Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7111

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
C/10/515011 / HA ZA 16-1306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Europees Betalingsbevel (EBB).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/515011 / HA ZA 16-1306

Vonnis in incident van 23 augustus 2017

in de zaak van

de vennootschap naar Belgisch recht

[eiseres] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. P. Mourik te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. R.J. Michielsen te Hoogvliet-Rotterdam.

Partijen zullen hierna PPB en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoek van PPB om een Europees betalingsbevel van 18 april 2016;

  • -

    het op 1 juni 2016 door de rechtbank Den Haag afgegeven Europees betalingsbevel;

  • -

    het op 24 juni 2016 door [gedaagden] ingediende verweer tegen het Europees betalingsbevel;

  • -

    de beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 september 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord eiseres, met producties, aan de zijde van PPB;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie absolute onbevoegdheid, met productie, aan de zijde van [gedaagden] ;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdheid, aan de zijde van PPB.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vordering en het verweer in incident

2.1.

[gedaagden] vorderen in incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen, met veroordeling - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - van PPB in de kosten van het incident. Hiertoe voeren zij aan dat zowel de overeenkomst van 24 juni 2009 tussen PPB en Flexgroep Holding B.V. als de borgstellingsovereenkomsten van 24 juni 2009 tussen PPB en [gedaagden] een exclusieve forumkeuze voor de rechtbanken van het arrondissement Dendermonde bevatten.

2.2.

PPB voert - voor zover relevant - als verweer het volgende aan. Het tussen partijen overeengekomen jurisdictiebeding mist toepassing als gevolg van het bepaalde in artikel 6 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (hierna: de Verordening), welke artikel ook geldt op het moment dat na verweer door de gedaagde een procedure op tegenspraak ontstaat. Op grond van genoemd artikellid zijn de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft bij uitsluiting bevoegd, wanneer de vordering betrekking heeft op een overeenkomst gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet-bedrijfsmatig of niet beroepsmatig kan worden beschouwd, en de consument de verweerder is. [gedaagden] zijn, zoals zij zelf stellen, de borgstellingen in privé aangegaan zodat niet tevens sprake kan zijn van een bedrijfsmatige of beroepsmatige handeling. In dit verband wordt tevens opgemerkt dat zij de borgstellingen onverplicht zijn aangegaan en dat zij niet beroepsmatig of bedrijfsmatig betrokken waren bij het aangaan van de verplichting waaruit de vordering voortvloeit. Omdat [gedaagden] woonplaats hebben in Nederland, is de Nederlandse rechter derhalve bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

Voor het beoordelen van de incidentele vordering van [gedaagden] is relevant, zoals PPB terecht stelt, het bepaalde in artikel 6 van de Verordening.

Dit artikel luidt (in het Nederlands) als volgt:

1. Voor de toepassing van deze verordening wordt de rechterlijke bevoegdheid bepaald volgens de ter zake geldende regels van het Gemeenschapsrecht, en met name Verordening (EG) nr. 44/2001.

2. Wanneer de vordering evenwel betrekking heeft op een overeenkomst gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet-bedrijfsmatig of niet-beroepsmatig kan worden beschouwd, en de consument de verweerder is, zijn de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft in de zin van artikel 59 van de Verordening (EG) nr. 44/2001, bij uitsluiting bevoegd.”

3.2.

PPB stelt dat de aanhangige vordering betrekking heeft op een overeenkomst gesloten door een consument, voor een gebruik dat als niet-bedrijfsmatig of niet-beroepsmatig kan worden beschouwd, nu - zo begrijpt de rechtbank - de vordering is gebaseerd op borgstellingen die in privé en onverplicht zijn aangegaan en om die reden niet voor een bedrijfsmatig of beroepsmatig gebruik. Hiervan uitgaande is de Nederlandse rechtbank rechter bevoegd, aldus PPB.

3.3.

Met PPB is de rechtbank van oordeel dat als komt vast te staan dat de vordering van PPB betrekking heeft op een overeenkomst gesloten door een consument, voor een gebruik dat als niet-bedrijfsmatig of niet-beroepsmatig kan worden beschouwd als bedoeld in de Verordening, de Nederlandse rechter bevoegd is ongeacht het in die overeenkomst tussen partijen overeengekomen forumkeuzebeding.

3.4.

Alvorens ter zake een beslissing te nemen, worden [gedaagden] in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op het door PPB ingenomen standpunt dat de borgstellingen kunnen worden aangemerkt als overeenkomsten gesloten door een consument, voor een gebruik dat als niet-bedrijfsmatig of niet-beroepsmatig kan worden beschouwd als bedoeld in de Verordening. PPB kan hierop eveneens bij akte reageren.

3.5.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 september 2017 voor akte uitlaten aan de zijde van [gedaagden] als bedoeld in rechtsoverweging 3.4, waarna de zaak op de rol van 4 weken later zal worden geplaatst voor antwoordakte aan de zijde van PPB,

in het incident en in de hoofdzaak

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017.

1451/1582/(2959)