Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7112

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
C/10/517943 / HA ZA 17-6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming van een boetebeding. Eiseres maakt geen gebruik van de bevoegdheden uit artt. 6:87 BW en 6:94 BW. Matiging boetebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/517943 / HA ZA 17-6

Vonnis in verzet van 2 augustus 2017

in de zaak van

de stichting

STICHTING JUSTITIO NOORD,

gevestigd te Groningen,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. S.W. van Zijll te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

eisers in het verzet,

advocaat mr. H. Weisfelt te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de Stichting, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaardingen van 25 januari 2016, met producties;

  • -

    het verstekvonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2016;

  • -

    de verzetdagvaarding van 21 december 2016, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 1 februari 2017;

  • -

    de brief van de rechtbank van 16 februari 2017, betreffende zittingsagenda;

  • -

    de reactie op de zittingsagenda van 22 maart 2017, met producties van de Stichting;

  • -

    de reactie op de zittingsagenda van 23 maart 2017, met producties en een akte overlegging producties van [gedaagden] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 april 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Stichting houdt zich bezig met het in en buiten rechte (doen) opeisen, (doen) procederen, (doen) incasseren, (doen) vereffenen en het (doen) overnemen van geldvorderingen en schadeclaims op derden.

2.2.

De activiteiten van de Stichting Jufo (hierna: Jufo) hebben betrekking op overig maatschappelijk advies, gemeenschapshuizen en samenwerkingsorganen op het gebied van welzijn, als ook het vormen van een werkgroep inzake verbetering van consumentenrechten en het stimuleren van verantwoord ondernemen.

2.3.

Comparitio B.V., handelsnaam No Cure No Pay Procederen, is bestuurder van Jufo. Comparitio is een onderneming die zich bezighoudt met het (doen) verlenen van juridische, economische, organisatorische en administratieve diensten, in het bijzonder het (doen) verlenen van rechtsbijstand en het (doen) behartigen van vorderingen en schadeclaims. [directeur] is alleen en zelfstandig bevoegd directeur van Comparitio.

2.4.

In 1997 heeft [gedaagde 1] van haar vader [vader] (hierna: de vader) zijn woning aan de [adres] , gemeente Zeist (hierna: de woning) gekocht voor een bedrag van € 272.268,00 (NLG 600.000,00). Van de overeengekomen koopsom heeft [gedaagde 1] NLG 350.000,00 aan haar vader betaald, is haar NLG 100.000,00 kwijtgescholden en voor NLG 150.000,00 een lening (à 6% rente per jaar = NLG 9.000) afgesloten.

2.5.

De vader heeft de woning direct na de verkoop aan [gedaagde 1] levenslang van haar terug gehuurd tegen een maandelijkse huurprijs van € 1.588,23 (NLG 2.750 (= 3.500,00 – 750,00 (maandelijkse rente)). In 2002 en in 2006 werd de huur verhoogd naar € 1.679,00 respectievelijk € 1.771,00.

2.6.

In het voorjaar van 2009 is de vader gestopt met het betalen van de huur.

2.7.

In mei 2010 verkeerden [gedaagden] in financieel zwaar weer. Alstoen hebben zij advocaat mr. Kuijpers ingeschakeld om de kwestie met de huurachterstand van de vader op te lossen. De oplossing bestond eruit de woning vrij van huur te gaan verkopen.

2.8.

In verband met de financiering van de door mr. Kuijpers aan [gedaagden] te verlenen rechtsbijstand hebben [gedaagden] ter zekerheidsstelling daarvan met Jufo, waarvan mr. Kuijpers bestuurder is, op 30 mei 2010 een overeenkomst houdende een schuldbekentenis voor het verlenen van rechtsbijstand door mr. Kuijpers, een overeenkomst betreffende de vestiging van een tweede recht van hypotheek op de woning en een overeenkomst betreffende de deling van de winst bij verkoop van de woning gesloten. Ook is daartoe op 30 mei 2010 een schuldbekentenis met verpanding en een boetebeding van [gedaagde 1] en een schuldbekentenis met verpanding en een boetebeding van [gedaagde 2] aan Jufo gegeven.

2.9.

De inhoud van de overeenkomst betreffende de deling van de winst bij verkoop van de woning (productie 5 bij dagvaarding) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) dat [gedaagde 1] en Stichting Jufo recht hebben op ieder de helft van het meerdere boven de som van a) € 1.658.000,00 (…), zijnde de hierbij begrootte en tussen partijen bindend vastgestelde totale schuldenlast van [gedaagden] jegens derden per heden (exclusief post b), en b) het positieve of negatieve bedrag dat [gedaagde 1] als verhuurster op de hierna bedoelde leveringsdatum per saldo te vorderen zal blijken te hebben respectievelijk verschuldigd zal blijken te zijn aan huurder [vader] uit te de te behalen verkoopopbrengst van de aan [gedaagde 1] in eigendom toebehorende onroerende zaak (…) (opmerking rechtbank: lees woning). Kosten direct veroorzaakt door verkoop en levering van genoemde onroerende zaak (…) komen op de verkoopopbrengst in mindering alvorens deze verdeeld wordt. [gedaagden] zullen genoemde onroerende zaak onder de best mogelijke condities te koop (doen) aanbieden, zo mogelijk vrij van huur en gebruik. (…) [gedaagden] hebben schriftelijke toestemming nodig van Stichting Jufo indien zij de verkoop en/of levering van genoemde onroerende zaak wensen in te trekken, te staken, op te schorten, uit te stellen of anderszins te verhinderen. Indien verkoop en/of levering van genoemde onroerende zaak tegen de wil van Stichting Jufo wordt ingetrokken, gestaakt, opgeschort, uitgesteld of anderszins verhinderd, verbeuren [gedaagden] hoofdelijk een direct opeisbare en aan de Stichting Jufo verschuldigde boete van € 50.000,00 (…) vermeerderd met € 500,00 (…) per dag of gedeelte van een dag dat bedoelde omstandigheden voortduren, met ingang van een door Stichting Jufo schriftelijk te stellen termijn van ten minste tien werkdagen(…)”.

2.10.

Op 31 mei 2010 is [gedaagde 2] opgepakt op verdenking van verboden wapenbezit.

2.11.

Op 7 juli 2010 hebben [gedaagden] de rechtsbijstand door mr. Kuijpers beëindigd. In een e-mail aan [gedaagde 2] d.d. 9 juli 2010 heeft mr. Kuijpers voormelde beëindiging bevestigd. De inhoud van voormelde e-mail luidt als volgt:

“(…) Naar aanleiding van onze telefonische bespreking van 07-07-2010 bevestig ik hierbij uw daarin kenbaar gemaakte beslissing de huurzaak (tegen [vader] en mevrouw [persoon] ) alsmede de in verband met de arrestatie ontstane arbeidszaak (tegen KLM) verder te laten behandelen door mr. Weisfelt te Den Haag, die u als strafpleiter blijkt te hebben bijgestaan tijdens mijn vakantie en kennelijk ter vervanging van strafpleiter mevrouw mr. E.A. Kool te Rotterdam. Aldus is mijn rechtsbijstand op uw initiatief geëindigd. Originele dossierstukken die ik nog in mijn bezit blijkt te hebben (polissen e.d.) zullen binnenkort naar uw adres in Volendam worden verzonden.

Wij spraken af dat u mij op de hoogte houdt van het verdere verloop, waarbij ik u beiden veel succes wens en de hoop uitspreek op een goede afloop(..)”(productie C bij verzetdagvaarding).

2.12.

De huurzaak en de strafzaak zijn door de huidige advocaat van [gedaagden] mr. Weisfelt behandeld en afgedaan.

2.13.

Op 11 april 2011 heeft advocaat mr. Kuijpers zich laten schrappen van het tableau.

2.14.

Jufo heeft haar vorderingen op [gedaagden] op 5 mei 2015 aan de Stichting gecedeerd, waarna de Stichting op 8 mei 2015 [gedaagden] in gebreke heeft gesteld (productie 18 bij dagvaarding).

2.15.

Op 22 mei 2015 is bij deurwaardersexploot aan [gedaagden] de ingebrekestelling van 8 mei 2015 betekend.

2.16.

Het op 11 januari 2016 door de rechtbank Midden-Nederland aan de Stichting verleend verlof voor beslag op de woning en een tweetal lijfrentepolissen is bij vonnis van 6 juli 2016 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland opgeheven, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling (tot opheffing van het gelegde beslag) voldoet, tot een maximum van

€ 150.000,00 (productie W bij verzetdagvaarding).

2.17.

Het op 21 januari 2016 verzochte beslag op de periodieke pensioenuitkeringen onder de Stichting Pensioenfonds Vliegend Personeel (KLM) bij de rechtbank Amsterdam is bij beschikking van 26 februari 2016 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam afgewezen (productie U bij verzetdagvaarding).

2.18.

De Stichting heeft nagelaten uitvoering te geven aan het vonnis van 6 juli 2016 doordat zij het beslag niet tijdig heeft opgeheven. [gedaagden] hebben vervolgens op 14 december 2016 de deurwaarder opdracht gegeven tot inning van de verbeurde dwangsommen (productie W bij verzetdagvaarding).

3 Het geschil

3.1.

De Stichting heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

A. te verklaren voor recht dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade bestaande uit:

a. een bedrag in hoofdsom op grond van de schuldbekentenissen; en/of

b. contractuele buitengerechtelijke kosten;

c. wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2011 t/m 25 januari 2016 ; en/of

d. contractuele boete (2);

e. vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding;

met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding, des de ene betalende, de

ander zal zijn bevrijd, van deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen

volgens de wet.

te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de schade bestaande uit:

a. contractuele boete (1);

b. vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding;

met veroordeling van [gedaagde 1] tot vergoeding van deze schade nader op te maken bij

staat en te vereffenen volgens de wet.

te verklaren voor recht dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de schade bestaande uit:

c. contractuele boete (1);

d. vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding;

met veroordeling van [gedaagde 2] tot vergoeding van deze schade nader op te maken bij

staat en te vereffenen volgens de wet.

3.2.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van de Stichting toegewezen behoudens de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW en [gedaagden] zijn hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 4.131,09 aan verschotten en € 2.580,00 aan salaris advocaat.

3.3.

[gedaagden] vorderen in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van de Stichting alsnog worden afgewezen, dan wel dat in ieder geval alle boetes worden gematigd tot € 0,00, dan wel het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [gedaagden] in zoverre in hun verzet kunnen worden ontvangen.

4.2.

Ter gelegenheid van de comparitie heeft de Stichting haar vordering in zoverre verduidelijkt dat het zij schadevergoeding uit wanprestatie (het niet nakomen van de afspraak om de woning te verkopen, het niet betalen van de fixed fee van € 100.000,00 en het niet vestigen van de beloofde zekerheden) en nakoming van het boetebeding vordert.

Verder heeft de Stichting ter zitting verklaard van de bevoegdheid van artikel 6:87 en die van artikel 6:94 BW geen gebruik te maken.

4.3.

De Stichting stelt niet dat nakoming blijvend onmogelijk is. De Stichting heeft ook geen omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 BW uitgebracht. Ter zitting is door de Stichting verhelderd dat in deze procedure nakoming van de overeenkomsten niet aan de orde is. De vordering tot schadevergoeding uit wanprestatie zal bij gebreke aan een grondslag worden afgewezen. Nu de Stichting voorts geen aanspraak maakt op aanvullende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:94 BW ligt, naar het oordeel van de rechtbank, thans enkel ter beoordeling voor de matiging van het boetebeding.

4.4.

De Stichting maakt aanspraak op de overeengekomen boete van € 50.000,00 per overtreding, vermeerderd met € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat bedoelde omstandigheden voortduren, met ingang van een door Stichting Jufo schriftelijk te stellen termijn van ten minste tien werkdagen (zie 2.8). [gedaagden] beroepen zich op matiging.

4.5.

De in de overeenkomst opgenomen passage “Indien verkoop en/of levering van genoemde onroerende zaak tegen de wil van Stichting Jufo wordt ingetrokken, gestaakt, opgeschort, uitgesteld of anderszins verhinderd, verbeuren [gedaagden] hoofdelijk een direct opeisbare en aan de Stichting Jufo verschuldigde boete van € 50.000,00 (…) vermeerderd met € 500,00 (…) per dag of gedeelte van een dag dat bedoelde omstandigheden voortduren, met ingang van een door Stichting Jufo schriftelijk te stellen termijn van ten minste tien werkdagen” is een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW. Op grond van art. 6:94 lid 1 BW kan de rechter, op verlangen van de schuldenaar, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete matigen. Van deze matigingsbevoegdheid dient terughoudend gebruik gemaakt te worden. Deze maatstaf brengt mee dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden leidt tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het wordt ingeroepen. (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). Ook de omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam zijn van belang.

4.6.

Ter comparitie is gebleken dat [gedaagden] door de opstelling van de vader (het opschorten van de huurbetalingen terwijl de hypotheek verplichtingen van [gedaagden] doorliepen) in een financiële noodtoestand waren komen te verkeren. Zij verkeerden in een afhankelijke positie ten opzichte van mr. Kuijpers, die aanbood rechtsmaatregelen te nemen tegen de vader op een ‘no cure no pay’ basis. Gesteld noch gebleken is dat partijen vooraf over de rechtsgevolgen van het boetebeding hebben gesproken dan wel dat zij daarover hebben onderhandeld. De rechtbank acht aannemelijk dat [gedaagden] zich onvoldoende hebben gerealiseerd welke verplichting zij hiermee op zich hadden genomen. Temeer nu de boete op een hoog bedrag is gesteld. Ook de gang van zaken omtrent de opzegging van de rechtsbijstand (zie 2.10) doet die vraag rijzen; [gedaagden] hebben, gelet op de positie van mr. Kuijpers als advocaat en als bestuurder van Jufo, in redelijkheid kunnen en mogen begrijpen dat de beëindiging geen consequenties voor hen zou hebben. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat onweersproken is gebleven dat de werkzaamheden van mr. Kuijpers ten behoeve van de huurzaak en de strafzaak beperkt van omvang waren en dat de verkoop van de woning nog geen € 1.500.000,00 heeft opgebracht. Ook de omstandigheid dat de Stichting pas na bijna vijf jaar nakoming van het boetebeding vordert is een factor die ertoe doet.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om de boete in het onderhavige geval te matigen tot nihil.

4.7.

Nu het boetebeding tot nihil wordt gematigd, is een verdere bespreking en beoordeling van de eventuele nietigheid c.q. vernietigbaarheid van de overeenkomsten in deze zaak niet meer aan de orde.

4.8.

[gedaagden] hebben de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten betwist. Nu niet voldoende door de Stichting is gesteld en onderbouwd dat ten aanzien van [gedaagden] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding rechtvaardigen, is de vordering in zoverre niet toewijsbaar.

4.9.

De Stichting zal als de ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [gedaagden] vast gesteld op

€ 287,00 aan griffierrecht en op € 904,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten x tarief

€ 452,00). Gelet op het bepaalde in artikel 141 Rv zullen de kosten van de verzetdagvaarding en die ten behoeve van executie van het verstekvonnis voor rekening van [gedaagden] dienen te blijven.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt het door de rechtbank Rotterdam op 2 november 2016 tussen partijen gewezen verstekvonnis onder zaaknummer / rolnummer: 501629 / HA ZA 16-365;

en opnieuw beslissend

5.2.

matigt het boetebeding voor zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] tot nihil;

5.3.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.190,00;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.1

1 1451/2504