Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:7043

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
10/661050-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar met bijzondere voorwaarden en een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek, subsidiair 56 dagen hechtenis voor mishandelingen en bedreigingen in de relationele sfeer. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/661050-17

Datum uitspraak: 8 september 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte ] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. K. Logtenberg, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 25 augustus 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Reinders heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren;

  • -

    een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Ten aanzien van feit 1

De verdachte is op 20 februari 2017 verhaal gaan halen bij [naam slachtoffer 1] , omdat hij vermoedde dat [naam slachtoffer 1] een relatie had met zijn vrouw. De verdachte heeft, nadat hij meende [naam slachtoffer 1] op leugens te hebben betrapt, die [naam slachtoffer 1] meermaals met zijn vuist in het gezicht geslagen. [naam slachtoffer 1] is hierdoor gewond geraakt aan zijn oog.

Het hiervoor bedoelde handelen van de verdachte, is naar de uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld, gericht op en geschikt tot het toebrengen van pijn en zogenaamd eenvoudig letsel en niet meer dan dat.

Dat maakt allereerst dat geen sprake is geweest van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zoals primair is ten laste gelegd. De rechtbank sluit zich in zoverre aan bij het in deze gelijkluidend standpunt van de officier van justitie en de verdediging. Evenmin kan, anders dan de officier van justitie voorstaat, worden vastgesteld dat sprake is geweest van een poging tot toebrenging van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte zal hiervan, zoals dat subsidiair is ten laste gelegd, eveneens worden vrijgesproken. Resteert aldus de bewezenverklaring van de mishandeling welke de verdachte meer subsidiair wordt verweten.

4.2

Ten aanzien van feit 4

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de mishandeling omdat aan hem een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt.

Dit verweer wordt verworpen.

De verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor op 21 februari 2017 erkend dat hij op 26 januari 2017 [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld. Mogelijk ontlastende omstandigheden heeft hij toen niet genoemd. Eerst ter terechtzitting verklaart hij dat [naam slachtoffer 2] hem eerst met een bord op zijn hoofd heeft geslagen en dat hij haar vervolgens heeft geduwd om zichzelf te beschermen. Die verklaring wordt evenwel niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het dossier. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie hetgeen een gerechtvaardigd beroep op noodweer uitsluit.

4.3

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 20 februari 2017 te Capelle aan den IJssel

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 1] meermalen met kracht en

met de tot vuist gebalde hand te stompen tegen het gezicht;

2.

hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Rotterdam, zijn echtgenoot, [naam slachtoffer 2] ,

heeft mishandeld door haar met kracht beet te pakken bij het gezicht;

3.

hij op of omstreeks 29 januari 2017 te Rotterdam, [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Wat ik duidelijk maak als de kinderen een keer aangeven dat er wat mis gaat, dan ben je van mij en al duurt het zo 20 jaar. Als je doorgaat met dit dan doe ik het nu al. We zijn boven en niemand kan je redden.

Ik heb niks te verliezen dus kijk maar uit. Je hebt nog niks meegemaakt hoor,

helemaal niks. Ik maak je ter plekke hier af. Doe maar wat je kan gillen. Zeg

het maar, zeg het maar. Zeg het maar dan doe ik het nu.";

4.

hij op 26 januari 2017 te Rotterdam, zijn levensgezel, [naam slachtoffer 2] ,

heeft mishandeld door haar met kracht vast te pakken en

vervolgens tegen een deur te duwen;

5.

hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Rotterdam, [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd

met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 1] via SMS dreigend de

woorden toegevoegd :"Ik maak jullie kapot. Ga maar alvast aangifte doen maar

jullie ontkomen niet aan mij" en "Nogmaals jullie enige kans is open kaart

te spelen want deze vent gaat zich verliezen" en "Ik vind steeds meer en

we zijn nog geen week verder. Blijft dat uit, dan gaat de beer los en houdt

niets of niemand mij tegen".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. meer subsidiair

Mishandeling;

2.

Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot;

3.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4.

Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot;

5.

Bedreiging met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie mishandelingen in de relationele sfeer. De mishandelingen vonden plaats in de woning van de slachtoffers, een plek waar zij zich juist bij uitstek veilig zouden moeten voelen. Dergelijk geweld maakt inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers. Het is voor hen bovendien een zeer beangstigende ervaring geweest, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat het mannelijke slachtoffer psychologische hulp heeft gezocht en gedurende drie maanden kalmeringstabletten heeft geslikt.

Bovendien waren gedurende de mishandeling van zijn echtgenote ook de kinderen van haar en de verdachte in de echtelijke woning aanwezig. De ervaring leert dat kinderen, die op jonge leeftijd te maken hebben gehad met huiselijk geweld, daar nog geruime tijd de psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Ook het zoontje van de verdachte heeft naar aanleiding van de gebeurtenissen die bij hem thuis hebben plaatsgevonden enige tijd psychologische hulp gekregen.

Voorts heeft de verdachte zowel zijn echtgenote als haar vermeende minnaar bedreigd. Door te dreigen met een ernstig misdrijf heeft de verdachte zijn slachtoffers onder druk gezet. Dergelijk handelen leidt tot grote gevoelens van angst en onveiligheid, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat zijn ex-echtgenote van dit voorval in eerste instantie geen aangifte heeft durven doen.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte in 2014 al eens is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 mei 2017. Dit rapport houdt - voor zover van belang - het volgende in.

Het recidiverisico wordt ingeschat als matig. De verdachte is op 23 februari 2017 geschorst uit de voorlopige hechtenis en heeft zich gehouden aan alle oplegde schorsingsvoorwaarden, waaronder ook het contactverbod met zijn (ex-)echtgenote, mevrouw [naam slachtoffer 2] . De reclassering heeft onder meer mevrouw [naam] , coördinator van Veilig Thuis, als referent geraadpleegd. Zij stelt na vele gesprekken met zowel de verdachte als met [naam slachtoffer 2] dat de verdachte ‘niet voor 100% de agressor is’. [naam slachtoffer 2] kon tijdens ruzies met de verdachte ook fysieke agressie laten zien en zij zou de verdachte op sommige momenten ook bewust getriggerd hebben.
Geadviseerd wordt aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een werkstraf op te leggen. De bijzondere voorwaarden die worden geadviseerd zijn een meldplicht, een ambulante behandeling door polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling, een contactverbod met [naam slachtoffer 2] , met uitzondering van de partnergesprekken onder begeleiding van instanties, en de verplichting om toestemming te geven aan Reclassering Nederland om [naam slachtoffer 2] als referent te raadplegen.
Uitdrukkelijk wordt in het reclasseringsrapport uiteengezet dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in meerdere opzichten funest zal zijn, omdat daar meerdere partijen indirect door worden getroffen. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en op het feit dat de verdachte oprecht spijt lijkt te hebben van het plegen van de feiten zal de rechtbank echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de hierna genoemde voorwaarden koppelen. Het voorwaardelijk op te leggen strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Nu de echtscheiding tussen de verdachte en [naam slachtoffer 2] reeds is uitgesproken en de verdachte inmiddels is aangemeld voor een behandeling bij polikliniek De Waag ziet de rechtbank, anders dan is geadviseerd door de reclassering, geen aanleiding het contactverbod met [naam slachtoffer 2] langer te laten voortduren. De rechtbank acht het in het belang van met name de kinderen van de verdachte en [naam slachtoffer 2] dat het contact tussen hen beiden wordt hersteld. Een contactverbod draagt daar niet aan bij.

De rechtbank acht geen termen aanwezig die er op duiden dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, daarom geen bevel tot dadelijk uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden geven.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.703,44 aan materiële schade, een vergoeding van € 2.500,00 aan immateriële schade en een vergoeding van € 15,56 aan proceskosten; dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde verplaatste schade ad
€ 54,48 geen rechtstreeks verband houdt met de onderhavige strafzaak, zodat dit gedeelte van de vordering niet voor toewijzing vatbaar is. Voor het overige kan de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen, nu alle posten genoegzaam zijn onderbouwd.
De officier van justitie verzoekt de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 7.145,93, te verhogen met de wettelijke rente, en voorts aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor dit bedrag.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voor zover deze ziet op het eigen risico van € 385,00, de kosten van medicatie van € 30,48 en de reis- en parkeerkosten van € 51,45.

Het gedeelte van de vordering, dat ziet op de hotelkosten ad € 129,00, dient te worden afgewezen, nu er geen rechtstreeks verband is met het bewezenverklaarde feit.

Ook de verplaatste schade ad € 54,48 dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van het door de benadeelde partij geclaimde verlies van arbeidsvermogen ad
€ 4.050,00 stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat die vordering te ingewikkeld is om in deze procedure te behandelen, zodat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor dit gedeelte van de vordering. Subsidiair stelt de raadsvrouw dat de vordering op dit punt dient te worden gematigd.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade ad € 2.500,00 verzoekt de raadsvrouw dit bedrag te matigen, omdat de vergelijking die is gemaakt met de aangehaalde uitspraak uit de ANWB Smartengeldgids niet helemaal op gaat en de gevolgen in de onderhavige zaak minder ernstig zijn dan in de aangehaalde uitspraak.

8.3.

Beoordeling

De vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen, voor zover deze betrekking heeft op de verplaatste schade ad € 54,48, omdat die schade is geleden door de ex-partner van de benadeelde partij en indirecte schade in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking komt. Bovendien kan eventuele schade die is geleden door de ex-partner van de benadeelde alleen door de ex-partner zelf gevorderd worden.

Ook de gevorderde hotelkosten ad € 129,00 worden afgewezen, omdat deze schade niet direct voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet voldoende gemotiveerd is weersproken en ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de materiële schade, voor het overige worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank tevens de reis- en parkeerkosten ad € 15,56, welke kosten door de benadeelde partij als “proceskosten” zijn gevorderd, toewijzen als zijnde materiële schade. Hierdoor komt het totale bedrag aan materiële schade dat wordt toegewezen uit op (€ 385,00 + € 30,48 + € 51,45 + € 4.050,00 + € 15,56 ) = € 4.532,49.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het totale te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de vordering is ingediend, zijnde 29 mei 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van (€ 4.532,49 +
€ 500,00 = ) € 5.032,49, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2017.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich houden aan de voorschriften of aanwijzingen die hem worden gegeven door of namens de reclassering en zal zich binnen de proeftijd blijven melden bij Reclassering Nederland, zo lang en zo frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich gedurende zijn proeftijd onder ambulante behandeling stellen van polikliniek De Waag te Rotterdam, of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering;

3. de veroordeelde geeft aan de reclassering toestemming om zijn (ex-)vrouw [naam ex-vrouw] als referent te spreken;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 112 uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 56 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 5.032,49 (zegge: vijfduizendtweeëndertig euro en negenenveertig eurocent), bestaande uit € 4.532,49 aan materiële schade en
€ 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af de door de benadeelde partij meer of anders gevorderde materiële schade;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de gevorderde immateriële schade;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.032,49 (hoofdsom, zegge: vijfduizendtweeëndertig euro en negenenveertig eurocent);

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 5.032,49 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W. van Lottum, voorzitter,

en mrs. J. de Lange en L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 september 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Capelle aan den IJssel

aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gescheurde traanbuizen en/of een gescheurd ooglid, heeft toegebracht door meermalen althans eenmaal (met kracht en met de tot vuist gebalde hand) te slaan/stompen in/tegen het gezicht;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Capelle aan den IJssel

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet die [naam slachtoffer 1] meermalen (met kracht en met de tot vuist gebalde

hand) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Capelle aan den IJssel

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 1] meermalen (met kracht en

met de tot vuist gebalde hand) te slaan/stompen in/tegen het gezicht,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten gescheurde traanbuizen

en/of een gescheurd ooglid ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Rotterdam, althans in Nederland,

zijn echtgenoot, [naam slachtoffer 2] , heeft mishandeld door haar (met kracht) beet/vast te pakken bij de wang/het gezicht;

3.

hij op of omstreeks 29 januari 2017 te Rotterdam, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 2] dreigend de

woorden toegevoegd : "Wat ik duidelijk maak als de kinderen een keer aangeven dat er wat mis gaat, dan ben je van mij en al duurt het zo 20 jaar. Als je doorgaat met dit dan

doe ik het nu al. We zijn boven en niemand kan je redden.

Ik heb niks te verliezen dus kijk maar uit. Je hebt nog niks meegemaakt hoor,

helemaal niks. Ik maak je ter plekke hier af. Doe maar wat je kan gillen. Zeg

het maar, zeg het maar. Zeg het maar dan doe ik het nu.",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 26 januari 2017 te Rotterdam, althans in Nederland,

zijn levensgezel, [naam slachtoffer 2] ,

heeft mishandeld door haar (met kracht) vast te pakken/grijpen en/of

(vervolgens) op/tegen een deur te duwen/gooien;

5.

hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Rotterdam, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 1] via SMS dreigend de

woorden toegevoegd :"Ik maak jullie kapot. Ga maar alvast aangifte doen maar

jullie ontkomen niet aan mij" en/of "Nogmaals jullie enige kans is open kaart

te spelen want deze vent gaat zich verliezen" en/of "Ik vind steeds meer en

we zijn nog geen week verder. Blijft dat uit, dan gaat de beer los en houdt

niets of niemand mij tegen", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;