Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6829

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
10/740076-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schietincident openbare weg na sluitingstijd nachtclub. Geen bewijs betrokkenheid verdachte bij dit incident. Vrijspraak poging doodslag/zware mishandeling/het medeplegen van het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen. In de woning van de vader van de verdachte zijn versnijdingsmiddelen en cocaïne aangetroffen. Vrijspraak van betrokkenheid hierbij. Daarnaast ook vrijspraak van straatroof: het door de verdachte aangewende geweld stond los van de diefstal van een horloge. Resteert veroordeling tot een geldboete ter hoogte van € 500,00 wegens diefstal van dat horloge.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/740076-17

Datum uitspraak: 25 augustus 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,

raadsman mr. N. Claassen, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 augustus 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Loppe heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden als opgenomen in het reclasseringsrapport.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 1, 2, 3 en 4

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Ten aanzien van feit 1:

Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde onder 1 heeft gepleegd, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

De medeverdachte [naam medeverdachte] heeft een vuurwapen voorhanden gehad, ermee op het hoofd van de aangever [naam slachtoffer 1] geslagen en datzelfde vuurwapen is op enig moment afgegaan. Uit de geverbaliseerde inhoud van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [naam getuige 1] volgt dat de verdachte dit vuurwapen aan [naam medeverdachte] heeft overhandigd. Dit duidt dus op een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [naam medeverdachte] ten aanzien van het vuurwapen.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4:

De tenlastegelegde heroïne, cocaïne en versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen in de woning van de vader van de verdachte waar de verdachte kort daarvoor was geweest. De verdachte heeft bij de politie bekend dat de aangetroffen drugs van hem zijn.

Ten aanzien van feit 5:

Uit camerabeelden, de aangifte, de verklaringen van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3] blijkt dat [naam slachtoffer 2] werd aangevallen door drie mannen, onder wie de verdachte die tijdens het geweld op enig moment een op een vuurwapen gelijkend voorwerp toonde en het horloge en de tas van de aangever afpakte. De verdachte heeft bekend dat hij de aangever heeft geslagen en dat hij na de worsteling het op de grond liggende horloge heeft meegenomen.

4.1.2.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 1:

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2:

Vaststaat dat [naam medeverdachte] op 3 januari 2017 een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Dat heeft hij ook met zo veel woorden verklaard bij de rechter-commissaris, waar hij als getuige is gehoord in de zaak tegen de verdachte. De vraag is of de verdachte en [naam medeverdachte] op genoemde datum gezamenlijk de beschikking over dat vuurwapen hebben gehad.

Het enige stuk in het dossier waaruit dat zou kunnen volgen is het proces-verbaal van bevindingen van het uitkijken van de camerabeelden. Daarin is gerelateerd dat [naam medeverdachte] op enig moment, vanuit de passagierszijde van de Mercedes, een voorwerp van de verdachte aanpakt. Wat voor voorwerp dat was, was voor de verbalisanten niet waarneembaar. Na enige seconden, zo vervolgt het proces-verbaal, komt [naam medeverdachte] terug in beeld en overhandigt een voorwerp aan de verdachte. Door de verbalisanten is beschreven dat het een “langwerpig, vermoedelijk donker gekleurd voorwerp was”. [naam medeverdachte] heeft in dit verband verklaard dat hij de eerste keer zijn telefoon aanpakte en dat hij, toen hij terugkwam, zijn portemonnee, in de auto gooide, waarna hij is ingestapt en is weggereden. Ten aanzien van het vuurwapen heeft [naam medeverdachte] aangegeven dat hij dat bij zich in zijn jas droeg en dat de verdachte dat niet wist.

Gelet op dit alles komt de rechtbank tot het oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het voorwerp dat volgens de camerabeelden door de verdachte en [naam medeverdachte] over en weer is overhandigd een vuurwapen is geweest. Daarvoor is de hiervoor weergegeven beschrijving van het voorwerp te weinig concreet. Nu ook in de verklaring [naam medeverdachte] geen steun kan worden gevonden voor het door de officier van justitie ingenomen standpunt acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat de verdachte en [naam medeverdachte] gezamenlijk de beschikking hadden over het vuurwapen.

De slotsom is dat uitsluitend [naam medeverdachte] de beschikking heeft gehad over het vuurwapen en bijbehorende munitie. Dat leidt tot vrijspraak.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4:

De verdachte heeft op 18 februari 2017 bij de politie bekend dat de in de woning van zijn vader aangetroffen verdovende middelen van hem zijn. In beginsel is hiermee voldoende wettig bewijs voorhanden dat de verdachte de verdovende middelen samen met zijn vader voorhanden heeft gehad. Daar staat echter tegenover dat de vader van de verdachte, als getuige gehoord bij de rechter-commissaris, heeft verklaard dat de verdovende middelen van hem alleen zijn en dat zijn zoon daar niets van wist. Volgens de vader heeft de verdachte alleen maar gezegd dat de drugs van hem zijn, om de vader in bescherming te nemen. De verklaring van de vader komt overeen met hetgeen de verdachte heeft verklaard op de terechtzitting. De verdachte verklaarde dat hij alleen heeft bekend omdat hij zich schuldig voelde. Als de verdachte niet zou zijn aangehouden voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, dan zou de politie het huis van de vader niet hebben doorzocht, zo redeneerde de verdachte. Hij heeft op de terechtzitting (nogmaals) verklaard niets met de aangetroffen drugs te maken te hebben gehad.

Naast het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie, na te zijn voorgehouden door de verbalisanten dat een halve kilo verdovende middelen in de woning van zijn vader was aangetroffen, op de vraag van wie “dat” is heeft geantwoord: “van mij”. Het is gebleven bij deze twee woorden. Bij het doorvragen beroept hij zich op zijn zwijgrecht dan wel zegt het niet te weten. Een en ander overziend, maakt dat de rechtbank twijfelt aan de geloofwaardigheid van de “bekentenis” van de verdachte en zal deze daarom niet gebruiken als bewijs. Nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voor het overige onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte op of omstreeks 17 februari 2017 verdovende middelen en versnijdingsmiddel voorhanden heeft gehad, zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 3 en 4.

Ten aanzien van feit 5:

De verdachte ontkent dat hij op 5 juli 2016 samen met anderen geweld tegen de aangever heeft gepleegd en dat dit is gedaan met het oogmerk om goederen van de aangever te stelen. De rechtbank heeft de zich in het dossier bevindende videobeelden ter zitting getoond en stelt op grond van haar eigen waarneming en de overige inhoud van het dossier echter vast dat de verdachte samen met twee mannen geweld heeft gebruikt tegen de aangever en dat de verdachte op enig moment het horloge van de aangever heeft weggenomen. Dat laatste heeft de verdachte ook op de terechtzitting erkend. Dat ook gouden oorbellen en een geldbedrag van de aangever zouden zijn weggenomen, kan niet worden vastgesteld. De verdachte ontkent dit en uit het dossier valt niet af te leiden dat die goederen daadwerkelijk zijn weggenomen. Evenmin is komen vast te staan dat het geweld is aangewend als middel om de diefstal van het horloge mogelijk of succesvol te maken. Zowel uit de getoonde camerabeelden als de door de verdachte en de aangever afgelegde verklaringen leidt de rechtbank af dat het toegepaste geweld te maken had met een bestaand conflict tussen de betrokkenen. De verdachte heeft verklaard dat het horloge na de vechtpartij op straat lag en dat hij het toen heeft meegenomen. Aanwijzingen dat deze verklaring niet juist is, zijn niet gebleken.

De slotsom is dan ook dat het door de verdachte aangewende geweld geen verband hield met de daaropvolgende diefstal van het horloge. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de primair aan hem in dat kader verweten geweldshandelingen. Dat maakt dat slechts kan worden bewezenverklaard de alsdan resterende eenvoudige diefstal.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is de diefstal van het onder 5 primair tenlastegelegde horloge. Niet bewezen is het overige tenlastegelegde.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 05 juli 2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen - een horloge toebehorende aan [naam slachtoffer 2] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

5. primair

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een horloge van de aangever, die een bekende van hem is. Diefstal is een ergerlijk feit. De verdachte heeft laten zien met zijn handelen geen respect te hebben voor een andermans eigendom en heeft alleen gedacht aan zijn eigen financieel gewin. Dat hij later alsnog op verzoek van de aangever het horloge aan hem heeft terug gegeven maakt dit niet anders.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 juli 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een vermogensdelict.

De rechtbank heeft acht geslagen op het over de verdachte opgestelde rapport van Reclassering Nederland, gedateerd 31 mei 2017.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de rechtbank uitsluitend diefstal van een horloge bewezen acht, zal de strafoplegging aanmerkelijk lager uitvallen dan hetgeen de officier van justitie heeft geëist.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 23, 24c, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 5 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W. van Lottum, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 augustus 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 03 januari 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1]

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet

- ( meermalen) met een (op een vuurwapen gelijkend) voorwerp in de richting van

die [naam slachtoffer 1] heeft geschoten, en/of

- die [naam slachtoffer 1] met een (op een vuurwapen gelijkend) voorwerp op het hoofd heeft

geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( artikel 287 jo. 45 Wetboek van Strafrecht )

( artikel 302 Wetboek van Strafrecht )

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 januari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een vuurwapen en/of munitie van Categorie

II of III, als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 lid 1 jo 55 WWM)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 17 februari 2017 te Schiedam tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer

- 0,2 gram heroïne, en/of

- 385,8 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 17 februari 2017 te Schiedam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of

vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen

het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te

bevorderen

- 2.015 gram versnijdingsmiddel (te weten: fenacetine), voorhanden heeft

gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige

redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen

van dat/die feit(en);

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

5.

hij op of omstreeks 05 juli 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen

- een horloge en/of,

- ( een) gouden oorbel(len), en/of

- een geldbedrag (van 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die

[naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( meermalen) slaan en/of stompen tegen het hoofd, althans het lichaam van die

[naam slachtoffer 2] , en/of

- ( meermalen) schoppen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] , en/of

- tonen van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) aan die [naam slachtoffer 2] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 juli 2016 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te

weten de Schiedamseweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 2] , welk geweld bestond

uit het

- ( meermalen) slaan en/of stompen tegen het hoofd, althans het lichaam van die

[naam slachtoffer 2] , en/of

- ( meermalen) schoppen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] ;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht