Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6914

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
ROT 17/135 en ROT 16/7646
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na terugwijzing Afdeling ivm ontheffing griffierecht verklaart de bestuursrechter zich in die zaak onbevoegd. In die zaak is beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen in het verzoek om vaststelling van een omgangsregeling tussen eiser en zijn minderjarige kind. In die zaak is niet de bestuursrechter maar burgerlijke rechter bevoegd en ligt geen aanvraag in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb voor.

In de andere zaak wordt geen ontheffing verleend, onder meer wegens misbruik van recht. (...) Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn belang bij het Wob-verzoek is dat hij informatie nodig heeft om verweerster eventueel aansprakelijk te stellen. Voorts heeft hij erop gewezen dat hij een kritische burger en een klokkenluider is en ook om die reden belang heeft bij de door hem verzochte informatie. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat eiser geen redelijk doel nastreeft met dit Wob-verzoek en met deze procedure bij de rechtbank. Het voorliggende verzoek aan verweerster om informatie in het kader van de Wob is er één in een lange reeks, waarbij de rechtbank constateert dat eiser een identiek verzoek heeft gericht aan de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond in zaak ROT 16/6161. Hoewel de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren in zaak ROT 17/135, kan bestudering van de stukken in die zaak wel bijdragen aan het oordeel dat sprake is van misbruik van recht in deze zaak (vergelijk de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:4046). In die zaak rijst het beeld dat eiser eerst bij de bevoegde burgerlijke rechter zijn gelijk probeert te halen en dat wanneer dit (of de uitvoering van een beschikking) niet naar zijn zin verloopt, hij zich tot verweerster wendt met brieven, klachten en verzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 17/135 en ROT 16/7646

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2017 in de zaken tussen

[Naam] , te [plaats], eiser,

en

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, verweerster.

Procesverloop

ROT 17/135

Eiser heeft bij brief van 8 januari 2015 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een door hem ingediend verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen eiser en zijn minderjarige kind [Naam] (het kind). Bij de rechtbank is dit beroep geregistreerd onder zaaknummer ROT 15/302.

Eiser heeft wegens betalingsonmacht verzocht te worden ontheven van de verplichting tot voldoening van griffierecht.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in verzuim is tijdig het griffierecht te voldoen. Het verzet van eiser heeft de rechtbank bij uitspraak van 2 december 2015 gegrond verklaard, maar zij heeft het beroep om dezelfde reden opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2016 (201509229/2/A3) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 december 2015 gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Bij de rechtbank is het beroep thans geregistreerd onder zaaknummer ROT 17/135.

ROT 16/7646

Eiser heeft bij brief van 22 november 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 17 november 2016 (het bestreden besluit), waarbij het bezwaar van eiser tegen verweersters brief van 9 augustus 2016, die ziet op de afdoening van een verzoek van eiser om informatie ten aanzien van diverse bestuurlijke aangelegenheden, ongegrond is verklaard. Bij de rechtbank is dit beroep geregistreerd onder zaaknummer ROT 16/7646.

Eiser heeft wegens betalingsonmacht verzocht te worden ontheven van de verplichting tot voldoening van griffierecht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een nader stuk ingediend.

ROT 17/135 en ROT 16/7646

Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd – plaatsgevonden op 3 juli 2017. Eiser is verschenen. Verweerster is in zaak ROT 17/135 niet verschenen. In zaak ROT 16/7646 heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Sedlik.

Overwegingen

ROT 17/135

1. Tijdens de beraadslaging is de rechtbank gebleken dat zij verweerster niet op de juiste wijze heeft uitgenodigd voor de zitting, nu de uitnodiging is verzonden aan het oude adres van verweerster. Desondanks zal de rechtbank het onderzoek in deze zaak niet heropenen teneinde verweerster alsnog in de gelegenheid te stellen haar standpunt op een zitting toe te lichten. Gelet op de uitkomst van de hierna door de rechtbank ambtshalve te verrichten beoordeling is verweerster niet in haar belangen geschaad doordat de uitnodiging voor de zitting haar niet heeft bereikt.

2. Uit het voorliggende beroepschrift komt naar voren dat eiser wil dat verweerster wordt opgedragen een omgangsregeling vast te stellen door tussenkomst van een kinderpsycholoog en een en ander te financieren. Voorts wil eiser dat de bestuursrechter de door verweerster verschuldigde dwangsom vaststelt en een termijn vaststelt waarbinnen verweerder alsnog een besluit bekendmaakt, met bepaling dat verweerster een dwangsom verbeurt als zij niet binnen die termijn beslist.

3.1.

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht wordt geheven. In het zesde lid is bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2.

Eiser heeft in een groot aantal zaken bij deze rechtbank een beroep op betalingsonmacht gedaan. Bij uitspraken van 12 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2730) en 21 oktober 2016 (zaaknummers 20150841/2/A3 en 201509229/2/A3) heeft de Afdeling drie zaken van eiser teruggewezen naar de rechtbank om opnieuw te beoordelen of hem ontheffing van de verplichting tot voldoening van griffierecht moet worden verleend. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank bij de beoordeling van de beroepen op betalingsonmacht de vraag dient te betrekken of sprake is van misbruik van recht door eiser. Het door een rechtzoekende, wiens beroep op betalingsonmacht eenmaal door de bestuursrechter is gehonoreerd, veelvuldig – al dan niet tegelijkertijd of nagenoeg tegelijkertijd – starten van procedures waarin telkens een beroep op betalingsonmacht wordt gedaan, kan de bestuursrechter onder omstandigheden tot de slotsom leiden dat sprake is van misbruik van recht, aldus de Afdeling. Indien de bestuursrechter tot het oordeel komt dat een rechtzoekende misbruik van recht maakt, kan de bestuursrechter volgens de Afdeling een beroep op betalingsonmacht afwijzen, ook al blijkt dat het inkomen van die rechtzoekende minder bedraagt dan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm.

3.3.

De rechtbank verstaat de uitspraken van de Afdeling tot terugwijzing aldus dat wanneer in een geval als hier aan de orde een grote hoeveelheid zaken van dezelfde persoon aanhangig is bij de bestuursrechter, hij gehouden is ambtshalve te beoordelen of wegens misbruik van recht het beroep op betalingsonmacht kan worden afgewezen, ook indien blijkt dat het inkomen van die rechtzoekende minder bedraagt dan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. Naar de rechtbank begrijpt, mag een dergelijke beoordeling naar het oordeel van de Afdeling echter pas worden verricht indien wegens betalingsonmacht ontheffing van de verplichting tot voldoening van griffierecht is verleend in ten minste één van de voorliggende zaken. Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of in de hier teruggewezen zaak ontheffing kan worden verleend wegens betalingsonmacht.

3.4.

Gelet op wat de Afdeling in de drie teruggewezen zaken heeft overwogen over de bij de berekening van het beslagvrije inkomen in mindering te brengen bronheffing, neemt de rechtbank in deze drie zaken aan dat eiser ten tijde van het verschuldigd zijn van het griffierecht de beschikking had over een inkomen dat minder bedroeg dan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak tot uitgangspunt zal nemen dat eiser niet in verzuim is door het griffierecht niet te voldoen, zodat een niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in artikel 8:41, zesde lid, van de Awb in deze zaak achterwege zal blijven.

4.1.

De vraag die de rechtbank vervolgens ambtshalve dient te beantwoorden, is of eiser bij brief van 5 oktober 2014 een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Die vraag beantwoordt zij op grond van het hierna volgende ontkennend.

4.2.

Verweerster is een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Zij is bevoegd naar aanleiding van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb een op publiekrechtelijk rechtsgevolg gerichte beslissing in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van deze wet te nemen. Voor zover verweerster niet handelt ter uitvoering van haar taakstelling als bestuursorgaan kan zij geen besluiten nemen in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.3.

Afdeling 4 van Titel 14 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) regelt de ondertoezichtstelling van minderjarigen. De bepalingen in die afdeling zijn op 1 januari 2015 gewijzigd in verband met de invoering van de Jeugdwet. Zowel onder het oude als het nieuwe recht is voorzien in de mogelijkheid dat verweerster een aanwijzing geeft. De kinderrechter kan die bekrachtigen of vervallen verklaren. In artikel 8:5, eerste lid, van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. In laatstgenoemd artikel is genoemd titel 14, afdeling 4, Boek 1 van het BW, voor zover de aanvraag is toegewezen. Onder toewijzing van de aanvraag moet naar het oordeel van de rechtbank worden begrepen dat een verzoek het minderjarige kind onder toezicht stellen door de kinderrechter wordt toegewezen als bedoeld in artikel 1:254 van het BW, zoals dit luidde tot 1 januari 2014 en artikel 1:255 van het BW, zoals dit thans luidt. De rechtbank verwijst hierbij naar haar uitspraak van 20 augustus 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:6049). Dit betekent dat wanneer het minderjarig kind door de kinderrechter onder toezicht van verweerster is gesteld, een eventuele aanwijzing door verweerster weliswaar een besluit oplevert als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, maar dat daartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.

4.4.

In Titel 15 van Boek 1 van het BW is onder meer het recht van het minderjarige kind op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat geregeld. In navolging van haar uitspraak van 23 mei 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:2166), in welke zaak eiser onder andere beroep had ingesteld wegens het niet tijdig vaststellen van een omgangsregeling omtrent een ander minderjarig kind, is de rechtbank van oordeel dat de burgerlijke rechter bevoegd is ter zake van de omgangsregeling en dat verweerster daarover geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan nemen. Dit behoudens het geven van een aanwijzing, waartegen – zoals hiervoor is overwogen – geen beroep bij de bestuursrechter openstaat. Voor zover eiser wil dat verweerster bepaalde kosten voor haar rekening neemt, valt daarvoor evenmin een publiekrechtelijke grondslag aan te wijzen.

5. Omdat geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, is evenmin sprake van een met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb gelijk te stellen niet tijdig beslissen en is de bestuursrechter, gelet op artikel 8:1, gelezen in verband met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, onbevoegd kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1199) en op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1861).

6. De rechtbank zal zich hierom onbevoegd verklaren kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen.

ROT 16/7646

7.1.

De rechtbank komt, onder verwijzing naar wat zij hiervoor in zaak ROT 17/135 over de drie teruggewezen uitspraken heeft overwogen, tot de volgende beoordeling van het verzoek om ontheffing van griffierecht in zaak ROT 16/7646.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser om verschillende redenen geen beroep op betalingsonmacht toe. Volgens de door eiser overgelegde uitkeringsspecificaties ontving hij ten tijde hier van belang een bedrag dat lager is dan 90 procent van de (maximale) bijstandsnorm voor een alleenstaande. In voormelde uitspraak van 12 oktober 2016 van de Afdeling en in de uitspraak van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3978) van de CRvB is geoordeeld dat een rechtzoekende in deze situatie in beginsel een beroep op betalingsonmacht toekomt. De rechtbank betwijfelt of dit terecht is. De uitkering van eiser bedroeg vóór de inhouding van de bestuursrechtelijke premie voor Zorginstituut Nederland meer dan 90 procent van de (maximale) bijstandsnorm voor een alleenstaande. Een rechtzoekende die een netto-inkomen van 90 procent van de (maximale) bijstandsnorm voor een alleenstaande heeft waaruit hij zelf zijn zorgkosten moet voldoen, beschikt na voldoening van de premie voor de wettelijk verplichte zorgverzekering over een lager besteedbaar inkomen dan eiser, maar kan volgens de Afdeling en de CRvB anders dan eiser geen geslaagd beroep doen op betalingsonmacht. De rechtbank ziet geen rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling.

Omdat de rechtbank verwacht dat de Afdeling blijft bij haar uitspraken van 12 en 21 oktober 2016 en de CRvB bij zijn uitspraak van 19 oktober 2016, zal de rechtbank een beroep op betalingsonmacht in een situatie als hier aan de orde ondanks haar twijfel over de juistheid van die uitspraken niet afwijzen als er geen andere reden is voor een dergelijke afwijzing. Dit kan eiser gelet op het volgende niet baten.

7.3.

De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij een proceskostenveroordeling wenst, omdat hij verletkosten heeft gemaakt. Eiser verricht arbeid als zelfstandige en hanteert voor deze werkzaamheden een uurtarief dat varieert van € 20,- tot € 80,-. Ter illustratie heeft eiser een declaratie van 23 januari 2015 overgelegd, waaruit de rechtbank begrijpt dat hij deze werkzaamheden in ieder geval sinds begin 2015 verricht. De stelling dat eiser verletkosten maakt, impliceert dat eiser met enige regelmaat inkomsten uit arbeid als zelfstandige genereert, anders valt immers niet vol te houden dat sprake is van verletkosten. De rechtbank stelt vast dat eiser bij het indienen van het beroep op betalingsonmacht geen melding heeft gemaakt van inkomsten uit arbeid als zelfstandige. Uitgaande van wat eiser ter zitting heeft verklaard, is onduidelijk of hij de rechtbank juist en volledig heeft ingelicht over zijn inkomenssituatie. Deze onduidelijkheid komt voor eisers rekening en risico en staat in de weg aan een geslaagd beroep op betalingsonmacht.

7.4.

Bovendien komt eiser geen beroep op betalingsonmacht toe omdat hij misbruik maakt van recht, waartoe het volgende wordt overwogen.

7.5.

Op grond van artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15, van het BW kan de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Volgens vaste rechtspraak zijn voor het aannemen van misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn, indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Indien de bestuursrechter van oordeel is dat sprake is van misbruik van recht dan vormt dit een grond om het beroep niet ontvankelijk te verklaren. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129) en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:114).

7.6.

De rechtbank verwerpt het betoog van eiser ter zitting dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil treedt door te beoordelen of eiser misbruik maakt van recht, terwijl verweerder dit niet heeft opgeworpen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de toetsing aan artikel 8:41, zesde lid, van de Awb van openbare orde is en het daarom een ambtshalve beoordeling vergt of het in dit verband door eiser gedane beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd. Dit is te meer het geval, nu de heffing van griffierecht een bevoegdheid van de griffier is. Het gebruik van deze bevoegdheid regardeert verweerder niet, zodat het niet van zijn proceshouding kan afhangen hoe de griffier deze bevoegdheid uitoefent en hoe de rechtbank hierover oordeelt.

7.7.

Of sprake is van misbruik nadat eisers beroep op betalingsonmacht eenmaal door de bestuursrechter is gehonoreerd, zoals het geval is in de uitspraken van heden waarin sprake is van een terugwijzing door de Afdeling, moet volgens bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2016 aan de hand van de volgende factoren worden beoordeeld. Bij de beoordeling of zich misbruik van recht voordoet, is onder meer van belang het aantal procedures dat de rechtzoekende aanhangig heeft gemaakt, op welk moment hij dat heeft gedaan, de partijstelling in de verschillende procedures en het belang dat de rechtzoekende met het voeren van de beroepsprocedure beoogt te behartigen. Evenzeer is van belang of het procedures zijn naar aanleiding van besluiten die op aanvraag zijn genomen, dan wel naar aanleiding van ambtshalve genomen besluiten. In ieder geval bij de laatste categorie ligt het aannemen van misbruik van recht naar zijn aard niet snel in de rede.

7.8.

Artikel 3, derde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), op grond waarvan de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek is toegekend met het doel dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van de Afdeling van 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:426) en 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:197).

7.9.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn belang bij het Wob-verzoek is dat hij informatie nodig heeft om verweerster eventueel aansprakelijk te stellen. Voorts heeft hij erop gewezen dat hij een kritische burger en een klokkenluider is en ook om die reden belang heeft bij de door hem verzochte informatie. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat eiser geen redelijk doel nastreeft met dit Wob-verzoek en met deze procedure bij de rechtbank. Het voorliggende verzoek aan verweerster om informatie in het kader van de Wob is er één in een lange reeks, waarbij de rechtbank constateert dat eiser een identiek verzoek heeft gericht aan de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond in zaak ROT 16/6161. Hoewel de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren in zaak ROT 17/135, kan bestudering van de stukken in die zaak wel bijdragen aan het oordeel dat sprake is van misbruik van recht in deze zaak (vergelijk de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:4046). In die zaak rijst het beeld dat eiser eerst bij de bevoegde burgerlijke rechter zijn gelijk probeert te halen en dat wanneer dit (of de uitvoering van een beschikking) niet naar zijn zin verloopt, hij zich tot verweerster wendt met brieven, klachten en verzoeken.

7.10.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser een grote hoeveelheid civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures heeft gevoerd en nog voert tegen een aantal instanties dat rechtstreeks of indirect is betrokken of betrokken is geweest bij de voogdij van één of meer van de kinderen van wie eiser de biologische vader is en die niet aan zijn zorg is of zijn toevertrouwd. In het arrest van 2 december 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:4300) heeft het gerechtshof Den Haag, onder verwijzing naar een beschikking van de Hoge Raad van 13 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665), overwogen dat eiser, als niet met het gezag beklede ouder, geen belanghebbende is bij aanwijzingen van de stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland in het kader van een verleende ondertoezichtstelling met betrekking tot een kind waarvan hij de biologische ouder is. Eisers verzoek om vervangende toestemming tot erkenning van een ander kind is door het gerechtshof ’s Hertogenbosch bij beschikking van 21 mei 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:1845) niet ontvankelijk verklaard, omdat het hof van oordeel was dat eiser dient te worden aangemerkt als een zaaddonor en niet als verwekker in de zin van de wet. In zijn uitspraak van 6 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1305) heeft de CRvB geoordeeld dat eiser geen belanghebbende is bij een door de stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland aan één van eisers minderjarige kinderen verleende indicatie op grond van de Wet op de jeugdzorg, omdat eiser niet met het ouderlijk gezag is belast. In een aantal andere procedures van eiser heeft de bestuursrechter zich onbevoegd verklaard, omdat er geen publiekrechtelijke bevoegdheid voorligt of omdat de burgerlijke rechter bevoegd is. De rechtbank wijst op haar uitspraken van 29 september 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:7423), 26 april 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:3208) en 23 mei 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:2166).

7.11.

Voorts heeft eiser diverse Wob-verzoeken en verzoeken om een informatieregeling of dossierinzage gericht aan verschillende bestuursorganen, onder wie verweerster, maar ook aan instanties die niet als bestuursorgaan kwalificeren, waarbij eiser een dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft gevorderd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank van 7 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:107). Zo heeft eiser erop gewezen dat hij ongeveer 500 Wob-verzoeken heeft ingediend bij de gemeente Capelle aan den IJssel en heeft de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond onweersproken gesteld dat eiser daar 589 te onderscheiden informatieverzoeken heeft ingediend. Ook is de rechtbank ermee bekend dat eiser uitgebreide Wob-verzoeken heeft ingediend en beroepen wegens niet tijdig beslissen heeft ingesteld. Voorts is de rechtbank ermee bekend dat eiser een grote hoeveelheid procedures heeft gevoerd, gericht op het verkrijgen van bijzondere bijstand voor de kosten die verband houden met het voeren van procedures. In die zaken heeft eiser gesteld dat zijn belang is gelegen in de veronderstelde aanspraak op verbeurde dwangsommen wegens niet tijdig beslissen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3041). In de voorliggende zaken heeft eiser verzocht om vergoeding van zijn proceskosten.

7.12.

Ambtshalve stelt de rechtbank verder vast dat er vanaf eind 2013 meer dan 70 door eiser uitgelokte uitspraken – waaronder tussenbeslissingen en andere procesincidenten – door deze rechtbank en andere rechtscolleges zijn gedaan. Een groot deel van de uitspraken betreft een vereenvoudigde afdoening wegens het niet (tijdig) voldoen van griffierecht. In sommige gevallen is het beroep gegrond verklaard, maar in verreweg de meeste gevallen verklaarde de (bestuurs-)rechter zich onbevoegd of was het beroep niet-ontvankelijk. Voorts heeft eiser als gemachtigde één of meer procedures namens anderen gevoerd. Ook wanneer eiser terdege door het verwerend orgaan was voorgelicht over het ontbreken van een publiekrechtelijke grondslag, wanneer de bestuursrechter zich in eerdere vergelijkbare beroepen van eiser onbevoegd had verklaard of wanneer anderszins op basis van een duidelijke wetsbepaling voorshands duidelijk moest zijn dat geen rechtsgang bij de bestuursrechter openstond, koos eiser er niettemin voor de desbetreffende instantie in gebreke te stellen en beroep in te stellen wegens niet tijdig beslissen, waarmee eiser het betrokken orgaan in een bij voorbaat kansloze procedure betrok en tevens onnodig beslag op de rechtspraak legde (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:86).

7.13.

Gelet op het voorgaande valt niet in te zien welk redelijk doel is gelegen in het voorliggende Wob-verzoek (in feite veertien Wob-verzoeken) en komt de rechtbank, gelet op het aantal gevoerde procedures dat terug is te voeren op de door eiser gewenste bemoeienis met niet onder zijn ouderlijk toezicht staande minderjarige kinderen, gelet op de vele niet succesvolle procedures die eiser heeft gevoerd en gelet op het aantal zaken waarin het hem er gelet op het ontbreken van een ander aanwijsbaar belang naar moet worden aangenomen slechts om te doen is dwangsommen of proceskosten te incasseren of verweerster dwars te zitten, tot het oordeel dat eiser misbruik maakt van recht bij zijn verzoek om ontheffing van de verplichting griffierecht te voldoen. Mede om die reden zal hem daarvan geen ontheffing worden verleend.

8. Omdat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van misbruik van recht door eiser bij zijn verzoek om ontheffing van de verplichting griffierecht te voldoen, ziet de rechtbank geen aanleiding hem een nadere termijn te gunnen om alsnog het verschuldigde griffierecht te voldoen. Het beroep zou immers ook als eiser het griffierecht alsnog zou voldoen (in ieder geval) wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk zijn. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaren.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu eiser daarop gelet op het voorgaande geen aanspraak kan maken en verweerster daarom niet heeft verzocht.

Beslissing

ROT 17/135

De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd.

ROT 16/7646
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. D. Brugman en

mr. D. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.