Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6907

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
ROT 17/134
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing griffierecht na terugwijzing door de Afdeling. Geen aanvraag. De rechtbank is niet bevoegd kennis te nemen van beroep wegens niet tijdig beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/134

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2017 in de zaak tussen

[Naam] , te [plaats], eiser,

en

de regiodirecteur Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Rijnmond, verweerder,

gemachtigden: A. Hardonk en J. Simon.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 28 augustus 2014 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit tot het verstrekken van twee zittingsverslagen. Bij de rechtbank is dit beroep geregistreerd onder zaaknummer ROT 14/5997.

Eiser heeft verzocht wegens betalingsonmacht te worden ontheven van de verplichting tot voldoening van griffierecht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 24 februari 2015 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in verzuim is het griffierecht te voldoen. Het verzet van eiser heeft de rechtbank bij uitspraak van 21 september 2015 gegrond verklaard, maar zij heeft het beroep om dezelfde reden opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2016 (zaaknummer 201508041/2/A3) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van 21 september 2015 gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Bij de rechtbank is het beroep thans geregistreerd onder zaaknummer ROT 17/134.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2017. Eiser is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Bij e-mailbericht van 13 maart 2014 met als onderwerp “‘Dossierinzage’ [Naam] ” heeft eiser onder meer het volgende aan verweerder geschreven:

“ Graag ontvang ik uitsluitend de laatste twee zittingsverslagen van mevrouw [Naam] (?).

Dit is een verzoek tot het nemen van een besluit in de zin van de Awb. Bij niet tijdig verstrekken van deze informatie zal ik u in gebreke stellen, waarna u mij (weer) dwangsommen verschuldigd bent.”

1.2.

Bij e-mailbericht van 16 april 2014 heeft eiser verweerder bericht dat hij nog geen uitnodiging voor een dossierinzage heeft gekregen. Eiser heeft daarbij verweerder in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen en aangekondigd dat hij over twee weken een dwangsom zal opeisen. Bij e-mailbericht van 15 juni 2014 heeft eiser verweerder verzocht de verbeurde dwangsom vast te stellen. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

1.3.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift uiteengezet dat hij op 7 mei 2014 de stukken die eiser wenste te ontvangen aan hem heeft gezonden. Verweerder heeft een afschrift van zijn brief van 7 mei 2014 aan eiser overgelegd.

1.4.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij verweerders brief van 7 mei 2014 heeft ontvangen, maar dat niet tijdig is beslist. Eiser heeft ter zitting voorts verzocht verweerder te veroordelen in zijn proceskosten, die bestaan uit reis- en verletkosten.

2.1.

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht wordt geheven. In het zesde lid is bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2.

Eiser heeft in een groot aantal zaken bij deze rechtbank een beroep op betalingsonmacht gedaan. Bij uitspraken van 12 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2730) en 21 oktober 2016 (zaaknummers 20150841/2/A3 en 201509229/2/A3) heeft de Afdeling drie zaken van eiser teruggewezen naar de rechtbank om opnieuw te beoordelen of hem ontheffing van de verplichting tot voldoening van griffierecht moet worden verleend. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank bij de beoordeling van de beroepen op betalingsonmacht de vraag dient te betrekken of sprake is van misbruik van recht door eiser. Het door een rechtzoekende, wiens beroep op betalingsonmacht eenmaal door de bestuursrechter is gehonoreerd, veelvuldig – al dan niet tegelijkertijd of nagenoeg tegelijkertijd – starten van procedures waarin telkens een beroep op betalingsonmacht wordt gedaan, kan de bestuursrechter onder omstandigheden tot de slotsom leiden dat sprake is van misbruik van recht, aldus de Afdeling. Indien de bestuursrechter tot het oordeel komt dat een rechtzoekende misbruik van recht maakt, kan hij volgens de Afdeling een beroep op betalingsonmacht afwijzen, ook al blijkt dat het inkomen van die rechtzoekende minder bedraagt dan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm.

2.3.

De rechtbank verstaat de uitspraken van de Afdeling tot terugwijzing aldus dat, wanneer in een geval als hier aan de orde een grote hoeveelheid zaken van dezelfde persoon aanhangig is bij de bestuursrechter, hij gehouden is ambtshalve te beoordelen of wegens misbruik van recht het beroep op betalingsonmacht moet worden afgewezen, ook indien het inkomen van de rechtzoekende minder bedraagt dan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. Naar de rechtbank begrijpt, mag een dergelijke beoordeling naar het oordeel van de Afdeling echter pas worden verricht indien wegens betalingsonmacht ontheffing van de verplichting tot voldoening van griffierecht is verleend in ten minste één van de voorliggende zaken. Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of in de hier teruggewezen zaak ontheffing kan worden verleend wegens betalingsonmacht.

2.4.

Gelet op wat de Afdeling in de drie teruggewezen zaken heeft overwogen over de bij de berekening van het beslagvrije inkomen in mindering te brengen bronheffing, neemt de rechtbank in deze drie zaken aan dat eiser ten tijde van het verschuldigd zijn van het griffierecht de beschikking had over een inkomen dat minder bedroeg dan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak tot uitgangspunt zal nemen dat eiser niet in verzuim is door het griffierecht niet te voldoen, zodat een niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb in deze zaak achterwege zal blijven.

3. De vraag die de rechtbank vervolgens ambtshalve dient te beantwoorden, is of eiser bij e‑mailbericht van 13 maart 2014 een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Die vraag beantwoordt zij ontkennend. In dit bericht heeft eiser weliswaar vermeld dat hij verweerder verzoekt een besluit te nemen in de zin van de Awb, maar laat hij na een wettelijke grondslag voor het nemen van een besluit te vermelden. Uit het verzoek kan niet worden afgeleid dat eiser verzoekt om informatie over een bestuurlijke aangelegenheid of dat anderszins een publiekrechtelijke grondslag voor het nemen van een besluit valt aan te wijzen. Dat de Afdeling in haar terugwijzingsuitspraak melding heeft gemaakt van een Wob-verzoek doet hier niet aan af, omdat de Afdeling zich bij haar beoordeling heeft beperkt tot het punt van de betalingsonmacht.

4. Omdat geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, is evenmin sprake van een met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb gelijk te stellen niet tijdig beslissen en is de bestuursrechter, gelet op artikel 8:1, gelezen in verband met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, onbevoegd kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1199) en op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1861).

5. De rechtbank zal zich hierom onbevoegd verklaren kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. D. Brugman en mr. D. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.