Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:725

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
10/710163-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schietpartij in een woning. Wapen was gericht op benen, geen poging doodslag wel zware mishandeling. Drie vrienden spelen in woning met wapens, een van hen lost een schot en raakt een van de andere jongens in het been.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/710163-16

Datum uitspraak: 26 januari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1994,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres]

raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gerequireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten poging doodslag.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit betoogd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe primair aangevoerd dat niet uit te sluiten valt dat door een defect in het vuurwapen het wapen is afgegaan zonder dat de verdachte de trekker heeft overgehaald. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat door een schot in een been, dat niet valt aan te merken als een vitaal lichaamsdeel, iemand niet kan komen te overlijden.

Nu er geen sprake is geweest van opzet aan de zijde van de verdachte - ook niet in voorwaardelijke zin - dient hij eveneens te worden vrijgesproken voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.

Voor de bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde is vereist dat de verdachte een actieve handeling heeft verricht namelijk het overhalen van de trekker. Nu deze handeling niet blijkt uit het dossier dient de verdachte ook hiervoor te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

4.1.2.

Beoordeling rechtbank

De vraag die de rechtbank heeft te beoordelen is of de verdachte (al dan niet in voorwaardelijke vorm), geprobeerd heeft het slachtoffer van het leven te beroven dan wel aan hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Uit de bewijsmiddelen is het volgende komen vast te staan:

In de nacht van 10 op 11 oktober 2015 bevonden de verdachte zich met het latere slachtoffer [slachtoffer] en hun gemeenschappelijke vriend [medeverdachte] in de keuken van het huis van laatstgenoemde. Op de keukentafel lag een vuurwapen dat toebehoorde aan [medeverdachte] . Op enig moment heeft [slachtoffer] het vuurwapen gepakt en bekeken. Hij heeft het magazijn eruit gehaald en gekeken of er kogels in zaten. Daarna heeft hij het vuurwapen weer terug op de tafel gelegd. Op enig moment heeft de verdachte het vuurwapen van de tafel gepakt. [slachtoffer] stond op dat moment. [slachtoffer] was zijn ontblote been aan het bekijken om het effect te bezien van de schok van een taser die hij zich even daarvoor had toegediend. De verdachte heeft vervolgens het wapen doorgeladen, met gestrekte arm gericht op de benen van [slachtoffer] , waarna een schot is afgegaan. De kogel is dwars door Rassers rechter onderarm gegaan en vervolgens zijn rechter onderbeen ter hoogte van de knie binnengedrongen. Hij heeft als gevolg hiervan een doorschotwond in zijn arm en een breuk in zijn rechter bovenbeen opgelopen. De breuk in zijn been is vastgezet middels een pen en schroeven in het bot.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Niet gezegd kan worden dat een schot in de richting van de benen van het slachtoffer naar menselijke ervaringsregels een aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer als gevolg daarvan zal overlijden.

Derhalve kan niet worden gezegd dat verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou verwonden, zodat de verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag behoort te worden vrijgesproken.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend is bewezen. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de verdachte het vuurwapen pakte, doorlaadde en met een gestrekte arm richtte waarna direct daarop een schot werd gelost. Onder deze omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de trekker heeft overgehaald. Het verweer van de raadsvrouw dat het vuurwapen door een defect kan zijn afgegaan zonder dat de verdachte de trekker heeft overgehaald is onder voornoemde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden, temeer niet nu de eigenaar van het vuurwapen heeft verklaard dat bij een eerder door hem gelost proefschot het wapen goed functioneerde.

De verdachte heeft door een vuurwapen ter hand te nemen, door te laden en in de richting van de benen van het slachtoffer te schieten, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer in zijn benen zou worden geraakt, en dientengevolge zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. subsidiair

hij op 11 oktober 2015 te Rhoon, gemeente Albrandswaard, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een botbreuk in een bovenbeen , heeft toegebracht door met een vuurwapen een kogel door een arm en in een been van die [slachtoffer] te schieten;

2.

hij op 11 oktober 2015 te Rhoon, gemeente Albrandswaard, tezamen en in vereniging met anderen een vuurwapen van categorie III van Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk: Crvena Zastava, model: 70, kaliber: 7,65mm.), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 subsidiair

zware mishandeling;

2.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft met een vuurwapen op de benen van het slachtoffer, een bekende van hem, geschoten. [medeverdachte] , de eigenaar van de woning had zijn geladen vuurwapen op tafel laten liggen toen de verdachte en het latere slachtoffer [slachtoffer] die nacht bij hem op bezoek kwamen. De verdachte en [slachtoffer] waren dronken en namen plaats aan deze tafel. [slachtoffer] heeft het vuurwapen bekeken en deze weer teruggelegd op tafel. Toen [medeverdachte] en [slachtoffer] de - eveneens aan [medeverdachte] toebehorende - stroomstootwapens aan het testen waren door deze op hun benen te zetten heeft de verdachte het wapen gepakt. Hij heeft vervolgens het vuurwapen doorgeladen, gericht op de benen van het slachtoffer en geschoten. Het slachtoffer is geraakt door de kogel uit dit vuurwapen en heeft dientengevolge ernstig letsel aan zijn arm en been opgelopen waar hij tot op heden nog niet volledig van is hersteld.

De verdachte heeft het vuurwapen vervolgens mee naar zijn eigen huis genomen en dit de dag erna in de Maas gegooid.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

8 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte, behoudens een transactie wegens vuurwerkbezit, niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een rapport en een voortgangsverslag over de verdachte opgemaakt, respectievelijk gedateerd 22 september 2016 en 5 januari 2017.

Deze rapport houden het volgende in.

De sociaal-maatschappelijke situatie van de verdachte is vrij stabiel. Hij woont thuis bij zijn ouders, hij volgt een opleiding en er is sprake van voldoende steunbronnen. Sinds het

tenlastegelegde is hij abstinent van alcohol. Het gebruik van cannabis heeft hij in de afgelopen maanden geminderd.

De verdachte stelt zich begeleidbaar op en continuering van de begeleiding door de reclassering wordt van belang geacht.

Sinds 20 september 2016 is de verdachte in behandeling bij de forensische polikliniek De Waag. Hij toont probleeminzicht en heeft tevens gemotiveerd meegewerkt aan het reclasseringstoezicht

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de behandeling bij De Waag inmiddels succesvol is afgerond en dat hij positief staat tegenover continuering van het reclasseringstoezicht.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Het betreft een ernstig feit met ernstige gevolgen, die de rechtbank de verdachte ook aanrekent. Wel houdt de rechtbank er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat hij in een situatie is gebracht die hij zelf niet in het leven had geroepen, dat het een vuurwapen betrof dat niet van hem was en dat zijn actie lijkt te zijn ingegeven door de baldadige sfeer die was ontstaan waarbij de twee andere jongens, waaronder het slachtoffer, met wapens aan het spelen waren.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan - er was geen sprake van kwade opzet bij de verdachte - en de positieve persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal de rechtbank echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats daarvan wordt een werkstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

8 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 9.024,- aan materiële schade en een vergoeding van € 10.000,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de kosten van de beschadigde kleding, ziektekosten, telefoon- en portokosten, reis- en parkeerkosten, huishoudelijke hulp en kosten ziekenhuisopname toe te wijzen en de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op het verlies aan arbeidsvermogen en het smartengeld nu dit gedeelte een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen en subsidiair dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard.

8.3.

Beoordeling

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht

De gevorderde schadevergoeding voor beschadigde kleding, ziektekosten, telefoon- en portokosten, reis- en parkeerkosten en kosten ziekenhuisopname van in totaal € 1.549,98 zijn rechtsreeks te herleiden naar de aan de verdachte te verwijten gedraging. Deze kosten zullen worden toegewezen nu deze genoegzaam zijn onderbouwd en de rechtbank deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen en deze niet gemotiveerd zijn weersproken.

Gezien de hierboven geschetste omstandigheden kan de rechtbank niet uitsluiten dat er sprake is van eigen schuld bij de benadeelde partij en/of medeschuld bij [medeverdachte] . Daarnaast heeft de benadeelde partij valse aangifte gedaan om de werkelijke toedracht te verbloemen. De benadeelde partij gaf desgevraagd ter zitting aan dat nog niet duidelijk is wat de gevolgen hiervan zullen zijn voor het behoud van zijn dienstbetrekking. Dit leidt ertoe dat het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op huishoudelijke hulp, verlies aan arbeidsvermogen (totaal € 7.474,02) en immateriële schade (€ 10.000,-) thans nog niet is vast te stellen, dan wel dat de vaststelling hiervan een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de partijen elk deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.549,98 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde wordt verplicht zich in te spannen voor het verkrijgen en/of behouden van passende dagbesteding (werk of studie), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 174 uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 87 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.549,98 (zegge: eenduizend vijfhonderd negenenveertig euro en achtennegentig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.549,98 (zegge: eenduizend vijfhonderd negenenveertig euro en achtennegentig eurocent); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van voornoemd bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.I. Mentink, voorzitter,

en mrs. K. Helmich en E.M.D. Angela, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Rhoon, gemeente Albrandswaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, roet dat opzet met een vuurwapen een kogel in/door een arm en/of een been van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Rhoon, gemeente Albrandswaard, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een botbreuk in een bovenbeen en/of een of meer bijvende littekens, heeft toegebracht door met een vuurwapen een kogel in/door een arm en/of een been van die [slachtoffer] te schieten;

Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig

met een vuurwapen (op zeer korte afstand) een kogel heeft afgevuurd in/door een arm en/of een been van [slachtoffer] ,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een botbreuk in een bovenbeen en/of een of meer blijvende littekens, heeft bekomen,

althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze [slachtoffer] was ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 11 oktober 2015 te Rhoon, gemeente Albrandswaard, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen een vuurwapen van categorie II of III van Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk; Crvena Zastava, model: 70, kaliber: 7,65mm.), voorhanden heeft gehad.