Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6951

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
C/10/526582 / HA ZA 17-452
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement, betalingen aan schoonouders directeur kort voor datum faillietverklaring, faillissementspauliana, art. 42 Fw, art. 47 Fw, bewijsrisico curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/526582 / HA ZA 17-452

Vonnis van 6 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.J. Linker te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de curator, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 mei 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie van 10 mei 2017, met producties;

  • -

    de brief van 31 mei 2017 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;

  • -

    de brief van 10 juli 2017 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd met betrekking tot de comparitie van partijen;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte overlegging producties van 29 augustus 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 augustus 2017;

  • -

    de pleitnotities van mr. Linker.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De heer [bestuurder Carlsen] , geboren op 26 februari 1986, (hierna: [bestuurder Carlsen] ) en Sea Alliance Holding B.V. (hierna: Sea Alliance) zijn de bestuurders van Carlsen Offshore Systems B.V. (hierna: Carlsen).

2.2.

Sea Alliance is de enig aandeelhouder van Carlsen.

2.3.

De heer [bestuurder Sea Alliance] , geboren op 8 oktober 1952, (hierna: [bestuurder Sea Alliance] is de enig bestuurder van Sea Alliance.

2.4.

[bestuurder Sea Alliance] is de vader van [bestuurder Carlsen]

2.5.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn met elkaar getrouwd.

2.6.

[bestuurder Carlsen] is getrouwd met mevrouw [moeder gedaagde 1] .

2.7.

Mevrouw [moeder gedaagde 1] is een dochter van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Zij was werkzaam bij Carlsen.

2.8.

Op de volgende data zijn de volgende betalingen verricht van een rekening van Carlsen:

datum bedrag betaald aan

19 maart 2015 € 50.000,00 [gedaagde 1]

6 november 2015 € 80.000,00 [gedaagde 1]

17 november 2015 € 59.127,68 [gedaagde 1]

17 november 2015 € 60.000,00 [gedaagde 2]

2.9.

Op 19 november 2015 heeft Sea Alliance besloten dat Carlsen haar eigen faillissement dient aan te vragen. Sea Alliance heeft het bestuur van Carlsen daartoe opdracht gegeven.

2.10.

Op 20 november 2015 is het verzoek tot faillietverklaring van Carlsen ingediend.

Carlson is op 24 november 2015 in staat van faillissement verklaard. Daarbij is de curator tot curator benoemd.

2.11.

De advocaat van de curator heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij brief van 24 februari 2017 gesommeerd om de door Carlsen aan ieder van hen betaalde bedragen als hiervoor onder 2.8 genoemd 'binnen twee weken na de datum van deze brief' over te maken naar de boedelrekening (productie 5 bij dagvaarding). Daarbij heeft de curator zich beroepen op onverschuldigde betaling en subsidiair de eventuele rechtshandelingen die hebben geleid tot de betalingen vernietigd op grond van de zogenoemde faillissementspauliana.

2.12.

Op 23 maart 2017 heeft de curator ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ING Bank N.V. Voorts heeft de curator ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] conservatoir beslag doen leggen op - kort weergegeven - de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bewoonde woning, alsmede ten laste van [gedaagde 1] op een auto en een motorfiets.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De curator vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

'1. primair: voor recht verklaart dat:

( a) de bedragen die Carlsen op 19 maart 2015, en op 6 en 17 november 2015 (in totaal EUR 189.127,68) aan [gedaagde 1] heeft voldaan, onverschuldigd zijn betaald

en

( b) het bedrag van EUR 60.000,- dat Carlsen op 17 november 2015 aan [gedaagde 2] heeft voldaan, onverschuldigd is betaald; althans

subsidiair: het beroep van de curator op vernietiging van de beweerdelijke overeenkomsten van geldlening tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en Carlsen en/of van de rechtshandelingen die hebben geleid tot de hiervoor bij (a) en (b) bedoelde betalingen, aanvaardt, waardoor die betreffende rechtshandelingen zijn vernietigd;

2. [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van een bedrag van EUR 189.127,68 (zegge: éénhonderd negenentachtig duizend éénhonderd zevenentwintig euro en achtenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

3. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een bedrag van EUR 60.000 (zegge: zestigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt (met dien verstande dat als de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd) in de kosten, de kosten van de gelegde conservatoire beslagen daaronder begrepen; één en ander te voldoen binnen 14 dagen na dato van het in deze zaak te wijzen vonnis en - voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf de eerste dag na het verstrijken van bedoelde termijn tot aan de dag van algehele voldoening;

5. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt (met dien verstande dat als de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd) in de na het te wijzen vonnis ontstane kosten (nakosten), begroot op EUR 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het te wijzen vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden - met een bedrag van EUR 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis; en te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de 15e dag na de betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.'

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de curator in de kosten van de procedure inclusief de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de ten verzoeke van de curator, ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 23 maart 2017 gelegde conservatoire beslagen op te heffen, met veroordeling van de curator in de kosten van de procedure inclusief de nakosten.

3.5.

De curator voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure inclusief de nakosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De curator legt aan zijn vorderingen - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

A. De hiervoor onder 2.8 genoemde betalingen waren onverschuldigd in de zin van artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek (BW).

B. Subsidiair beroept de curator zich op de faillissementspauliana (artikel 42 Faillissementswet; Fw).

Voor het geval met de betalingen werd beoogd een beweerdelijke geldlening terug te betalen, zijn die overeenkomsten onverplicht aangegaan. De betalingen waren onverplichte rechtshandelingen omdat niet is gebleken van opeisbare vorderingen. Er was bij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en Carlsen wetenschap van benadeling van schuldeisers. De wetenschap wordt vermoed aanwezig te zijn nu [bestuurder Carlsen] de schoonzoon is van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de betalingen binnen een jaar voor de faillietverklaring van Carlsen zijn verricht (artikel 43 lid 1 aanhef en onder sub 4 onderdeel a Fw). De curator heeft de rechtshandelingen die hebben geleid tot de betalingen buitengerechtelijk vernietigd ex artikel 42 Fw.

C. Meer subsidiair beroept de curator zich op artikel 47 Fw.

De in november 2015 verrichte betalingen zijn het gevolg van overleg tussen Carlsen ( [bestuurder Carlsen] ) en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met als doel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] boven andere schuldeisers te bevoordelen. De curator heeft de voldoening buitengerechtelijk vernietigd ex artikel 47 Fw.

4.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daartegen - kort weergegeven - het volgende aangevoerd.

[gedaagde 1] heeft in de periode februari 2014 tot en met december 2014 met toestemming en medewerking van [gedaagde 2] vier keer geld - € 200.000,00 tot € 250.000,00 per keer - uitgeleend voor de bedrijfsvoering van Carlsen. De eerste twee keer heeft [gedaagde 1] de lening verstrekt aan Sea Alliance. De laatste twee keer aan Carlsen. Steeds werd voordat het geld werd overgemaakt eerst een schriftelijke overeenkomst opgesteld. Daarbij werd gebruik gemaakt van hetzelfde model waarin telkens de noodzakelijke aanpassingen werden aangebracht. De looptijd van de lening was steeds bepaald op twee maanden. De eerste twee leningen zijn tijdig afgelost. De laatste twee leningen zijn niet tijdig afgelost. In 2015 heeft [gedaagde 1] een paar maal bij [bestuurder Carlsen] geïnformeerd wanneer Carlsen de op dat moment nog resterende € 200.000,00 zou terugbetalen. Per e-mail van 22 september 2015 heeft [gedaagde 1] verzocht om onmiddellijke terugbetaling. Toen Carlsen de betalingen van november 2015 verrichtte, was [gedaagde 1] er niet van op de hoogte dat Carlsen haar eigen faillissement ging aanvragen. De betalingen door Carlsen waren niet onverschuldigd. Er was geen sprake van onverplichte rechtshandelingen. De betalingen waren evenmin het gevolg van overleg tussen Carlsen en [gedaagde 1] . Dergelijk overleg heeft niet plaatsgevonden. Er bestond geen grond voor vernietiging van de rechtshandelingen door de curator. De curator heeft zijn taak niet behoorlijk vervuld door vijftien maanden na de faillissementsdatum louter op basis van zijn constatering dat de hiervoor onder 2.8 genoemde betalingen hadden plaatsgevonden, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] plotseling te sommeren om binnen veertien dagen (ruim) € 249.000,00 aan de curator te betalen. Van de curator had minst genomen mogen worden verwacht dat hij eerst de bestuurders van Carlsen en/of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] had gevraagd om de achtergrond van de betalingen toe te lichten. De curator heeft zonder deugdelijke grond conservatoire beslagen ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelegd. Die beslagen dienen te worden opgeheven.

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ad A. artikel 6:203 BW - onverschuldigde betaling

4.4.

Van onverschuldigde betaling was geen sprake. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben als bewijsstukken ter staving van hun verweer onder andere overgelegd kopieën van:

  • -

    de verschillende overeenkomsten van geldlening;

  • -

    de in verband met die geldleningen verrichte afschrijvingen en bijschrijvingen op de bankrekeningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ;

  • -

    schriftelijke verklaringen van [bestuurder Carlsen] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ;

  • -

    de jaarrekening 2014 van Carlsen, welke per 31 december 2014 een uitstaande lening aan [gedaagde 1] vermeldt van € 250.000,00;

  • -

    e-mail correspondentie van 22 september 2015 tussen [bestuurder Carlsen] en [gedaagde 1] inzake het nog openstaande bedrag van de lening.

4.5.

De curator heeft desgevraagd ter comparitie medegedeeld dat hij zich niet op het standpunt stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] valse stukken hebben overgelegd.

4.6.

De rechtbank stelt op grond van de stellingen van partijen en de in zoverre niet betwiste inhoud van de producties vast, dat de hiervoor onder 2.8 genoemde betalingen (verschuldigde) terugbetalingen waren van door Carlsen van [gedaagde 1] geleende bedragen.

4.7.

Dat een van de betalingen plaatsvond aan [gedaagde 2] en niet aan [gedaagde 1] is niet relevant. Het was [gedaagde 1] die de bedragen uitleende. Dat een deel van de door hem aan Carlsen uitgeleende bedragen van de rekening van [gedaagde 2] afkomstig was en ook weer op die rekening werd terugbetaald, doet er niet aan af dat de (terug)betalingen door Carlsen aan [gedaagde 1] verschuldigde betalingen betroffen. Een vordering kan ook worden voldaan door op aanwijzing van de schuldeiser geld naar de rekening van een derde over te maken.

Ad B. artikel 42 Fw - faillissementspauliana onverplichte rechtshandelingen

4.8.

Op grond van artikel 42 Fw kan de curator elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen.

4.9.

De curator heeft er op gewezen dat het aangaan van de vier overeenkomsten van geldlening onverplicht was. Dat is juist, maar niet relevant. De overeenkomsten van geldlening strekten er immers toe dat een bedrag door [gedaagde 1] aan (eerst tweemaal Sea Alliance en later tweemaal) Carlsen werd betaald, terwijl werd afgesproken dat (Sea Alliance respectievelijk) Carlsen datzelfde bedrag binnen twee maanden zou terugbetalen aan [gedaagde 1] . Verschuldigdheid van rente werd niet overeengekomen. Evenmin werden zekerheden bedongen. Van enige benadeling van schuldeisers als gevolg van het aangaan van de overeenkomsten van geldlening was geen sprake.

4.10.

De curator heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zijns inziens de in de overeenkomsten van geldlening opgenomen termijn voor terugbetaling van twee maanden nadien mondeling of stilzwijgend is aangepast in die zin dat de overeenkomsten uiteindelijk zijn omgezet in geldleningen voor onbepaalde tijd. Vervolgens zijn de overeenkomsten in de visie van de curator niet opgezegd. Derhalve was de uiteindelijke terugbetaling naar het oordeel van de curator een onverplichte rechtshandeling.

4.11.

Het door de curator ingenomen standpunt vindt geen basis in de feiten. [gedaagde 1] heeft gesteld dat hij nadat de termijn van twee maanden was verstreken diverse malen mondeling bij [bestuurder Carlsen] heeft aangedrongen op terugbetaling en dat hij uiteindelijk, omdat zijn vriendelijke verzoeken onvoldoende resultaat opleverden, op 22 september 2015 een e-mail aan [bestuurder Carlsen] zond waarin hij - enigszins ironisch geformuleerd - op onmiddellijke terugbetaling aandrong. Die e-mail vermeldt (productie 14 bij conclusie van antwoord):

'(…) Er staat van mij nog 2K uit bij Carlsen, ik wil om bovenstaande mijn pensioen geld weer zo snel mogelijk op de bank hebben.

Kan jij de lening onmiddellijk terug betalen want de looptijd is nu wel zo'n beetje verstreken vind je niet.'

4.12.

Nog afgezien van het feit dat er geen reden bestaat om aan te nemen dat mondeling of stilzwijgend tussen Carlsen en [gedaagde 1] is overeengekomen dat aan de (verstreken) looptijd van de overeenkomst van geldlening geen gevolgen werden verbonden, laat staan dat de lening werd omgezet in een lening voor onbepaalde tijd, kan de tekst van voornoemde e-mail in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan dat [gedaagde 1] aan Carlsen kenbaar maakte dat de lening onmiddellijk aan hem diende te worden terugbetaald.

4.13.

De aflossing van de lening door de terugbetalingen was derhalve geen onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 42 Fw. Het beroep dat de curator heeft gedaan op artikel 42 Fw faalt.

Ad C. artikel 47 Fw - faillissementspauliana verplichte rechtshandelingen

4.14.

Op grond van artikel 47 Fw kan door de curator de voldoening door de schuldenaar aan een opeisbare schuld alleen dan worden vernietigd, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.

4.15.

Het faillissement van Carlsen was nog niet aangevraagd toen de betalingen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] plaatsvonden. Die vernietigingsgrond is derhalve in ieder geval niet van toepassing.

4.16.

De enige andere vernietigingsgrond is dat door de curator wordt aangetoond dat de betalingen door Carlsen het gevolg waren van overleg tussen Carlsen en [gedaagde 1] , dat ten doel had [gedaagde 1] door die betalingen boven andere schuldeisers te begunstigen. Dat dergelijk overleg heeft plaatsgevonden, heeft de curator niet, ook niet voorshands, aangetoond.

4.17.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een verklaring van 3 mei 2017 van [bestuurder Carlsen] overgelegd, welke vermeldt (productie 10 bij conclusie van antwoord):

'(…) In de loop van 2015 werd het voor Carlsen Offshore steeds lastiger om gelden van onze klanten te ontvangen, door de moeilijke situatie in de olie & gas industrie. Door deze marktsituatie werd het ook steeds moeilijker om deze kortlopende leningen op tijd terug te betalen. Hierdoor heeft Dhr. [gedaagde 1] langer op zijn geld moeten wachten, maar uiteindelijk is het mij toch gelukt om deze terug te betalen. Dhr. [gedaagde 1] heeft mij ook niet verzocht om de lening snel voor het faillissement terug te betaling, dit was echter ook niet mogelijk omdat dhr. [gedaagde 1] niet op de hoogte was van het faillissement. Uiteraard heeft Dhr. [gedaagde 1] mij wel meerdere keren mondeling en uiteindelijk via de mail verzocht de lening z.s.m. terug te betalen.

Alle partijen die niet betrokken waren bij het besluit, van 19 november 2015, om het faillissement aan te vragen van de Carlsen Offshore, zijn in een gezamenlijke bijeenkomst te 23 november 2015 op de hoogte gesteld. Deze partijen waren: Dhr. [gedaagde 1] , het personeel en de Executive Board of Directors. Hierdoor heb ik ervoor zorggedragen dat er voor het faillissement geen onrust en paniek bij het personeel en Executive Board zou ontstaan, met alle gevolgen van dien. Dhr. [gedaagde 1] was op 23 november toevallig bij ons op kantoor om met onze IT-medewerker, [IT-medewerker] , te spreken Hierdoor heb ik Dhr. [gedaagde 1] tegelijkertijd met het personeel kunnen inlichten.

Ik vind het vreemd en bijzonder dat dhr. [gedaagde 1] met allerlei onterechte verwijten van u, de curator, wordt geconfronteerd. Ik vind het in het bijzonder zeer vreemd dat u nooit contact met ons heeft opgenomen, om met ons over dit onderwerp te spreken. Het lijkt er op dit moment vooral op dat u niet geïnteresseerd bent in de waarheid.

Daarom stel ik mij dan ook uiteraard beschikbaar voor de rechtbank om als getuige gehoord te worden.

Tevens wil ik u erop wijzen dat alle andere partijen die bij de bijeenkomst van 23 november 2015 aanwezig waren, kunnen bevestigen dat dhr. [gedaagde 1] het vervelende nieuws ook voor het eerst hoorde. (…)'

4.18.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een verklaring van 1 mei 2017 van [gedaagde 1] overgelegd, welke vermeldt (productie 11 bij conclusie van antwoord):

'(…) In November 2014 was er weer geld nodig om een project te financieren, dit maal was het [bestuurder Carlsen] die mij de vraag stelde, we hebben de naam van Sea Alliance veranderd in Carlsen op de leen overeenkomst en in plaats van het geld naar Sea Alliance te storten kon dat nu direct naar Carlsen gestort worden. Het ging nu om 250.000 euro, het geld is weer van de spaar rekeningen gehaald en overgemaakt met als laatste betaling 17 november 2014. Op 27 November werd er al weer 100.000 euro terug gestort. Waar echter in december 2014 al weer een beroep op werd gedaan. Dit was als de 4e lening welke is overgemaakt op 10 en 11 december 2014.

Hierna werd het even stil met terug betalen, op 21 maart 2015 heb ik een trainingsbedrijf overgenomen, op 9 maart, de verjaardag van mijn moeder heb ik [bestuurder Carlsen] gevraagd om minimaal 50.000 euro terug te betalen voor 21 maart omdat ik garant moest staan voor 32000 euro naast het geld wat nodig was om het bedrijf te kunnen voeren. [bestuurder Carlsen] heeft op 19 maart dat geld ook terug betaald. Zodra zijn facturen betaald zouden zijn, zou ik ook de rest ontvangen.

Ik heb een paar keer om de status van de betalingen gevraagd, echter het antwoord was zodra het binnen komt, er staan heel veel facturen open waarvan de betaling door de klant nog niet is gedaan.

Omdat in oktober 2015 mijn tijdelijke arbeidsovereenkomst met Stella Aviation afliep begon ik mij wel wat zorgen te maken omdat ik nu geen pensioen reserves meer had. Ik heb [bestuurder Carlsen] een ietwat cynische mail gezonden omdat hij eigenlijk in februari 2015 alles al terug betaald had moeten hebben.

Ik heb daarin mijn geld terug gevraagd op een nu echt zo kort mogelijke termijn.

Dat geld heb ik ook gekregen vanaf 6 november tot 17 november in 3 betalingen.

In februari 2016 en juni 2016 heb ik trouwens de zelfde leen overeenkomst als voorbeeld gebruikt voor een lening aan de holding van het bedrijf waar ik nu in loondienst ben.

Op 23 november 2015 was ik bij Carlsen om met [IT-medewerker] , de ICTer van Carlsen, die ook een eigen bedrijf heeft, te praten. Hij heeft voor Stella Aviation een examen programma gemaakt en ik wilde weten of hij ook een app kon maken voor justitie, met name het opzetten van een systeem waarbij gevangenen zelf zaken via een Ipad zouden kunnen regelen. Dit was een Europese aanbesteding waarbij een bedrijf waar ik mede aandeelhouder van ben op wilde inschrijven.

Op een zeker moment werd het personeel naar de kantine geroepen, ik ben mee gegaan nog in de gedachte dat er iemand jarig was of zo.

[bestuurder Carlsen] nam het woord en vertelde dat er faillissement was aangevraagd voor Carlsen offshore. Een van de personeelsleden vroeg door wie en [bestuurder Carlsen] antwoordde door een derde partij maar het was nog niet bekend door wie. Mijn gedachte op dat moment was ook meteen, kunnen [bestuurder Carlsen] zijn ouders en ik samen deze faillissement aanvraag niet gezamenlijk afwenden.

Ik heb nog even met Björn gesproken en ben daarna naar huis gegaan. Ik heb [bestuurder Carlsen] die dag niet meer gesproken. Twee dagen later vertelde [bestuurder Carlsen] bij mij thuis dat Carlsen zelf de aanvraag had gedaan en niet een derde partij, dit omdat de klanten niet betaalde en projecten vertraagd werden of on-hold werden gezet door de lage olie prijs. Hij vertelde dat de bulkhandling wel door zou gaan.

Op zaterdag 25 Februari 2017, 15 maanden na het faillissement net voor we op vakantie willen gaan ontvangen we een brief van de firma schaap waarin ons in niet mis te verstane woorden, als met een mes op je keel even wordt gesommeerd 249.000 euro ineens over te maken omdat ik iets fout zou hebben gedaan in het faillissement waar ik toen der tijd geeneens weet van had nota bene.

En dit omdat mijn schoonzoon de leen overeenkomst niet zou hebben willen insturen naar de curator. Ik heb [bestuurder Carlsen] direct gebeld wat dat voor een grapjes zijn, waarom hij niet aan het verzoek van de curator heeft voldaan en waarom hij mij niet heeft gemeld dat de curator de leen overeenkomsten wilt hebben. Ik heb ze gewoon in een map zitten tenslotte.

[bestuurder Carlsen] meldde dat hij zich van geen kwaad bewust was. Dat de curator hem nooit heeft benaderd voor de leenovereenkomst en dat hij minstens zo verbaasd is als ik.

Ik was woedend, begin van de vakantie verziekt door een brief en wie moet ik nu geloven?

[bestuurder Carlsen] belde later dat ook zijn ouders een brief hadden ontvangen met een soortgelijke tekst.

Zijn ouders zouden het naar hun advocaat sturen, of ik mijn brief de ik inmiddels al had gescand en naar [bestuurder Carlsen] toe had gezonden ook naar hun advocaat wilde sturen. Dat heb ik gedaan.

Mevrouw de Kwant heeft mij gebeld of ik de leen overeenkomsten met Carlsen had, die heb ik op 28 februari naar haar toe gezonden, om door te sturen naar de advocaat. Het is eenvoudig te controleren wanneer die word documenten zijn gemaakt.

De advocaat heeft vervolgens de curator geïnformeerd dat hij mij en de familie de Kwant vertegenwoordigt.

In de brief van de curator staat nergens dat hij verwacht dat ik met hem contact op neemt, de brief is zo opgesteld dat iemand die niet juridisch is geschoold er ook niets van snapt, mogelijk om de verwarring nog groter te maken. In de veronderstelling dat de advocaat het nu met de curator uit zoekt wordt ik ineens geconfronteerd dat er per 23 maart 2017 beslag is gelegd op mijn bank rekening en op de bank rekening van mijn vrouw, tevens ontvangen wij later door de brievenbus een vonnis van de rechtbank van Rotterdam dat er ook beslag is gelegd op mijn huis, auto en motor. Zogenaamd omdat er vervreemding zou kunnen zijn, alsof ik mijn huis waar ik nu al sinds 1982 woon ineens wilt verkopen en het geld wat nog 3 jaar vast staat op de bank er ineens af wilt halen.

En dat allemaal omdat je het bedrijf van je schoonzoon een paar keer hebt geholpen, wat mij alleen maar geld heeft gekost aan vermogens belasting zonder er rente voor terug te vragen en nu als een leugenaar, samenzweerder en fraudeur wordt neergezet. Ik ben woedend. De curator heeft mij nooit benaderd per telefoon of email, even een briefje om contact op te nemen voor al deze zaken gingen lopen, was wel zo netjes geweest. Dan wordt er gelogen door de curator tegen de rechter commissaris dat hij [bestuurder Carlsen] heeft verzocht om de leenovereenkomsten. Ik heb daar geen enkel bewijs van gezien. De handelswijze van deze curator zie ik als gewoon onbeschoft.

Op het voorstel van de advocaat om eens te praten reageert hij wel te willen praten maar dan alleen om te "schikken" maar niet inhoudelijk over de zaak te praten is schokkend, hoe kan iemand zich zo opstellen. Hoe kan iemand op deze manier het leven van een ander zo op zijn kop zetten.

Ik ben nu 60 jaar en wilde over enige jaren gaan genieten van mijn pensioen, deze curator probeert door list en bedrog een zaak tegen mij aan te spannen.

Ik zou graag bij de rechtszaak aanwezig willen zijn om deze man eens persoonlijk te ontmoeten en mijn verhaal aan de rechter te vertellen want de verzinsels van de curator zijn van zo'n allooi dat de rechter hier eens naar moet kijken. Als ik daarvoor als getuige moet verklaren dan doe ik dat graag.'

4.19.

Ter comparitie heeft de rechtbank de curator gevraagd of hij, voorafgaande aan het ondernemen van actie, aan de bestuurders van Carlsen en/of aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft gevraagd waarom de hiervoor onder 2.8 genoemde betalingen hadden plaatsgevonden. De curator heeft geantwoord dat hij dat niet aan de bestuurders heeft gevraagd en evenmin aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De curator meende over voldoende gegevens te beschikken om eerst de sommatiebrief aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te doen uitgaan en later beslag te leggen en deze procedure aanhangig te maken. In dit verband heeft de curator erop gewezen dat hij in de administratie geen overeenkomsten van geldlening tussen Carlsen en [gedaagde 1] heeft aangetroffen en dat deze ook niet door de bestuurders zijn verstrekt in reactie op verzoeken van de curator bij e-mails van 25 november en 10 december 2015 om allerlei stukken te verstrekken waaronder 'Leningdocumentatie waarbij de gefailleerde vennootschap partij is' (productie 10 en 11 bij de conclusie van antwoord in reconventie).

4.20.

Ter comparitie heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat gelet op de jurisprudentie kan worden aangenomen dat er voldoende aanwijzingen zijn voor het feitelijk vermoeden dat er sprake is geweest van samenspanning. De rechtbank deelt die mening niet. Door de curator is geen bewijsmiddel overgelegd op grond waarvan aannemelijk zou kunnen worden geacht dat de inhoud van de hiervoor weergegeven schriftelijke verklaringen van [bestuurder Carlsen] en [gedaagde 1] onjuist is. Uitgaande van de juistheid van die verklaringen, is van samenspanning geen sprake geweest. Dat [bestuurder Carlsen] wellicht heeft beoogd om door de betalingen zijn schoonvader [gedaagde 1] boven andere schuldeisers te bevoordelen, brengt niet mee dat, zonder bewijs daarvan, aangenomen kan worden dat [gedaagde 1] daartoe met [bestuurder Carlsen] /Carlsen heeft samengespannen.

4.21.

Op de curator rust de bewijslast en het bewijsrisico van zijn gehandhaafde stelling dat de hiervoor onder 2.8 genoemde betalingen door Carlsen het gevolg waren van overleg tussen Carlsen en [gedaagde 1] , dat ten doel had [gedaagde 1] door die betalingen boven andere schuldeisers te begunstigen. De curator heeft aangeboden die stelling door het doen horen van getuigen te bewijzen. Derhalve zal de rechtbank dat bewijs aan de curator opdragen.

4.22.

In afwachting van het resultaat van de eventuele bewijsvoering zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

draagt de curator op te bewijzen dat de hiervoor onder 2.8 genoemde betalingen door Carlsen het gevolg waren van overleg tussen Carlsen en [gedaagde 1] , dat ten doel had [gedaagde 1] door die betalingen boven andere schuldeisers te begunstigen,

5.2.

bepaalt dat de curator, indien hij getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - afdeling privaatrecht, planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden december 2017 tot en met maart 2018 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.3.

bepaalt dat de curator, indien hij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, hij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank - afdeling privaatrecht, planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en aan de wederpartij moet opgeven,

5.4.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. C. Bouwman in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125,

5.5.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.

[1729;2221]