Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6852

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
5686104 CV EXPL 17-3983
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet zelf bewonen maar gehuurde onderverhuren aan familielid reden voor ontbinding. Ook einde onderhuur omdat die overeenkomst is aangegaan met de kennelijke strekking positie huurder te verschaffen. Vonnis gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2018/71 met annotatie van M.K.L. Berkvens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5686104 \ CV EXPL 17-3983

uitspraak: 18 augustus 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Vestia,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 20 januari 2017,

gemachtigde: mr. M.S.H.M. van Woerkom te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,
wonende te [plaatsnaam] ,

2. [gedaagde 2] ,
wonende te [plaatsnaam] ,

3. [gedaagde 3] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
gedaagden bij gemeld exploot van dagvaarding,
gemachtigde: mr.H. Yildirim.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Vestia” en “gedaagden”, terwijl de drie gedaagden afzonderlijk zullen worden aangeduid als “ [gedaagde 1] ”, “ [gedaagde 2] ” en
“ [gedaagde 3] ”.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 20 januari 2017 met de daarbij overgelegde producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met de daarbij overgelegde producties;

  • -

    het tussenvonnis van 2 maart 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 april 2017 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de akte uitlaten, tevens inhoudende vermeerdering van eis, met producties aan de zijde van Vestia;

  • -

    de conclusie van dupliek.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1.

Vestia, althans haar rechtsvoorgangster Tuinstad Zuidwijk, heeft op 28 april 1992 met de beide broers [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een overeenkomst gesloten, ingevolge welke overeenkomst zij aan genoemde gedaagden verhuurt, gelijk zij van haar huren, de drie kamer woning aan de [straat-en plaatsnaam] (hierna: “het gehuurde”).
De huurovereenkomst is ingegaan per 1 mei 1992 en is voor onbepaalde tijd afgesloten.
De netto huurprijs bedraagt sedert 1 juli 2016 € 301,31 per maand.

2.2.

De huurovereenkomst wordt beheerst door de Algemene Bepalingen. Volgens artikel 12 van die Algemene Bepalingen dient de huurder gedurende de huurtijd het gehuurde als zijn hoofdverblijf te hebben en het gehuurde als woonruimte te gebruiken voor hem en de leden van zijn huishouden.

2.3.

[gedaagde 1] heeft zich op 18 augustus 1997 laten uitschrijven op genoemd adres en met ingang van 24 november 1999 heeft hij zich ingeschreven op het adres [adres-en plaatsnaam 2] . Laatstgenoemde woning heeft [gedaagde 1] van Vestia, althans haar rechtsvoorgangster Tuinstad Zuidwijk, gehuurd. Na het vertrek van [gedaagde 1] uit het gehuurde aan de [straat-en plaatsnaam] is de huurovereenkomst als huurder voortgezet door zijn broer [gedaagde 2] . Hij heeft er samen met zijn echtgenote gewoond tot 2003, in welk jaar de echtgenote van [gedaagde 2] is overleden. Enige tijd later heeft [gedaagde 2] de verhuurder laten weten dat hij steun nodig heeft van zijn omgeving en dat hij om die reden intrekt bij zijn broer aan de [adres-en plaatsnaam 2] . Vestia heeft hem met ingang van 1 september 2011 als medehuurder erkend op dat nieuwe adres.

2.4.

Na het vertrek van [gedaagde 2] uit het gehuurde aan de [straat-en plaatsnaam] is de jongere zus van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , te weten [naam zus] , in het gehuurde blijven wonen. Zij heeft zich uitgeschreven per 30 mei 2013 en vanaf dat moment wordt het gehuurde bewoond door [gedaagde 3] , eveneens een broer van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en mevrouw [naam zus] . Hij woont alleen in het gehuurde en hij heeft de verschuldigde huur steeds per bank aan Vestia betaald, vanaf een bankrekening die op zijn naam staat.

2.5.

De huurovereenkomst van de heren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met betrekking tot de woning aan de [adres-en plaatsnaam 2] is beëindigd met ingang van 31 augustus 2011 als gevolg van de huuropzegging door [gedaagde 1] . Vestia heeft hem verzocht de huurovereenkomst op te zeggen, omdat haar in 2011 gebleken was dat hij al sedert 12 mei 2005 woonachtig was op de [adres zus] en dus vanaf dat moment niet langer zijn hoofdverblijf had in het gehuurde aan de [adres-en plaatsnaam 2] . Ook [gedaagde 2] heeft met die huuropzegging ingestemd.

2.6.

Medio 2016 heeft een incident plaatsgevonden in de [straat-en plaatsnaam] , waarbij vanuit een nabij gelegen café een kogel door een van de ruiten van het gehuurde is geschoten. [gedaagde 3] , die met dat incident niets van doen had, heeft bij de politie aangifte gedaan en die aangifte is ook bij Vestia bekend geworden. Na dat incident heeft Vestia
[gedaagde 2] bij brief van 18 juli 2016 laten weten dat zij heeft vernomen dat hij niet langer in het gehuurde woonachtig is en dat andere mensen gebruik maken van het gehuurde. Vestia heeft [gedaagde 2] verzocht daarover contact met haar op te nemen. Bij brief van 7 november 2016 heeft Vestia [gedaagde 1] gesommeerd de huur op te zeggen, omdat hij niet meer zelf woont in het gehuurde en hij zonder haar toestemming de woning aan derden in gebruik heeft gegeven. Beide brieven zijn onbeantwoord gebleven.

2.7.

[gedaagde 2] heeft zich op 7 december 2016 laten uitschrijven op het adres van het gehuurde, terwijl [gedaagde 3] zich toen heeft laten inschrijven als bewoner op dat adres.

3 De vordering

3.1.

Vestia heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

  1. de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te ontbinden;

  2. in het geval er sprake is van een onderhuurovereenkomst, te bepalen dat de onderhuurovereenkomst met ingang van de datum van het te wijzen vonnis zal eindigen;

  3. gedaagden te veroordelen om met onmiddellijke ingang, althans op een door de kantonrechter te bepalen datum, de woning gelegen aan de [straat-en plaatsnaam] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet eigendom zijn van Vestia, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Vestia te stellen;

  4. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder mede begrepen de kosten van de deurwaarder, verschotten, salaris van de gemachtigde en de nakosten.

Bij de hiervoor genoemde akte heeft Vestia haar vordering vermeerderd in die zin dat zij de veroordeling van gedaagden vordert om met ingang van 5 april 2017, althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, een huurvergoeding althans vervangende schadevergoeding te betalen van € 443,72 per maand, te vermeerderen met de huurverhoging vanaf 1 juli 2017, tot aan de maand waarin de woning wordt ontruimd.

3.2.

Aan haar vordering legt Vestia - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag.

3.2.1.

De heren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] handelen in strijd met de artikelen 12,13 en 15 van de Algemene Huurvoorwaarden alsmede met de artikelen 7:213, 214 en 244 BW door het gehuurde niet zelf te bewonen en bovendien het gehuurde zonder toestemming van Vestia in gebruik te geven aan derden. Een en ander vormt een toerekenbare tekortkoming die dient te leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst.

3.2.2.

Ten aanzien van [gedaagde 3] stelt Vestia dat hij zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. Het kan en mag niet zo zijn dat [gedaagde 3] buiten de regels om aan een sociale huurwoning komt met een hele lage huur, omdat de huurovereenkomst al in 1992 is afgesloten. In dat verband heeft Vestia tevens gesteld dat zij zich ten doel stelt sociale huurwoningen uitsluitend ter beschikking te stellen aan haar doelgroep, te weten woningzoekenden met een smalle beurs die ingeschreven staan in het woningzoekenden systeem.

3.2.3.

Zo al geoordeeld zou worden dat sprake is van een onderhuurovereenkomst stelt Vestia onder verwijzing naar artikel 7: 269 lid 2 BW dat [gedaagde 3] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur en bovendien die onderhuur is aangegaan met de kennelijke strekking hem de positie van huurder te verschaffen, zodat van Vestia naar maatstaven redelijkheid en billijkheid niet gevergd kan worden dat zij de huurovereenkomst met [gedaagde 3] voortzet.

3.2.4.

Vestia heeft tot haar spijt moeten erkennen dat het binnen een grote organisatie als zij is kan voorkomen dat een dubbele verhuring optreedt, doch zij stelt dat zoiets haar niet kan worden aangerekend, zeker nu sprake is van rechtsvoorgangers en oude stukken van meer dan 20 jaar geleden. Naar de mening van Vestia hebben de heren [gedaagde 1] . en [gedaagde 2] gezwegen, waar zij hadden moeten spreken. Zij hebben bewust tegen de regels in meerdere malen onderhuurovereenkomsten gesloten. Zelfs na het geschil in 2011 met betrekking tot de woning aan de [adres-en plaatsnaam 2] hebben zij gezwegen over de huurovereenkomst ter zake van het gehuurde en hebben zij nadien blijkbaar bewust en ten onrechte een onderhuurovereenkomst met hun broer [gedaagde 3] gesloten waarmee Vestia pas na het kogelincident bekend geworden is.

3.2.5.

Door de situatie lijdt Vestia schade. Bij huurharmonisatie zou de netto huur thans
€ 418,15 per maand bedragen in plaats van € 301,31. Vestia stelt dat gedaagden het verschil, te weten € 116,84 per maand, dienen te vergoeden vanaf de datum van de comparitie, te weten 5 april 2017, omdat toen duidelijk gecommuniceerd is dat de huur aanzienlijk hoger zou worden.

4 Het verweer

Gedaagden hebben de vordering betwist en zij hebben daartoe het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd.

4.1.

Vestia wist dan wel had kunnen weten dat het gehuurde niet meer bewoond werd door de heren [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . Zij zijn immers met toestemming van Vestia verhuisd naar een andere woning, die zij eveneens van Vestia huurden, op welk adres zij ook correspondentie van Vestia ontvingen. Vestia had dus kunnen weten dat er een nieuwe huurder in het gehuurde woonachtig was, omdat de huur voldaan werd door [gedaagde 3] vanaf een bankrekeningnummer, dat op zijn naam staat. Hij heeft steeds tijdig de verschuldigde huur voldaan, zodat er geen sprake van is dat hij onvoldoende financiële waarborg zou bieden voor behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst.

4.2.

[gedaagde 3] heeft gewezen op zijn grote belang bij continuering van de huurovereenkomst. Hij heeft de woning volledig ingericht, investeringen gedaan en nieuw meubilair aangeschaft met de intentie de woning voor langere duur te gebruiken als zijn hoofdverblijf. Voor hem zal het niet eenvoudig zijn om op korte termijn een vergelijkbare woning te vinden tegen een vergelijkbare huurprijs. Tevens heeft hij gewezen op de onderhuurovereenkomst, die hij heeft gesloten met [gedaagde 2] . Hij stelt dat hem huurbescherming toekomt op basis van artikel 7: 269 lid 1 BW. Indien de huurovereenkomst tussen Vestia aan de ene kant en [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] aan de andere kant beëindigd wordt, dient [gedaagde 3] als hoofdhuurder te worden aangemerkt en dient Vestia de huurovereenkomst voort te zetten.

4.3.

[gedaagde 3] heeft tevens benadrukt dat Vestia ten onrechte een beeld schetst van bedrog. Het is nooit de bedoeling geweest om Vestia te benadelen. Hij betaalt steeds netjes de huur en hij veroorzaakt geen overlast aan omwonenden. Zou hij geen aangifte hebben gedaan van het kogelincident, dan zou Vestia geen weet gekregen hebben van het feit dat hij in het gehuurde woonde.

4.4.

Voor het geval al geoordeeld zou worden dat een of meerdere vorderingen van Vestia toewijsbaar zijn, hebben gedaagden de kantonrechter verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren gezien de verregaande consequenties daarvan. Gedaagden overwegen in dat geval het geschil voor te leggen aan het gerechtshof en zij hebben er belang bij het vonnis geen onomkeerbare gevolgen heeft. Nu Vestia ruim drie jaar gewacht heeft met de onderhavige procedure, kan van haar volgens gedaagden ook verwacht worden dat zij het hoger beroep afwacht en niet tot ontruiming overgaat, zo de kantonrechter de daartoe strekkende vordering van Vestia al zou toewijzen.

5. De beoordeling van de vordering

5.1.

Vaststaat dat de heren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd met artikel 12 van de Algemene Huurbepalingen al geruime tijd niet meer in het gehuurde wonen en dat
het gehuurde in onderhuur heeft gegeven aan zijn broer [gedaagde 3] , hoewel onderhuur volgens artikel 15 van de Algemene Huurbepalingen nadrukkelijk verboden is. Daarmee staat tevens vast dat de heren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] handelen in strijd met hun verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst en dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst.

5.2.

Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

Het is hierbij aan de tekortschietende partij, in dit geval dus de heren [gedaagde 1] en
[gedaagde 2] om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. De kantonrechter constateert dat zij dat niet hebben gedaan en voorts geen feiten en/of omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat in dit geval afgezien moet worden van ontbinding van de huurovereenkomst. Een en ander betekent dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en de vordering tot ontruiming van het gehuurde jegens de heren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toewijsbaar is.

5.3.

Vervolgens dient de positie van [gedaagde 3] beoordeeld te worden en daartoe wordt het volgende overwogen.

5.3.1.

Vaststaat dat [gedaagde 3] Vestia nimmer in kennis heeft gesteld van het feit dat hij woonachtig was in het gehuurde en vaststaat ook dat Vestia nimmer de indruk heeft gewekt dat zij ermee instemde dat hij het gehuurde bewoonde. De enkele omstandigheid dat
vanaf mei 2013 de huurbetalingen vanaf zijn bankrekening heeft gedaan en die betalingen door Vestia geaccepteerd zijn, rechtvaardigt niet het ontstaan van een huurovereenkomst, zeker niet gezien de gelijkluidende familienaam met de in de huurovereenkomst genoemde huurder.

5.3.2.

[gedaagde 3] stelt terecht dat het minst genomen vreemd is dat een huurder twee sociale huurwoningen op zijn naam kan huren en dat Vestia toch eerder had kunnen en moeten bemerken dat het gehuurde nog steeds bewoond was, hoewel aan [gedaagde 1] de woning aan de [adres-en plaatsnaam 2] was toegewezen, doch daar staat tegenover dat [gedaagde 1] (en later [gedaagde 2] ) de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde nimmer heeft opgezegd. De omstandigheid dat [gedaagde 3] daardoor gedurende een lange periode vanaf mei 2013 het gehuurde heeft bewoond, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat tussen hem en Vestia een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Vestia heeft immers onweersproken gesteld dat zij niet eerder bekend was met het feit dat [gedaagde 3] in het gehuurde woonde en dat zij daarvan pas op de hoogte is geraakt door het kogelincident medio 2016. Vanaf dat moment heeft Vestia ook de nodige actie ondernomen.

5.3.3.

[gedaagde 3] heeft zich beroepen op de door hem overgelegde schriftelijke onderhuurovereenkomst die hij op 26 april 2013 ten aanzien van het gehuurde heeft afgesloten met zijn broer [gedaagde 2] .

Door de ontbinding van de huurovereenkomst van Vestia met de heren [gedaagde 1] . en [gedaagde 2] wordt de overeenkomst met [gedaagde 3] op grond van het bepaalde in artikel 7: 269 lid 1 BW voortgezet door Vestia als verhuurder. Artikel 7: 269 lid 2 BW biedt Vestia echter de mogelijkheid om een dergelijke huurovereenkomst te doen eindigen op een van de in lid 2 limitatief vermelde gronden. Vestia heeft in dat verband een beroep gedaan op het gestelde sub a en b in lid 2 van artikel 7:269 BW.

Anders dan Vestia gesteld heeft, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebleken dat [gedaagde 3] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst. Hij heeft immers onweersproken gesteld dat hij vanaf mei 2013 steeds tijdig de verschuldigde huurtermijnen heeft voldaan aan Vestia en niet gebleken is dat in die periode een huurachterstand is ontstaan. Het gestelde sub a in genoemd artikellid vormt derhalve geen grond om te bepalen dat de huurovereenkomst eindigt.

Anders is dat echter met het gestelde sub b in bedoeld artikellid. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende duidelijk dat de onderhuur is aangegaan met de kennelijke strekking de onderhuurder, in dit geval [gedaagde 3] , de positie van huurder te verschaffen. In dat verband acht de kantonrechter van belang dat geen van de drie [gedaagden] Vestia ooit in kennis hebben gesteld van het feit dat [gedaagde 3] in het gehuurde woonachtig was, dat [gedaagde 2] zich pas in december 2016 heeft laten uitschrijven op het adres van het gehuurde, kennelijk naar aanleiding van de brief van Vestia d.d. 7 november 2016 en dat

[gedaagde 3] zich pas toen op dat adres heeft laten inschrijven. Voorts komt betekenis toe aan het feit dat de heren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kennelijk ook op het nieuwe adres aan de [adres-en plaatsnaam 2] gedurende langere tijd derden in het gehuurde hebben laten wonen en zij uiteindelijk in verband daarmee per 31 augustus 2011 de huurovereenkomst met betrekking tot die woning hebben opgezegd. Voorts is van belang dat het hier gaat om een sociale huurwoning en dat vaststaat dat [gedaagde 3] , in ieder geval in mei 2013, op basis van het toewijzingsbeleid van Vestia (toen) niet in aanmerking gekomen zou zijn voor een dergelijke woning.

Een en ander betekent dat de vordering van Vestia om te bepalen dat de onderhuurovereenkomst eindigt toewijsbaar is, zij het dat er geen aanleiding is om die einddatum te bepalen met ingang van de datum van dit vonnis, zoals Vestia heeft gevorderd. In de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter het aangewezen om [gedaagde 3] een redelijke termijn te gunnen om elders woonruimte te zoeken, gelet op het feit dat hij al geruime tijd woonachtig is in het gehuurde en Vestia eerder had moeten en kunnen weten dat de [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet meer in het gehuurde woonachtig waren.
Alles afwegend acht de kantonrechter het redelijk om [gedaagde 3] een termijn van (ruim)
4 maanden te gunnen om elders woonruimte te vinden, zodat het einde van de (onder) huurovereenkomst bepaald zal worden op 1 januari 2018.

5.4.

Gedaagden hebben verzocht een eventueel toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij de beoordeling daarvan geldt volgens vaste rechtspraak (vide onder meer HR 29 november 1996, NJ 1997, 684) dat de belangen van beide partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, in dit geval Vestia, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde, in dit geval gedaagden, bij behoud van de bestaande toestand totdat op het eventuele appel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij die beoordeling in de regel buiten beschouwing te blijven. Vestia heeft belang bij beëindiging van de onderhuurovereenkomst, mede gelet op haar wettelijke taak om de sociale huurwoningen uitsluitend ter beschikking te stellen aan haar doelgroep. Daar staat tegenover dat de ontruiming van het gehuurde met name voor [gedaagde 3] ingrijpende gevolgen heeft. Alles afwegend oordeelt de kantonrechter dat het belang van Vestia zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde 3] , waarbij tevens van belang is dat hem al een ruime termijn gegund is om het gehuurde te ontruimen. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt daarom toegewezen.

5.5.

Gedaagden hebben de vermeerdering van eis, zoals door Vestia geformuleerd in de hiervoor bedoelde akte van 1 juni 2017, volledig onweersproken gelaten. Bij gebreke van enige betwisting moet derhalve als vaststaand worden aangenomen dat Vestia door de onderhuursituatie schade lijdt van € 116,84 per maand, corresponderend met het verschil tussen de huidige netto huurprijs van € 301,31 per maand en de geldende huurprijs van
€ 418,15 per maand na harmonisatie. Vestia vordert dat verschil per maand vanaf 5 april 2017, zijnde de datum van de comparitie van partijen, omdat toen duidelijk gecommuniceerd is dat de huurprijs verhoogd zou worden.

Gedaagden hebben bedoelde ingangsdatum van 5 april 2017 eveneens onweersproken gelaten.

Bij gebreke van voldoende gemotiveerde betwisting zijdens gedaagden staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat Vestia schade lijdt doordat gedaagden het gehuurde niet ter beschikking hebben gesteld van Vestia en zij niet in staat was om de woning aan derden te verhuren tegen een hogere huurprijs. De kantonrechter acht de ingangsdatum van 5 april 2017 redelijk, temeer nu tijdens de comparitie van partijen gesproken is over een hogere huurprijs en [gedaagde 3] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Derhalve zal in na te melden zin worden beslist.

5.6.

Als de in het ongelijk gestelde partij dienen gedaagden verwezen te worden in de kosten van het geding.

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen Vestia aan de ene kant en de heren
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de andere kant en veroordeelt hen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen metalle personen en zaken die zich vanwege hen daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Vestia te stellen;

bepaalt dat de (onder) huurovereenkomst van [gedaagde 3] met betrekking tot de woning aan de Martinus Steijnstraat 5 te Rotterdam eindigt per 1 januari 2018 en veroordeelt hem om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege hem daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Vestia te stellen, met dien verstaande dat de ontruiming niet eerder dan op 1 januari 2018 ten uitvoer gelegd kan worden;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander bevrijd is, om met ingang van 5 april 2017 een huurvergoeding, althans vervangende schadevergoeding, te betalen aan Vestia van € 443,72 per maand, te vermeerderen met de huurverhoging vanaf 1 juli 2017, tot aan de maand waarin de woning wordt ontruimd;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de hiervoor bedoelde zin in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia vastgesteld op:

- € 220,10 aan verschotten;

- € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en indien gedaagden niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, begroot op:

- € 100,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, inclusief btw;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

710