Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7221

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
5815400 \ CV EXPL 17-9774
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebreken aan laminaatvloer. Op grond van artikel 7:18 lid 2 BW wordt vermoed dat de vloer bij aflevering niet aan overeenkomst beantwoord heeft. In dit geval geen reden bewijsopdracht voor gedaagde, omdat gedaagde waarschuwingsplicht had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5815400 \ CV EXPL 17-9774

uitspraak: 22 september 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam 1],

eiser,

gemachtigde: ARAG Legal Services B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [plaatsnaam 2],

gedaagde,

gemachtigde: mr. S. Kandemir.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “[eiser]” en “[gedaagde]”.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 6 maart 2017 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 15 mei 2017 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 11 juli 2017 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de akte van [gedaagde] van 17 juli 2017;

  • -

    de akte van [eiser] van 18 juli 2017.

Na de comparitie van partijen hebben partijen de kantonrechter bericht dat zij er niet samen zijn uitgekomen en de kantonrechter gevraagd vonnis te wijzen.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] heeft bij het bedrijf van [gedaagde], [handelsnaam] in april 2016 een tegellaminaatvloer, inclusief ondervloer, aluminium strips, muur- en plakplinten (hierna: de vloer) gekocht voor € 2.300,-. In dit bedrag zat het bezorgen en het leggen van de vloer inbegrepen.

2.2.

De vloer is in twee delen gelegd. Het eerste deel op 3 mei 2016 en het tweede deel op 9 mei 2016.

2.3.

In augustus 2016 heeft [eiser] gemerkt dat de vloer op meerdere plekken heel hard kraakt. [eiser] heeft contact opgenomen met [gedaagde] en na een aantal weken is er iemand langsgekomen om namens [gedaagde] de vloer te bekijken. Deze persoon heeft verklaard dat er niets met de vloer aan de hand is.

2.4.

Op 7 oktober 2016 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht de vloer kosteloos te (laten) herstellen dan wel te vervangen, omdat er sprake is van een non-conforme vloer. Op 11 oktober 2016 heeft de gemachtigde van [gedaagde] hierop gereageerd. Hij betwist dat er sprake is van een causaal verband tussen het vermeende harde kraken en de werkzaamheden die door [gedaagde] zijn uitgevoerd.

2.5.

[eiser] heeft Vloertechnisch Adviesbureau [B.] (hierna: [B.] ingeschakeld om de vloer te onderzoeken. [gedaagde] is, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd, niet bij het onderzoek aanwezig geweest. [B.] heeft in zijn advies van 7 november 2016, voor zover hier van belang, als volgt geconcludeerd:

“(…)

Beoordeling

Bij ons inspectiebezoek hebben wij vastgesteld, dat het laminaat in de hal en in de keuken hinderlijk kraakt.

De familie [eiser] gaf aan dat het laminaat afgelopen zomer zeer erg kraakte.

Om de oorzaak van het kraken te onderzoeken hebben wij op verschillende plaatsen de randafwerking verwijderd.

Hierbij hebben wij vastgesteld, dat het laminaat plaatselijk geen of onvoldoende expansieruimte heeft.

Hierdoor bouwt de vloer afhankelijk van de normale luchtvochtigheid spanning op met als gevolg het kraken van de vloer.

Dit verklaart dat het laminaat in de zomer met een hogere luchtvochtigheid erg kraakt.

Verder zijn de verschillende vloervlakken zonder dilateren doorgelegd over een te grote overspanning.

Een onvoldoende of geen expansieruimte en het niet dilateren van de vloervlakken moet worden beoordeeld als legfouten waarop [handelsnaam] kan worden aangesproken.

In de stukken geeft [handelsnaam] twee oorzaken aan waardoor het kraken van het laminaat zou kunnen worden veroorzaakt en dat hem dit niet is te verwijten.

- Voor het leggen van het laminaat heeft de familie [eiser] het appartement laten stuken en hierdoor was er te veel vocht in het appartement op het moment dat het laminaat werd gelegd.

- Snoer/ leidingwerk ligt onder het laminaat.

Beide argumenten raken absoluut geen grond.

Indien het te vochtig was in het appartement tijdens het leggen van het laminaat had [handelsnaam] het laminaat niet moeten leggen.

Bovendien moet het laminaat voor het leggen altijd acclimatiseren in de ruimte waar het wordt gelegd dus neemt het materiaal de temperatuur en omstandigheden van de ruimte op.

Indien [handelsnaam] bij het leggen voldoende expansieruimte had aangehouden was het laminaat nooit klem komen te liggen.

Dat het snoer/leidingwerk onder het laminaat ligt, is absoluut ook niet de oorzaak van het kraken. Het laminaat ligt voldoende vlak en op de plaatsen waar de vloer kraakt lopen geen leidingen.

(…)”

2.6.

Op 17 november 2016 heeft [eiser] de uitkomst van het onderzoek van [B.] aan [gedaagde] verzonden en hem nogmaals verzocht tot kosteloos herstel of vervanging over te gaan. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

2.7.

Bij brief van 6 december 2016 heeft [eiser] [gedaagde] bericht dat hij nog meer gebreken heeft ontdekt en [gedaagde] verzocht binnen 14 dagen tot herstel over te gaan. Het gaat om de volgende gebreken:

- loszittende metalen drempelstrips;

- muurplinten die speling vertonen vanaf de muren op meerdere wanden in de woonkamer;

- omhoog gekomen laminaatpaneel;

- speling tussen twee laminaatpanelen;

- op meerdere plekken is sprake van loszittende vloerplakplinten.

Desgevraagd bericht [B.] [eiser] dat hij voor het herstel van deze gebreken een stelpost van € 100,- kan aanhouden.

2.8.

Bij brief van 16 januari 2017 heeft [eiser] [gedaagde] bericht dat er nog een gebrek is ontstaan aan de vloer en hij legt een foto daarvan over. [eiser] heeft [gedaagde] nogmaals in de gelegenheid gesteld binnen 14 dagen tot herstel of vervanging van alle gebreken over te gaan.

3 De vordering

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

a. a) de hoofdsom van € 994,-;

b) de expertisekosten van € 585,59;

c) de buitengerechtelijke kosten van € 180,41 inclusief btw;

d) de wettelijke rente over het sub a) gevorderde vanaf 22 oktober 2016, over het sub b) gevorderde vanaf 1 december 2016 en over het sub c) gevorderde vanaf 22 oktober 2016 tot aan de dag van volledige betaling;

e) de kosten van deze procedure, waaronder begrepen een salaris voor de gemachtigde;

f) betaling van de nakosten, te begroten op een half salarispunt van het toegewezen salaris voor de gemachtigde met een maximum van € 100,-, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, [gedaagde] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat tussen partijen een consumentenkoop is gesloten. De vloer is non-conform, omdat [eiser] niet had hoeven verwachten dat de vloer dermate hard zou kraken. Volgens de door [eiser] ingeschakelde deskundige is het gebrek te wijten aan de legmethode van Walvis. Er zijn ook andere gebreken aan de vloer ontstaan die [eiser] aan [gedaagde] heeft gemeld. [gedaagde] heeft echter nagelaten tot herstel of vervanging van de gebreken over te gaan. [eiser] vordert daarom vergoeding van zijn schade op grond van artikel 7:24 BW.

4 Het verweer

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en voert daartoe het volgende aan. [gedaagde] betwist dat er sprake is van een causaal verband tussen het vermeende erg hard kraken van de vloer en de werkzaamheden die [gedaagde] heeft laten uitvoeren. [gedaagde] heeft een deskundige langs gestuurd bij [eiser] en die heeft geen gebreken geconstateerd die te wijten zijn aan [gedaagde].

De vloer is in twee dagen gelegd door [gedaagde] op 3 en 9 mei 2016. Eerst zou op 7 mei 2016 het restant afgemaakt worden, maar die datum is door [eiser] verzet omdat het stuken van (de) wanden nog niet klaar was. [gedaagde] heeft meteen aangegeven dat het laminaat niet gelegd kon worden in verband met het vocht in het huis door het stuken. Hij heeft [eiser] hierop uitdrukkelijk gewezen. [eiser] wilde echter de vloer snel gelegd hebben omdat hij anders dubbele huurpenningen moest betalen.

Daarnaast zet [gedaagde] vraagtekens bij het rapport van [B.]. [B.] is niet objectief en onpartijdig, omdat hij door [eiser] is ingeschakeld. [B.] geeft ook impliciet aan dat vochtproblemen de oorzaak kunnen zijn. Met de oplossing van [B.] voor de gebreken kan [gedaagde] zich niet verenigen.

De oorzaak van het harde kraken kan zijn dat er leidingen onder de vloer liggen. Er is wel expansieruimte aangebracht, maar als de vloer uitzet door het vocht blijft er geen expansieruimte over.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat hier om een consumententransactie. Kern van het geschil is de vraag of de gebreken aan de vloer zijn veroorzaakt door het verkeerd leggen van de vloer door [gedaagde] of door een andere oorzaak, zoals vocht in de woning. In artikel 7:18 lid 2 BW is bepaald dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Artikel 7:18 lid 3 BW bepaalt voorts dat indien in geval van een consumentenkoop de verkoper verplicht is zorg te dragen voor de installatie van de zaak en deze installatie ondeugdelijk is uitgevoerd, dit gelijk wordt gesteld aan een gebrek aan overeenstemming van de zaak aan de overeenkomst.

5.2.

[eiser] heeft gesteld dat de vloer drie maanden nadat deze was gelegd hard is gaan kraken op sommige plekken en dat zich daarnaast ook andere gebreken hebben voorgedaan, onder andere loslatende plinten en metalen drempelstrips en het niet goed op elkaar aansluiten van de laminaatpanelen. [eiser] heeft zijn stelling onderbouwd met een rapport van [B.] en met foto’s. [gedaagde] heeft niet betwist dat er gebreken zijn aan de vloer in de zin dat deze kraakt en evenmin dat deze gebreken zich binnen zes maanden hebben geopenbaard. Wel betwist [gedaagde] dat de gebreken aan zijn werkzaamheden te wijten zijn. Gelet op het voorgaande staat vast dat de vloer afwijkt van het overeengekomene en dat deze afwijkingen zich binnen zes maanden na aflevering hebben geopenbaard. Dit betekent dat op grond van artikel 7:18 lid 2 BW vermoed wordt dat de vloer bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. [eiser] is gelet op dit wettelijke vermoeden niet verplicht de oorzaak van de gebreken te bewijzen of te bewijzen dat de oorsprong van de gebreken te wijten zijn aan [gedaagde]. Dit betekent dat hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd tegen het rapport van [B.] in dit kader niet van belang is.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak ligt het vervolgens op de weg van [gedaagde] om te stellen en te bewijzen dat er op het moment van de aflevering nog geen gebreken waren en de gebreken het gevolg zijn of hun oorsprong vinden in een omstandigheid die zich na het leggen van de vloer heeft voorgedaan.

[gedaagde] heeft gesteld dat de vloer goed gelegd is, maar dat de gebreken zijn ontstaan door vocht in de woning (waardoor de vloer uitzet) of door leidingen die onder de vloer liggen (waardoor de vloer kraakt). De gebreken aan de vloer zijn volgens [gedaagde] daarom niet aan het leggen van de vloer te wijten. [gedaagde] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat de gebreken aan de vloer zijn ontstaan door vocht of door de leidingen die onder de vloer liggen.

De kantonrechter ziet geen aanleiding tot een bewijsopdracht over te gaan. Ook al kan [gedaagde] bewijzen dat de oorzaak van de gebreken is gelegen in het vocht dat zich in de woning bevond ten tijde van het leggen van de vloer of in de leidingen die onder de vloer zijn gelegd, dan nog is [gedaagde] voor deze gebreken aansprakelijk. Hij had immers de vloer niet moeten leggen als hij wist dat er een kans bestond dat deze binnen korte termijn niet zou voldoen aan wat men van een laminaatvloer mag verwachten. [gedaagde] stelt zelf immers dat hij [eiser] erop heeft gewezen dat het leggen van de vloer niet verstandig was gelet op het vocht in de woning door het stuken. Desondanks heeft hij de vloer toch gelegd en niet gewacht tot het vocht uit de woning verdwenen was. Ook stelt [gedaagde] dat de vloer niet geheel glad en recht was doordat er leidingen onder liggen, maar desondanks is hij toch overgegaan tot het leggen van de vloer. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij geen bewijs heeft van zijn stelling dat hij [eiser] gewaarschuwd heeft en [eiser] desondanks wilde dat de vloer gelegd zou worden, terwijl dit door [eiser] wordt betwist, zodat dit niet vast staat. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de gebreken aan de vloer. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat het bedrag van € 994,- voor herstel van de vloer te hoog is. De kantonrechter ziet geen aanleiding [gedaagde] zelf in de gelegenheid te stellen de vloer te herstellen. [gedaagde] is voor deze gerechtelijke procedure meerdere malen door [eiser] in de gelegenheid gesteld zelf tot herstel van de vloer over te gaan. Het komt voor zijn rekening en risico dat hij dat niet gedaan heeft.

5.4.

De kantonrechter zal tevens de gevorderde expertisekosten toewijzen op grond van artikel 6:96, lid 2, aanhef en onder b, BW, omdat dit redelijke kosten zijn ter vaststelling van de schade aan de vloer.

5.5.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente worden als onbetwist en op grond van de wet toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat [eiser] deze kosten reeds aan haar gemachtigde betaald heeft.

5.6.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 1.760,-, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 994,- vanaf 22 oktober 2016 tot de dag van algehele voldoening en over € 585,59 vanaf 1 december 2016 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op:

- € 331,75 aan verschotten;

- € 200,- aan salaris voor de gemachtigde;

en indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op:

- € 75,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31688