Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7055

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
10/660148-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging met een vuurwapen op parkeerplaats club Blu in Rotterdam

Wederrechtelijke vrijheidsberoving tijdens autorit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0789

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660148-17

Datum uitspraak: 7 september 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 augustus 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R. Segerink heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

De feiten

Op 11 maart 2017 rond 06.00 uur in de ochtend wordt een melding uitgegeven dat er bij nachtclub Blu aan de Prins Alexanderlaan te Rotterdam, geschoten zou zijn met een vuurwapen. De politie gaat ter plaatse en treft daar, naast een groepje Somalische mannen, een drietal Hindoestaanse mannen aan. De Hindoestaanse mannen, [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] (hierna: aangevers) verklaren dat er is geschoten door een Antilliaanse man en dat deze man hen met een vuurwapen heeft bedreigd door midden op de rijbaan voor hun auto te gaan staan en het wapen op hen te richten.

Aangever [naam slachtoffer 4] (hierna: aangever) heeft verklaard dat de Antilliaanse man met het vuurwapen op hem is afgekomen, het wapen op hem heeft gericht, waarna aangever is weggerend. Nadat aangever in zijn auto was gestapt zag hij opeens dat de Antilliaanse man naast zijn auto stond en het vuurwapen op hem richtte en hoorde hij dat deze tegen hem zei: “als je wilt blijven leven dan ga je mij wegbrengen naar Rotterdam-Centraal”. De Antilliaanse man is in zijn auto gestapt, waarna aangever hem heeft afgezet bij het Oostplein. Tijdens de rit heeft de Antilliaanse man bedreigingen geuit en heeft hij het vuurwapen de hele tijd in de hals van aangever gedrukt gehouden.

Verklaring verdachte.

De verdachte heeft – kort samengevat - verklaard die nacht met zijn vriendin en nog een vriendin, een bezoek te hebben gebracht aan club Blu. Nadat zij de club hadden verlaten ontstond er op het parkeerterrein een woordenwisseling en een handgemeen tussen de verdachte en een drietal Somalische jongens. De verdachte is daarbij beschoten, maar hij weet niet door wie. Daarnaast zijn de (Hindoestaanse) mannen met hun auto op de verdachte ingereden. Aangever [naam slachtoffer 4] , met wie hij vlak daarvoor was weggerend nadat hij was aangereden, heeft de verdachte gevraagd om bij hem in de auto in te stappen om hem weg te brengen. Hij is afgezet op Oostplein. Volgens verdachte heeft hij geen vuurwapen in handen gehad.

4.1.1.

Standpunt verdediging feit 1

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangevers en getuigen wisselend zijn wat betreft het (vuur)wapen dat door de dader zou zijn gebruikt. Aangever [naam slachtoffer 2] heeft zelfs verklaard dat hij helemaal geen vuurwapen heeft gezien. Wel helder is de verklaring van de verdachte inhoudende dat hij die nacht geen vuurwapen in handen heeft gehad. Er is geen vuurwapen ter plaatse aangetroffen. Dat er kruitsporen zijn aangetroffen op de jas van de verdachte kan komen doordat de verdachte mogelijk in de buurt heeft gestaan toen er werd geschoten. Er dient vrijspraak te volgen van het onder 1 ten laste gelegde, aldus de raadsman.

4.1.2.

Beoordeling feit 1

Vooropgesteld wordt dat uit de verklaring van de verdachte zelf volgt dat hij die nacht ter plaatse is geweest en dat hij op het parkeerterrein ruzie heeft gekregen met drie Somalische jongens. De verdachte ontkent dat hij een vuurwapen in handen heeft gehad en anderen daarmee heeft bedreigd.

De rechtbank stelt echter vast dat de verklaringen van aangevers [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] elkaar ondersteunen en bevestigen. Uit de verklaringen van aangever [naam slachtoffer 1] , in samenhang met hetgeen de rechtbank uit anderen getuigenverklaringen opmaakt, volgt dat hij een vuurwapen in handen van de verdachte heeft gezien en dat de verdachte dit wapen op hun auto (een grijze BMW) heeft gericht, waarna zij op de verdachte zijn ingereden. Ook getuige [naam slachtoffer 4] heeft verklaard te hebben gezien dat een Antilliaanse man met een vuurwapen midden op de rijbaan stond en het wapen richtte op een grijze BMW die voor hem reed. Deze Antilliaanse man is dezelfde man die korte tijd later achter de bestuurdersplaats heeft plaatsgenomen in de Peugeot van aangever [naam slachtoffer 4] , te weten de verdachte.

Dat sprake is geweest van een vuurwapen – en niet een ‘op een vuurwapen gelijkend voorwerp’, dan wel (zoals de verdachte heeft gesteld) een telefoon - volgt uit het NFI-rapport van schotrestenonderzoek van 4 mei 2017 dat de uitkomsten van onderzoek naar sporen op de jas van de verdachte en bemonstering rond de zitplaats linksachter in de Peugeot van aangever [naam slachtoffer 4] bevat. De aanwezigheid van schotresten op de mouwen van de jas van de verdachte en in de Peugeot past bij het in handen hebben (en afvuren) van een vuurwapen. Het verweer dat die schotresten door overbrenging op de jas van de verdachte zijn gekomen, wordt dus verworpen.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat het de verdachte is geweest die die nacht een vuurwapen in handen heeft gehad en aangevers daarmee heeft bedreigd. Het onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.1.3.

Standpunt verdediging feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van aangever [naam slachtoffer 4] en het aan [naam slachtoffer 4] toegeschreven relaas op Facebook niet overeen komen. Uit de verklaring van de getuige [naam getuige] zou volgen dat de situatie soms bedreigend, soms ook best lachwekkend was.

4.1.4.

Beoordeling feit 2

Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de raadsman voorzien van een heldere conclusie is geen sprake.

Gelet op de ontkenning van de verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde - de verdachte stelt immers dat aangever [naam slachtoffer 4] (vrijwillig) heeft aangeboden hem weg te brengen - overweegt de rechtbank nog als volgt. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, nu de verklaring van aangever [naam slachtoffer 4] wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam getuige] , één van de andere inzittenden in de Peugeot. In het zeer korte tijdsbestek gelegen tussen feit 1, waarvan vaststaat dat de verdachte toen een vuurwapen in handen heeft gehad, en het onder 2 ten laste gelegde, ziet de rechtbank bovendien een belangrijke aanwijzing dat de verdachte ook nadien heeft gedreigd met het vuurwapen jegens aangever [naam slachtoffer 4] .

Het onder 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 11 maart 2017 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, op die [naam slachtoffer 1] en/ [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] gericht en gericht gehouden;

2.

hij op 11 maart 2017 te Rotterdam opzettelijk [naam slachtoffer 4] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft/is hij, verdachte

-een vuurwapen, aan die [naam slachtoffer 4] getoond en voorgehouden, en

-bij die [naam slachtoffer 4] in de auto gestapt, en

-die [naam slachtoffer 4] een vuurwapen, tegen de nek gedrukt, en

-(daarbij) die [naam slachtoffer 4] de woorden toegevoegd van de strekking: “als je wilt blijven leven dan ga je mij wegbrengen naar Rotterdam-Centraal”.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

2
Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De verdachte heeft na het uitgaan op een parkeerterrein nabij club Blu in Rotterdam drie jongens bedreigd door een vuurwapen op het voertuig waarin zij zaten te richten. Om weg te komen van het parkeerterrein is de verdachte vervolgens onder dreiging van een vuurwapen in de auto van een andere, onbekende, jongen gestapt en heeft hij deze jongen gedwongen hem naar het Oostplein te brengen. Tijdens deze rit van ongeveer 7 kilometer heeft de verdachte bedreigingen geuit en het vuurwapen tegen de hals van de jongen (hierna: bestuurder) aangehouden.

Uit de aangiften volgt dat zowel de jongens op het parkeerterrein, als de bestuurder van de ‘vluchtauto’ behoorlijk angstig zijn geweest, toen de verdachte het vuurwapen op hen richtte en gericht heeft gehouden. In hun paniek om weg te komen zijn de jongens op het parkeerterrein met hun auto tegen de verdachte aangereden. Ook het gedurende de autorit tegen de hals gedrukt krijgen van een vuurwapen en daarmee geruime tijd volledig in de macht van verdachte hebben verkeerd, moet buitengewoon beangstigend zijn geweest voor aangever [naam slachtoffer 4] .

De rechtbank heeft voorts in het nadeel van de verdachte meegewogen dat de verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 juli 2017 eerder is veroordeeld, onder meer in verband met de Wet wapens en munitie.

Reclassering Nederland heeft een voortgangsverslag c.q. reclasseringsadvies over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 maart 2017. Uit het advies blijkt, kort gezegd, dat de verdachte in een schorsingstoezicht liep en dat er op meerdere leefgebieden sprake is van een zorgelijke ontwikkeling. Tijdens de meldplichtgesprekken heeft de verdachte nagenoeg geen inzicht gegeven in zijn leefomstandigheden, wat er in hem omging en waar hij mee bezig was. De geadviseerde behandeling bij de Waag of het Dok in verband met een ander strafbaar feit, is (nog) niet van start gegaan.

Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij inderdaad geen reclasseringstoezicht wil. Het ging voorafgaand aan zijn detentie goed met de verdachte en hij had een betaalde baan. Na zijn detentie kan hij daar weer komen werken.

De raadsman heeft verzocht te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, aan te vullen met een taakstraf. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt genomen. Ter zake van bedreiging door het tonen van een vuurwapen is als oriëntatiepunt opgenomen een gevangenisstraf van 4 maanden onvoorwaardelijk. Ter zake van wederrechtelijke vrijheidsberoving is geen oriëntatiepunt voorhanden; in vergelijkbare strafzaken zijn straffen opgelegd van 6 maanden tot 2 jaren gevangenisstraf.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.900,= aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bepleit.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de (kale) betwisting door de verdachte worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 11 maart 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.900,=, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57, 63, 282 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.900,= (zegge: negentienhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.900,= (hoofdsom, zegge: negentienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.900,= vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 38 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter,

en mrs. P. van Dijken en J. van Dort, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan/op die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] getoond en/of voorgehouden en/of gericht en/of gericht gehouden;

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Rotterdam

opzettelijk [naam slachtoffer 4] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/is hij, verdachte

-een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [naam slachtoffer 4] getoond en/of voorgehouden, en/of

-bij die [naam slachtoffer 4] in de auto gestapt, en/of

-die [naam slachtoffer 4] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de hals/nek gezet/gedrukt, en/of

-(daarbij) die [naam slachtoffer 4] de woorden toegevoegd van de strekking: “als je wilt blijven leven dan ga je mij wegbrengen naar Rotterdam-Centraal”.