Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7102

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
C/10/532122 / KG ZA 17-848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Paspoortwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/532122 / KG ZA 17-848

Vonnis in kort geding van 23 augustus 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.H. van der Linden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

vertegenwoordigd door mr. S. Heijens.

Partijen zullen hierna [eiser] en het LBIO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de producties van [eiser] ;

  • -

    de producties van het LBIO;

  • -

    de mondelinge behandeling op 11 augustus 2017;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van het LBIO.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is gehuwd geweest met [persoon 1] . Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] een kind geboren, [persoon 2] . Zij is thans meerderjarig.

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank [woonplaats] van 25 oktober 2000 (hierna: de beschikking van 25 oktober 2000) is onder meer de echtscheiding van partijen uitgesproken en is [eiser] veroordeeld tot betaling van partneralimentatie van ƒ1.949,00 (€ 884,42) bruto per maand en tot betaling van kinderalimentatie van ƒ 300,00 (€ 136,13) per maand.

2.3.

[eiser] is in 2000 geëmigreerd naar [land] en in 2001 hertrouwd met een [land] vrouw. Uit dit huwelijk is een thans nog minderjarig kind geboren.

2.4.

Op 15 mei 2008 heeft [persoon 1] het LBIO verzocht de inning van de alimentatie over te nemen vanwege een betalingsachterstand van de alimentatie gedurende de periode van april 2004 tot en met oktober 2012.

2.5.

[persoon 1] heeft in 2014 in [land] verlof verkregen tot tenuitvoerlegging van de beschikking van 25 oktober 2000 in [land] . Executiemaatregelen jegens [eiser] in [land] tot betaling van de aan hem opgelegde alimentatie hebben tot op heden geen resultaat gehad.

2.6.

De personalia van [eiser] zijn, naar aanleiding van een op de artikelen 25 en 22, onder d, Paspoortwet gebaseerd verzoek van het LBIO, opgenomen in het Register paspoortsignaleringen vanwege de alimentatie-achterstand.

2.7.

Begin maart 2017 heeft [eiser] bij de Nederlandse ambassade in [woonplaats] een nieuw paspoort aangevraagd.

2.8.

Op 22 maart 2017 is het paspoort van [eiser] bij aankomst op Schiphol door de Koninklijke Marechaussee ingenomen vanwege de onder 2.6. genoemde registratie. Dit paspoort is op 8 juni 2017 vervallen.

2.9.

[eiser] heeft tijdens zijn verblijf in Nederland bericht ontvangen van de Nederlandse ambassade in [woonplaats] dat zijn aanvraag voor een nieuw paspoort is afgewezen in verband met de registratie. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Er is nog geen uitspraak gedaan op dat bezwaar.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

-het LBIO te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.000,-- per dag, de opname van de persoonsgegevens van [eiser] in het Register van paspoortsignaleringen op te heffen en opgeheven te houden en er voor zorg te dragen dat het paspoort aan [eiser] wordt teruggegeven;

-dan wel de genomen executiemaatregelen te schorsen zodat [eiser] naar [land] kan terugkeren;

-althans een zodanige voorziening te treffen als uw voorzieningenrechter zal vermenen te behoren.

alles met veroordeling van het LBIO in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het LBIO onrechtmatig handelt jegens hem door zijn paspoort te laten innemen vanwege een alimentatieachterstand. [eiser] is niet in staat om aan de aan hem opgelegde alimentatieverplichtingen te voldoen en het LBIO is daarvan op de hoogte. Hij is in 2008 ontslagen en heeft sindsdien slechts weinig inkomsten kunnen genereren. [eiser] stelt voorts dat hij ziek is. Vanwege een genetische mutatie heeft hij teveel ijzer in zijn bloed wat resulteert in pijnlijke ledematen en gewrichten. [eiser] wenst dat de signalering wordt opgeheven, zodat hij een nieuw paspoort kan aanvragen. Hij kan dan naar [land] reizen om zich met zijn gezin te herenigen, nieuwe medicatie te ontvangen en werk te zoeken.

3.3.

Het LBIO voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de stellingen van [eiser] .

4.2.

Vooropgesteld zij dat het LBIO met de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 25 oktober 2000 over een executoriale titel beschikt om tot executie van de beschikking over te gaan. Voorts staat vast dat [eiser] niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, te weten de betaling van kinderalimentatie tot en met 2010 en de betaling van partneralimentatie tot en met 2012, en dat er thans sprake is van een forse betalingsachterstand.

4.3.

[eiser] heeft gesteld dat de inname van zijn paspoort onrechtmatig is en dat hij hierdoor onevenredig wordt benadeeld. Volgens [eiser] dient het LBIO de vermelding van [eiser] in het Register van paspoortsignaleringen op te heffen en opgeheven te houden en er zorg voor te dragen dat hij zijn paspoort terugkrijgt.

4.4.

Artikel 22 Paspoortwet luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van Onze Minister die het aangaat, onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, het bestuurscollege dan wel een ander tot invordering bevoegd orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, dat het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon,

a. (…)

d. die nalatig is in het nakomen van een wettelijk op hem rustende onderhoudsverplichting dan wel een bij uitspraak van een rechter in het Koninkrijk vastgestelde onderhoudsverplichting,

zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de verschuldigde gelden zal onttrekken.

4.5.

Met “Onze Minister” wordt in de Paspoortwet bedoelt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk (artikel 1 sub k Paspoortwet), (hierna: de Minister).

4.6.

Artikel 25 Paspoortwet luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. De autoriteiten (…) richten het verzoek tot weigering onderscheidenlijk vervallenverklaring onder vermelding van de bezwaren die tegen een persoon bestaan en de gronden die hebben geleid tot het vermoeden (…) aan Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur.

(…)

3. Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur vermeldt, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de voorwaarden van een van de artikelen 18 tot en met 24, de persoon op wie het verzoek betrekking heeft dan wel de persoon ten aanzien van wie bij hem, onderscheidenlijk de Gouverneur, gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan, in een door Onze Minister bij te houden register. (…)

(…)

5. Onze Minister verwijdert onverwijld een vermelding als bedoeld in het derde lid uit het register, indien hij een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid heeft ontvangen of indien twee jaar nadat een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan een zodanige kennisgeving niet is ontvangen, dan wel zodra de gronden ten aanzien van de betrokken persoon bij Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur niet meer bestaan. Hij geeft daarvan terstond kennis aan de autoriteiten aan wie hij de mededeling als bedoeld in het vierde lid heeft gedaan. Deze autoriteiten verwijderen terstond nadat zij een kennisgeving als bedoeld in de vorige volzin hebben ontvangen de vermelding uit de administratie, bedoeld in het vierde lid.”

4.7.

Omdat er sprake is van een forse alimentatie-achterstand heeft het LBIO [eiser] nalatig geacht in het nakomen van zijn betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de beschikking van 25 oktober 2000. Volgens het LBIO heeft [eiser] zich door zijn verblijf in [land] ook onttrokken aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de alimentatie. Het LBIO heeft daarom op grond van artikel 22 aanhef en sub d in samenhang met artikel 25 lid 1 Paspoortwet een verzoek aan de Minister gedaan tot weigering dan wel vervallenverklaring van een Nederlands paspoort. Overeenkomstig artikel 25 lid 3 Paspoortwet heeft de Minister de personalia van [eiser] in het Register paspoortsignaleringen vermeld.

4.8.

Uit artikel 25 lid 5 Paspoortwet blijkt dat alleen de Minister een vermelding uit het register kan verwijderen. Het LBIO kan de vermelding niet verwijderen. De voorzieningenrechter zal [eiser] derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering voor zover die ziet op de opheffing van de registratie en het opgeheven houden.

4.9.

[eiser] kan evenmin van het LBIO vorderen er zorg voor te dragen dat zijn paspoort aan hem wordt teruggegeven. Dat paspoort is niet door het LBIO ingenomen en bovendien blijkbaar vervallen verklaard, zodat teruggave sowieso niet mogelijk is.

4.10.

[eiser] zou wel hebben kunnen vorderen dat het LBIO de Minister verzoekt de vermelding in het register te verwijderen. Een dergelijk verzoek zou gegrond moeten zijn op het niet langer bestaan van de gronden voor opname in het register. Voor zover de subsidiaire vordering, tot schorsing van de executiemaatregelen zodat [eiser] naar [land] kan terugkeren, tegen die achtergrond zou moeten worden begrepen, wordt daarover het volgende overwogen.

4.11.

Vooropgesteld zij dat een verzoek aan de Minister, op grond van artikel 25 lid 5 Paspoortwet, niet (direct) oplevert dat [eiser] naar [land] zou kunnen terugkeren. Immers, zijn oude paspoort is vervallen en een nieuw paspoort is geweigerd. Naar de voorzieningenrechter begrijpt zal, of kan, een verzoek van het LBIO op de voet van artikel 25 lid 5 Paspoortwet van belang zijn bij de beslissing van het bezwaar dat tegen de weigering is ingesteld. In dat licht zullen de vorderingen tot schorsing van de executie, althans het treffen van enige voorziening, worden beoordeeld.

4.12.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane beslissing slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant (het LBIO) mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde ( [eiser] ) die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren beslissing klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de beslissing voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.13.

Gesteld noch gebleken is dat de beschikking van 25 oktober 2000 berust op een feitelijke of juridische misslag of dat er sprake is van een noodtoestand aan de zijde van [eiser] . Thans dient enkel beoordeeld te worden of sprake is van misbruik van bevoegdheid door het LBIO.

4.14.

[eiser] heeft gesteld dat het LBIO misbruik van zijn bevoegdheid maakt door zijn paspoort in te laten nemen terwijl het LBIO op de hoogte is van zijn financiële situatie. In reactie op dit standpunt heeft het LBIO het volgende aangevoerd. De signalering heeft als doel betaling van de geldvordering of een gedeelte daarvan. Toewijzing van de vordering van [eiser] zou neerkomen op een verbod c.q. schorsing van de executie terwijl [eiser] sinds 2013 geen enkele betaling meer heeft gedaan. Hij heeft nooit verzocht om wijziging of nihilstelling van de beschikking van 25 oktober 2000, geen enkel betalingsvoorstel gedaan en het LBIO geen inzage gegeven in zijn financiële mogelijkheden. Wel is het LBIO ervan op de hoogte dat [eiser] op LinkedIn aangeeft als technisch consultant werkzaam te zijn, dat hij twee huizen en een stuk grond in [land] bezit, dat zijn [land] echtgenote een baan bij een bank heeft en dat [eiser] in maart 2017 voldoende financiële middelen had om samen met zijn kind naar Nederland te komen. Gelet op het vorenstaande stelt het LBIO gebruik te mogen maken van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van de beschikking van 25 oktober 2010 over te gaan.

4.15.

[eiser] heeft zijn stelling dat het LBIO op de hoogte is van zijn financiële (on)mogelijkheden niet onderbouwd. Sterker nog, [eiser] heeft de hiervoor onder 4.14 weergegeven stellingen van het LBIO niet (gemotiveerd) betwist. Opvallend is voorts dat [eiser] stelt niet over financiële middelen te beschikken, maar tevens stelt dat hij zijn familie in Nederland regelmatig bezoekt.

4.16.

Deze omstandigheden in samenhang bezien maken dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [eiser] onvoldoende aannemelijk maakt dat sprake is van misbruik van bevoegdheid aan de kant van het LBIO door de beschikking van 25 oktober 2000 te blijven executeren, ook als dat inhoudt het doen van een verzoek op grond van artikel 25 Paspoortwet. De vordering tot schorsing van de executie zal daarom worden afgewezen.

4.17.

De voorzieningenrechter ziet ook overigens geen aanleiding tot ingrijpen. Daartoe wordt overwogen dat de overige persoonlijke omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd ook niet zijn onderbouwd.

4.18.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het LBIO worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris gemachtigde € 408,00

Totaal € 1026,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tot het opheffen en opgeheven houden van de paspoortsignalering en het zorgdragen voor de teruggave van zijn paspoort,

5.2.

wijst de vorderingen van [eiser] voor het overige af,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het LBIO tot op heden begroot op € 1026,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017. 2027 / 2009