënten van De Zellingen als bij haar collega’s.

5.27

[verweerster] heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Zij voert daartoe aan dat nergens uit blijkt dat De Zellingen enige serieuze poging heeft gedaan om - indien er al zou kunnen worden gesproken van een verstoorde arbeidsverhouding - deze te herstellen, integendeel uit de stukken komt eerder een beeld naar voren dat De Zellingen na 2 maanden wel “klaar” was met [verweerster] en dat De Zellingen er na 19 juni 2017 alleen nog naar streefde om tot een einde van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te komen.

5.28

Nu [verweerster] echter in deze procedure ook ontbinding van de arbeidsovereenkomst nastreeft, brengt dit gegeven met zich dat er kennelijk ook volgens [verweerster] inmiddels sprake is van een structurele verstoorde arbeidsverhouding. Voorts wordt overwogen dat de arbeidsovereenkomst in elk geval per 14 november 2017 zou zijn geëindigd en niet zou worden verlengd en dat daarom niet valt in te zien wat voor inspanningen van De Zellingen thans nog zouden kunnen worden verwacht, om die verstoring, gegeven die korte nog resterende tijd, te herstellen.

5.29

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat afdoende is komen vast te staan dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen, zodanig dat van De Zellingen, alsook van [verweerster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsrelatie met Berkhouwer te laten voortduren. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen De Zellingen en [verweerster] wordt dan ook toegewezen op de g-grond.

Datum einde arbeidsovereenkomst

5.30

Vervolgens dient te worden beoordeeld tegen welke datum de arbeidsovereenkomst behoort te eindigen. Gelet op de duur van het dienstverband bedraagt de in acht te nemen opzegtermijn 1,5 maand. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onder a BW brengt dit met zich dat de arbeidsovereenkomst per 1 november 2017 zal worden ontbonden.

billijke vergoeding als bedoeld in artikel 671b lid 8c

5.31

[verweerster] stelt dat de verstoring in de arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van De Zellingen. De Zellingen heeft daar tegenover gesteld dat zij [verweerster] juist voortdurend heeft aangesproken op haar functioneren en zij keer op keer heeft geadviseerd om contact met andere collega’s te zoeken en zij, als zij niet zeker wist hoe in een bepaalde situatie te handelen, een beroep op haar collega’s moest doen om bij hen de benodigde informatie in te winnen.

5.32

Hoewel De Zellingen niet kan worden ontzegd dat zij zich de eerste maanden enige inspanning heeft getroost om [verweerster] op de door haar gesignaleerde aandachtspunten te wijzen en ook enige suggesties tot verbetering heeft gedaan, had van haar wellicht meer mogen worden verwacht ten aanzien van de daadwerkelijke begeleiding van [verweerster]. Bijvoorbeeld door haar langere tijd mee te laten lopen met meer ervaren wijkverpleegkundigen binnen het team of het bieden van gerichte bijscholing of door haar (tijdelijk) over te plaatsen naar een wijkteam met een cliëntenbestand dat minder complexe verpleging behoefde om haar aldus de mogelijkheid te bieden zich te rehabiliteren. Een en ander mede gelet op de omstandigheid dat zij er mee bekend was dat [verweerster] tot februari 2013 op een heel ander terrein van de gezondheidszorg werkzaam was geweest en zij, met een tussenpoos van een jaar, van september 2013 tot september 2014 als ook van
1 november 2015 tot 1 november 2016 weliswaar enige werkervaring als wijkverpleeg-kundige had opgedaan, maar De Zellingen direct al was gebleken dat de aldus opgedane kennis en vaardigheden te weinig bleek aan te sluiten bij de zorgbehoefte van het cliëntenbestand van het team waar [verweerster] te werk was gesteld bij De Zellingen.

Anderzijds lijkt ook [verweerster] de wel aangeboden handreikingen van De Zellingen te weinig te hebben benut. Zo heeft zij kennelijk onvoldoende gebruik gemaakt van de mogelijkheid om, als zij twijfelde hoe te handelen in een bepaalde situatie, informatie in te winnen bij haar collegae, heeft zij de indruk niet kunnen wegnemen dat zij afsprakenbladen van de door haar te verzorgen cliënten niet las en heeft zij naar haar teamleden toe onvoldoende de door haar gedane verrichtingen met betrekking tot de cliënten teruggekoppeld. Hierdoor kon bij De Zellingen het idee postvatten dat het doen van meer investeringen te weinig soelaas zou bieden. Een en ander afwegend is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van zodanig ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van De Zellingen dat dat moet leiden tot toekenning aan [verweerster] van een billijke vergoeding.

Proceskosten

5.33

De kantonrechter ziet aanleiding in de aard van en de gronden die hebben geleid tot de uitkomst in de zaak om de kosten van het geding te compenseren in die zin dat elke partij de eigen (proces)kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van het verzoek van De Zellingen

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 november 2017;

ten aanzien van het (tegen) verzoek van [verweerster]

wijst af het verzoek tot ontbinding op grond van artikel 7:686 BW en tot toekenning van een billijke vergoeding;

ten aanzien van beide verzoeken

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
898