Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6932

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
10/711038-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vuurwapenbezit, gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden (deels voorwaardelijk).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/711038-17

Datum uitspraak: 5 september 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering feit 2 primair

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte zal daarvan zonder nadere motivering worden vrijgesproken, gelet op de standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 1

Het onder 1 ten laste gelegde feit is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair gelegde feit redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van onder 1 ten laste gelegde feit redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 2 mei 2017 te Hoogvliet, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, nl een pistool van het merk Phoenix, model HP25, kaliber .25 ACP (= gelijk aan 6,35mm) en munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 5, bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 6,35mm (= gelijk aan .25 ACP), voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 2 mei 2017 te Hoogvliet (onder)delen van wezenlijke aard en specifiek bestemd voor een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad, te weten een omgebouwd pistool van het merk BBH, model Bruni Gap, kaliber 9 mm Pak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Na een confrontatie aan de deur bij aangeefster, tevens ex-vriendin van de verdachte, verklaart aangeefster dat de verdachte in het bezit is van een tweetal vuurwapens. De aangeefster, die kort voor het bezoek van de verdachte aan haar deur volgens eigen zeggen de relatie verbroken had, heeft verklaard angstig te zijn omdat de verdachte twee vuurwapens bij zich zou dragen in zijn scootmobiel.

Na de melding van de aangeefster worden op 2 mei 2017 tijdens een inval in de woning van de verdachte twee wapens gevonden. Het ene wapen (een zogenoemde Phoenix/HP 25) wordt samen met een bijbehorend patroonmagazijn aangetroffen in een modelauto in de woonkamer. Dit wapen is geschikt om projectielen af te schieten. De in de patroonhouder aangetroffen kogelpatronen zijn bovendien geschikt om met dit wapen te worden afgeschoten. Het andere wapen (een BBM/Bruni Gap) wordt, net als het andere wapen aangetroffen in de woonkamer, maar bevindt zich in een luidspreker in een vitrinekast. Er is sprake van een omgebouwd pistool, althans een voorwerp bestaande uit wezenlijke onderdelen van een pistool, dat niet geschikt is en ook niet op eenvoudige wijze geschikt te maken is om projectielen af te schieten.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 juli 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 juli 2017. Dit rapport houdt in dat de verdachte momenteel onder toezicht staat van de reclassering voor een diefstal die door hem gepleegd is in 2015. Daarnaast ontvangt de verdachte ambulante begeleiding van Stichting Jan Arends, hij heeft een bewindvoerder en hij ontvangt huishoudelijke hulp. De verdachte heeft MS en verplaatst zich in een scootmobiel. Daarnaast lopen er diverse afspraken voor behandeling van staar aan zijn ogen. Voorts wordt er gerapporteerd dat er tijdens het reclasseringstoezicht geen onregelmatigheden of zorgen zijn gebleken naar aanleiding van contacten met de wijkagent. De reclassering concludeert dat de verdachte een enigszins hulpbehoevende man is, waarbij sprake is van een licht beperkt verstandelijk vermogen. Volgens de reclassering is het dan ook van belang dat de verdachte een vangnet heeft waar hij indien nodig op terug kan vallen. De reclassering acht het daarentegen niet noodzakelijk dat dit binnen een strafrechtelijk kader gebeurt. Gelet op het voornoemde adviseert de reclassering om bij een bewezenverklaring aan de verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zonder hieraan bijzondere voorwaarden te koppelen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte heeft in zijn woning een tweetal wapens in de zin van de Wet Wapens en Munitie, voorhanden gehad, waarvan een werkend wapen met munitie. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voorwerpen is naar zijn aard zeer gevaarlijk voor iedere burger die met het gebruik ervan zou kunnen worden geconfronteerd. Het voorhanden hebben van vuurwapens bevordert het gebruik ervan en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving en daarom dient daartegen uit het oogpunt van generale preventie streng te worden opgetreden.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. De rechtbank gaat hier niet in mee, omdat de rechtbank in tegenstelling tot de raadsman van oordeel is dat alleen een waarschuwing in dit geval geenszins recht doet aan de ernst van de gepleegde feiten.

De beide aangetroffen vuurwapens zijn beide gekwalificeerd als strafbaar in de zin van de Wet Wapens en Munitie. De omstandigheid dat het in de speaker aangetroffen (omgebouwde) wapen niet geschikt is om projectielen mee af te vuren doet niets af aan de strafbaarheid. Gelet op het uiterlijk is het in ieder geval geschikt om te kunnen worden gebruikt ter afdreiging.

De rechtbank houdt ten nadele van de verdachte rekening met omstandigheden waaronder het wapen is aangetroffen, te weten gebruiksklaar (in geval van de Phoenix/HP 25) in de woning van de verdachte. Door dergelijke wapens in zulke directe nabijheid te bewaren heeft de verdachte anderen, maar ook zichzelf, aan groot potentieel gevaar blootgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevoelens van angst van aangeefster gegrond zijn geweest.

Voorts neemt de rechtbank in haar overwegingen mee dat de verdachte de ernst van de gepleegde feiten ook tijdens de behandeling ter terechtzitting niet lijkt in te zien en hij niet met een consistente verklaring omtrent de aanwezigheid van de vuurwapens is gekomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de medische conditie van de verdachte maar ziet daarin vooralsnog geen beletsel voor het ondergaan van een gevangenisstraf van beperkte duur.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

en mrs. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en A.A.T. Werner, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 2 mei 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, nl een pistool van het merk Phoenix, model HP25, kaliber .25 ACP (= gelijk aan 6,35mm) en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 5, bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 6,35mm (= gelijk aan .25 ACP), voorhanden heeft gehad;

2.

primair

hij op of omstreeks 2 mei 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 19 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 39 van die wet in de vorm van een pistool, nl een ongebouwde pistool van het merk BBM, model Bruni Gap, kaliber 9 mm PAK, voorhanden heeft gehad;

subsidiair

hij op of omstreeks 2 mei 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam (onder)delen van wezenlijke aard en specifiek bestemd voor een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III onder 2º en/of onder 3º van de Wet wapens en munitie voor handen heeft gehad, te weten een omgebouwd pistool van het merk BBH, model Bruni Gap, kaliber 9 mm Pak.