Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6818

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
C/10/514923 / HA ZA 16-1298
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen tot nietig verklaren of vernietiging van overeenkomst verkoop aandelen ten aanzien van de koopprijs. Strijd met goede zeden, misbruik van omstandigheden, dwaling? Afstand van recht. Verjaring vordering tot vernietiging. Ontbinding. Wijziging van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4611
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/514923 / HA ZA 16-1298

Vonnis van 23 augustus 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SERA EUROPE B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SERA SOFTWARE B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

3. [eiser 3],

wonende te Alphen aan den Rijn,

eisers,

advocaat mr. M.A. Collet te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DIESEKO GROUP B.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

2. [gedaagde 1] ,

wonende te Zoelen,

3. [gedaagde 2] ,

wonende te Helvoirt,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X 1] HOLDING B.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GREENFIELD CAPITAL FUND II B.V.,

gevestigd te Naarden,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IEB HOLDING B.V.,

gevestigd te Naarden,

7. de commanditaire vennootschap

IEB PARTICIPATIE C.V.,

gevestigd te Naarden,

8. [gedaagde 8],

wonende te Amsterdam,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KATO INVESTMENT B.V.,

gevestigd te Bloemendaal,

10. [gedaagde 10],

wonende te Bloemendaal,

gedaagden,

advocaat mr. E.J.H. Zandbergen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Sera c.s. en IEB c.s. genoemd worden danwel afzonderlijk worden aangeduid met: Sera Europe, Sera Software en [eiser 3] respectievelijk Dieseko, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [X 1] Holding, Grienfield, IEB Holding, IEB Participatie, [gedaagde 8] , Kato en [gedaagde 10] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 22 februari 2017, waarin een comparitie van partijen is gelast;
    - een akte zijdens Sera c.s. d.d. 28 juni 2017 houdende wijziging van eis met producties;
    - een akte zijdens Sera c.s. d.d. 3 juli 2017 houdende wijziging van eis;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 juli 2017, waarbij voormelde aktes in het geding zijn gebracht en door IEB c.s. spreekaantekeningen zijn overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.

2.2.

[eiser 3] is bestuurder en enig aandeelhouder in Sera Europe en Sera Software. [gedaagde 10] is bestuurder en enig aandeelhouder van Kato (voorheen genaamd: [gedaagde 10] Beheer, beide hierna aangeduid met: Kato).
Sera Europe en Kato waren elk voor 50% aandeelhouder van een door hen opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid genaamd Active-Share B.V. (hierna Active-Share).
[gedaagde 8] is bestuurder en (indirect) aandeelhouder in Greenfield.

Active-Share en Greenfield hielden sinds 2007 elk voor 50% de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid International Construction Equipment B.V. (hierna: ICE).
Sera Europe en Kato, Greenfield en IEB Participatie waren aandeelhouder van IEB Holding (waarin ICE is ingebracht).
IEB Holding hield alle aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid International Equipment Beheer B.V. (hierna: IEB; ook IEB Holding wordt hierna wel aangeduid met IEB).

2.3.

Op 3 september 2008 is IEB gefuseerd met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dieseko Beheer B.V. (hierna: Dieseko Beheer).
De aandelen van Dieseko Beheer werden gehouden door [X 1] Holding waarvan [gedaagde 1] 10% van de aandelen hield en [gedaagde 2] 90%.
Beide vennootschappen zijn daarbij ingebracht in of afgesplitst naar een nieuw opgerichte vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dieseko B.V., thans Dieseko Group B.V. (beide hierna aangeduid met Dieseko).
[gedaagde 10] was bestuurder (CEO) van Dieseko.

[eiser 3] was bestuurder van Dieseko tot 20 mei 2010.
[gedaagde 1] was bestuurder van Dieseko tot 3 augustus 2015 (opgevolgd door de heer [X 2] ).
Prioriteitsaandelen van Dieseko (zes) waren in handen van [X 1] Holding (A)

[gedaagde 1] (A) en Grienfield (twee stuks B), [gedaagde 10] (B) en [eiser 3] (B).

2.4.

Op 3 september 2008 is door de aandeelhouders van Dieseko een overeenkomst gesloten (hierna: de aandeelhoudersovereenkomst), voorzover van belang, inhoudende:
“ 8.2. De bestuurders zullen hun werkzaamheden verrichten op basis van een managementovereenkomst dan wel arbeidsovereenkomst (…)
10.3 (…) behoeft de Directie de voorafgaande goedkeuring van de PAVA, welk besluit een meerderheid van 75% van de stemmen binnen de PAVA vereist, voor de volgende besluiten: (…)

(k) het sluiten en wijzigen van arbeidsovereenkomsten waarbij een beloning wordt toegekend die een bedrag van € 75.000,- (…) te boven gaat, en het beëindigen van dergelijke arbeidsovereenkomsten. (… )

13.1

Partijen streven ernaar om op termijn, te rekenen vanaf vijf (5) jaar na de datum van deze Overeenkomst over te gaan tot een verkoop van alle aandelen (…)
16.1 Een Prioriteitsaandeelhouder wordt geacht een Leaver te zijn indien (i) hij terugtreedt dan wel wordt ontslagen als bestuurder van de Vennootschap en/of (ii) de managementovereenkomst dan wel arbeidsovereenkomst tussen de vennootschap en de persoonlijke holdingmaatschappij van die Prioriteitsaandeelhouder, eindigt.

16.2.

Ingeval een Prioriteitsaandeelhouder kwalificeert als een Leaver, is de betreffende Prioriteitsaandeelhouder gehouden zijn Prioriteitsaandeel onmiddellijk en tegen nominale waarde te verkopen en te leveren aan: (…)
(b) indien de Leaver een Prioriteitsaandeelhouder B. is, Greenfield (…)
16.3 Indien, de arbeidsovereenkomst dan wel management overeenkomst tussen een Aandeelhouder of diens (indirecte) Aandeelhouder en de Vennootschap en diens groepsmaatschappij (Arbeidsovereenkomst) op grond van een dringende reden, zoals bedoeld in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek wordt opgezegd, is de Aandeelhouder verplicht, op eerste verzoek van de Directie, alle door hem gehouden Aandelen in Dieseko Holding dan wel IEB Holding te koop aan te bieden aan zijn medeaandeelhouders(s) van Dieseko Holding dan wel IEB Holding, tegen een prijs gelijk aan de door deze Aandeelhouder ontvangen dividenden en uitkeringen op de door hem gehouden Aandelen dan wel tegen de marktwaarde van de door deze Aandeelhouder gehouden Aandelen, indien de marktwaarde lager is. (…)
22. Non-concurrentie
22.1 Voor de duur van hun aandeelhouderschap in de Vennootschap en een periode van 2 jaar daarna verbinden de Aandeelhouders (…) zich om niet, direct of indirect, in welke hoedanigheid ook:
(a) anders dan via de Vennootschap activiteiten te ontplooien die concurreren met de activiteiten van de Onderneming;”
De hiervoor weergegeven Leaver regeling stemt goeddeels overeen met die (in artikel 9) van de aandeelhoudersovereenkomst van aandeelhouders in IEB Holding.

2.5.

Op 3 september 2008 is Dieseko een overeenkomst van opdracht aangegaan met Sera Software inzake de levering van diensten door Sera Software aan Dieseko (hierna: de managementovereenkomst) tegen een (met ingang van 1 januari 2010 te indexeren) vergoeding van € 21.000,- per maand (exclusief BTW) en een variabele vergoeding van € 50.000,- per jaar (exclusief BTW). De overeenkomst kon door beide partijen worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 3 maanden (artikel 8.1) en een non-concurrentiebeding inhoudende dat de manager zonder voorafgaande toestemming van opdrachtgever gedurende een periode van 12 maanden na beëindiging van de overeenkomst niet “op enige manier, direct of indirect, ten behoeve van zichzelf of van derden, al dan niet tegen betaling (…) op welke wijze dan ook, direct of indirect, optreden als intermediair voor enige onderneming die actief is op hetzelfde of en vergelijkbaar terrein” betrokken zal zijn bij (art. 8.1) concurrerende werkzaamheden (art. 8.2) klanten (art. 8.3) of werknemers (art. 8.4) van Dieseko of een gelieerde onderneming.

2.6.

[gedaagde 10] en [eiser 3] hebben op 8 april 2009 een (overeenkomst tevens houdende een) volmacht ondertekend, inhoudende:
“Ondergetekenden, (…)
Overwegende dat

Partners beide aandeelhouders en directieleden zijn in Dieseko B.V. te Sliedrecht via hun persoonlijke holdingen

Partners gezamenlijk 2 van de 6 prioriteitsaandelen hebben, waarmee voor partners negatieve beslissingen geblokkeerd kunnen worden

Er gezien de economische situatie inderdaad gevaar bestaat voor negatieve beslissingen

Dat de andere prioriteitsaandelen ook strategisch zijn ondergebracht bij andere aandeelhouders, 2 bij de gebroeders [X 1] en 2 bij Greenfield Capital Fund II

Partners behoefte hebben aan wederzijdse bescherming

Partners elkaar al lang kennen en al lang hebben samengewerkt

Besluiten
Elkaar volmacht te verlenen tot het uitbrengen van een stem op het prioriteitsaandeel van de ander in geval die ander niet aanwezig is bij een stemming en waar de belangen van beide of van één van de partners kan worden geschaad.”
2.7. [eiser 3] heeft in 2010 zijn managementwerkzaamheden voor Dieseko afgebouwd. Op 20 mei 2010 is hij teruggetreden als statutair directeur van Dieseko.
Begin 2011 is met Sera Software een reductie van de managementvergoeding overeengekomen van 40%.

2.8.

Sera c.s. heeft in april 2011 BDO Corporate Finance B.V. (hierna: BDO) als financieel deskundige opdracht verstrekt te adviseren en bemiddelen bij verkoop van (een deel van) haar aandelen in Dieseko. BDO heeft in dat verband bij brief van 27 juni 2011 aan Greenfield meegedeeld:
“Betreft: Definitief voorstel

Beste heren [A en B] ,

Op 31 mei jongstleden hebben wij een bespreking gehad inzake het voornemen van [eiser 3]

om een gedeelte van zijn 15%-aandelenbelang in Dieseko Group B.V. (hierna te noemen:

“Dieseko”) aan te bieden aan de overige aandeelhouders, vertegenwoordigd door Greenfield Capital Partners. In overleg met jullie is besloten om in eerste instantie op informele wijze te trachten overeenstemming te bereiken over de overdracht van (een gedeelte van) het hiervoor genoemde aandelenbelang. Er is derhalve gezamenlijk bewust voor gekozen om de, in de aandeelhoudersovereenkomst van Dieseko vastgelegde, procedure bij aanbieding van aandelen door

één van de aandeelhouders vooralsnog niet te volgen.

Tijdens onze bespreking van 31 mei, hebben wij aangegeven dat [eiser 3] de voorkeur

heeft om een gedeelte van zijn aandelenbelang in Dieseko te verkopen. Op die wijze is hij in staat een

gedeelte van het opgebouwde kapitaal te verzilveren en profiteert hij mee van de toekomstige groei

van Dieseko. Jullie hebben aangegeven dat het de voorkeur van de overige aandeelhouders heeft om

direct het volledige belang over te nemen, waarop wij hebben aangegeven dat dit tot de

mogelijkheden behoort, maar dat de prijs voor het 15%-belang in dat geval interessant genoeg moet

zijn voor de heer [eiser 3] om volledig afstand te doen van zijn aandelenbelang en daarmee van het toekomstig winstpotentieel van Dieseko.

Wij hebben aangegeven dat de vraagprijs voor het 5%-belang van de heer [eiser 3] € 2,5 miljoen bedraagt en de vraagprijs voor zijn 15%-belang € 8,1 miljoen. Jullie hebben tijdens de bespreking aangegeven dat jullie (en de overige aandeelhouders) een overnameprijs in gedachten hebben van circa € 3 miljoen voor het volledige 15%-belang. Dit betekent een substantieel verschil in perceptie over de huidige stand van zaken bij Dieseko en het toekomstpotentieel van de onderneming.

Wij trachten middels deze brief tot overeenstemming te komen. Mochten jullie (en de overige

aandeelhouders) vasthouden aan een prijs van € 3 miljoen voor 15% van de aandelen van Dieseko, dan onderzoekt de heer [eiser 3] graag de haalbaarheid van de overname van de aandelen van de overige aandeelhouders tegen vergelijkbare condities.

Wij hebben uitgebreid gesproken met de heer [eiser 3] over de huidige stand van zaken bij

Dieseko en de toekomstpotentie die hij ziet voor de onderneming. Op basis van deze bespreking

hebben wij onderstaand het voorstel opgenomen omtrent de volledige verkoop van het 15%-

aandelenbelang van de heer [eiser 3] in Dieseko.

Dit voorstel dient te worden beschouwd als een definitief voorstel ter overbrugging van het verschil

tussen de op 31 mei jongstleden besproken overnameprijzen. Dit voorstel dient nadrukkelijk niet te

worden gezien als een aangepast vertrekpunt voor de heer [eiser 3] , maar als een definitief

voorstel om het verschil te overbruggen.

Definitief voorstel

Het voorstel bestaat uit een tweetal alternatieven waarbij het verschil zit in de hoogte en timing van

het te betalen bedrag:

Alternatief 1

Ondernemingswaarde: 6 x EBITDA 2011 € 72 miljoen

Netto rentedragende schulden per 30-6-2011: € 30,5 miljoen

Prijs aandelen: € 41,5 miljoen

Schatting 15%-belang [eiser 3] : € 6,2 miljoen

Voorstel: Prijs voor 15%-belang: € 6 miljoen - volledig af te rekenen op overnamemoment.

Alternatief 2

Prijs 15%-belang: € 6 miljoen

Af te rekenen op overnamemoment: € 1,5 miljoen (t=0)

De heer [eiser 3] is bereid een uitgestelde betaling te accepteren, indien er de mogelijkheid is

voor een upside. De nabetaling wordt uiterlijk voldaan 5 jaar na het overdrachtsmoment (t=0). De

potentiële upside is gerelateerd aan de exit van Greenfield, conform het volgende schema: (…)
De belangrijkste kenmerken van alternatief 2 zijn:

• Een beperkte up front betaling van € 1,5 miljoen;

• Een uitgestelde betaling van € 4,5 miljoen, uiterlijk 5 jaar na het overdrachtsmoment (t=0),

indien Greenfield binnen deze periode geen exit heeft gerealiseerd;

• Indien Greenfield binnen de hiervoor genoemde periode een exit realiseert, dan zal de heer

[eiser 3] naar rato meedelen in de meeropbrengst conform het schema op de vorige

pagina. Minderopbrengsten zullen voor 100% worden verrekend.

Bij alternatief 2 gelden de volgende aanvullende voorwaarden ten aanzien van de periode tot aan de

nabetaling van de heer [eiser 3] :

1. Er is sprake van een bestendige gedragslijn. De waarderingsgrondslagen, zoals gehanteerd in

de jaarrekening, blijven gehandhaafd;

2. De aandeelhouders zullen de onderneming als een goed huisvader beheren. Dit houdt onder

meer in dat managementfees en overige aan de vennootschap doorberekende kosten niet

substantieel zullen wijzigen;

3. Er zullen geen activiteiten of activa worden onttrokken aan de onderneming. Indien dergelijke

onttrekkingen plaatsvinden, zullen eventuele boekwinsten worden verrekend in de hoogte van

de nabetaling.

Bovenstaande voorwaarden zijn op hoofdlijnen weergegeven. In een eventuele overnameovereenkomst zullen de definitieve voorwaarden nader worden geformuleerd.

Zoals eerder is aangegeven, dient dit voorstel te worden beschouwd als een definitief voorstel van de

heer [eiser 3] ter overbrugging van het verschil tussen de bieding en de vraagprijs zoals

geformuleerd op 31 mei. Indien de aandeelhouders zich niet kunnen vinden in dit voorstel, dan zal de

heer [eiser 3] zijn 15%-aandelenbelang in Dieseko behouden.

Wij gaan er vanuit jullie hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en zien jullie reactie graag tegemoet.”

Dit aanbod is bij brief van 30 juni 2011 door Greenfield verworpen, waarbij door haar mede namens de andere aandeelhouders van Dieseko aan Sera c.s. is meegedeeld: “Uit de reactie hebben wij geconcludeerd dat er geen aanknopingspunten zijn om de informele gesprekken hieromtrent voort te zetten”.

2.9.

De managementovereenkomst is op 18 juli 2011, met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van 3 maanden, tegen 18 oktober 2011 opgezegd door Dieseko.

2.10.

De aandeelhouders van Dieseko zijn op 12 oktober 2011 met Sera c.s. hoofdlijnen overeengekomen tot beëindiging van de managementovereenkomst met Sera Software en het aanbieden van aandelen in IEB Holding en het prioriteitsaandeel in Dieseko.

2.11.

Bij overeenkomst van 19 oktober 2011 hebben Sera Europe en [eiser 3] hun (indirect) aandelenbelang in Dieseko verkocht aan IEB Holding voor € 3.000.000.,- voor het (indirect) aandelenbelang in IEB Holding van Sera Europe (15%) met een vergoeding van

€ 1,- voor het prioriteitsaandeel in Dieseko van [eiser 3] .
In deze overeenkomst (hierna: de Verkoopovereenkomst) is het volgende opgenomen:
“8. Partijen komen overeen dat elk [eiser 3] , Sera Software en Sera Europe onverkort gebonden blijven aan het bepaalde in artikel 22 van de Aandeelhoudersovereenkomst (waarbij Sera Software en Sera Europe als verbonden partijen worden beschouwd) en artikel 8 van de Management Overeenkomst, met dien verstande dat de daarin vermelde termijnen gaan lopen vanaf de datum van dezer Overeenkomst (…)

9. Finale kwijting, afstand van vorderingen
9.1 Ieder van [eiser 3] , Verkoper en Sera Software doet hierbij onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand van alle mogelijke rechten, claims en vorderingen jegens elk van Partijen, inclusief jegens hun directe en/of indirecte aandeelhouders alsmede elk van hun groepsmaatschappijen, in verband met de beëindiging van de Management Overeenkomst, de verkoop van de Aandelen en het Prioriteitsaandeel, deze Overeenkomst of anderszins, uit welke hoofde dan ook, en ieder van [eiser 3] , Verkoper en Sera Software verleent elk van Partijen, inclusief hun directe en/of indirecte aandeelhouders alsmede elk van hun groepsmaatschappijen, finale kwijting voor al hetgeen [eiser 3] , Sera Software en Verkoper te vorderen hebben, onverminderd het bepaalde in deze Overeenkomst.
9.2. Onverminderd het bepaalde in artikel 8 van de Overeenkomst, eindigt conform het bepaalde in artikel 20 van de Aandeelhoudersovereenkomst, de Aandeelhoudersovereenkomst ten aanzien van [eiser 3] en Verkoper, met uitzondering van de bepalingen als daarin genoemd. Partijen bevestigen hierbij nogmaals dat de Management Overeenkomst met ingang van 18 oktober 2011 definitief is geëindigd, onverminderd het bepaalde in artikel 8 van deze Overeenkomst. (…)
11. Afstand van recht
Ieder van de Partijen doet hierbij onvoorwaardelijk en onherroepelijk afstand van enige rechten die zij uit kunnen oefenen in verband met of aanspraak die zij kunnen maken op de Aandelen en/of het Prioriteitsaandeel en verlenen hierbij de onvoorwaardelijke en onherroepelijke goedkeuring voor de levering van de Aandelen door de Verkoper aan de Vennootschap (rechtbank: IEB) en de levering van het Prioriteitsaandeel door [eiser 3] aan Greenfield, en doen voorzover nodig afstand van hun rechten uit hoofde van de toepasselijke blokkeringsregeling of de aan hen toegekende voorkeursrechten. (…)
14. Overige bepalingen
14.1 Partijen doen over en weer onherroepelijk afstand van het recht om
(I) deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden of vernietigen en
(II) de rechter te verzoeken de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 BW. (…)

14.6

Deze Overeenkomst bevat alle afspraken tussen Partijen met betrekking tot de onderhavige transactie en treedt in de plaats van alle eerdere schriftelijke en mondelinge afspraken welke Partijen terzake hebben gemaakt.”

2.12.

Op basis van de jaarrekening 2011 van Dieseko blijkt van een EBITDA (earnings before interest, taxes, depreciation and amortization) van € 9.896.000,-. De bankschuld van Dieseko bedraagt per ultimo 2011 in totaal € 29.088.000,-.

2.13.

De krachtens de Verkoopovereenkomst aan Sera c.s. verschuldigde koopprijs is aan hen voldaan.

2.14.

Op 27 november 2013 zijn de aandelen in Dieseko verkocht aan de naamloze vennootschap NMP Capital N.V. (hierna: NMP) tegen een verkoopprijs die voor het 15% aandelenbelang van Kato € 10.750.000,- bedraagt.

2.15.

Op 31 juli 2015 is aan IEB kennis gegeven van een op 5 januari 2015 geregistreerde verpanding van 29 december 2014 door Sera c.s. van haar vordering op IEB c.s. aan de Stichting Rechtsbijstand TTP (hierna: TTP). TTP heeft bij die mededeling tevens namens Sera c.s.

- IEB c.s. aansprakelijk gesteld en gesommeerd tot betaling van vermogensschade, met aanzegging van rente en kosten;
- de partiele vernietiging ingeroepen van de Verkoopovereenkomst met betrekking tot de overeengekomen koopprijs van 3 miljoen euro (met aanpassing van de notariële levering van de ingekochte aandelen in 2011 en de doorlevering daarvan op of omstreeks 27 november 2013 aan NPM Capital N.V.);
- de stuiting ingeroepen van de verjaring van de vordering op IEB c.s..

3 De vordering

3.1.

Sera c.s. vordert - na wijzigingen van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair

1. voor recht te verklaren dat de Verkoopovereenkomst geheel, dan wel partieel (namelijk met betrekking tot de koopprijs), rechtsgeldig is vernietigd, met terugwerkende kracht tot 19-10-2011; althans de Verkoopovereenkomst, de overeenkomst van 12-10-2011 en de notariële leveringsovereenkomst van 28-11-2011 geheel of partieel (namelijk met betrekking tot de koopprijs) nietig te verklaren dan wel te vernietigen;
2. de koopprijs in de Verkoopovereenkomst in goede justitie opnieuw vast te stellen, althans aan Sera c.s. als benadeelde partijen een uitkering in geld toe te wijzen ter grootte van de in goede justitie vast te stellen economische waarde van de aandelen IEB Holding op 19-10-2011, zo mogelijk naar evenredigheid van de koopprijs van het door Greenfield op of omstreeks 17-11-2013 aan NPM Capital verkochte aandelenpakket IEB Holding, met hoofdelijke veroordeling van IEB c.s. tot betaling van de nieuwe koopprijs althans van de uitkering in geld, onder aftrek van de oorspronkelijke koopprijs, binnen twee dagen na betekening van het vonnis, vermeerderd met wettelijke handelsrente, althans met wettelijke rente vanaf 19-10-2011 dan wel een in goede justitie vast te stellen ingangsdatum, alsmede

vermeerderd met een in goede justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke

kosten ex art. 6:96 lid 2 onder c van het Burgerlijk Wetboek (BW), vanaf 14-08-2015 te vermeerderen met wettelijke handelsrente althans met wettelijke rente, te betalen op een namens Sera c.s. aan IEB c.s. te verstrekken bankrekeningnummer;

3. IEB c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een in goede justitie te bepalen bedrag aan geliquideerde proceskosten, alsmede te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en IEB c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met een in goede justitie te bepalen bedrag aan nasalaris advocaat, alsmede te vermeerderen met de in goede justitie te bepalen explootkosten van betekening van dit vonnis, alsmede te vermeerderen met wettelijke rente over de proceskosten, de betekeningskosten en de nakosten vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling, te betalen op een namens Sera c.s. aan IEB c.s. te verstrekken

bankrekeningnummer;

subsidiair

1.voor recht te verklaren dat IEB c.s. hoofdelijk groepsaansprakelijk, althans hoofdelijk aansprakelijk, althans aansprakelijk zijn tot betaling van de door Sera c.s. geleden vermogensschade, op grond van onrechtmatige groepsdaad, althans onrechtmatige daad, althans toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de Aandeelhoudersovereenkomst met Dieseko en/of IEB Holding met schending van art. 6:2 BW, althans (partiële) nietigheid, vernietiging, ontbinding of wijziging van de Verkoopovereenkomst, de overeenkomst van 12-10-2011 en de notariële leveringsovereenkomst van 28-11-2011 wegens strijd met de goede zeden en/of de openbare orde, althans bedrog met betrekking tot de aandelenwaardering van IEB Holding, althans misbruik van omstandigheden, althans bedreiging met enig nadeel, althans verschoonbare dwaling met betrekking tot de waarde van de aandelen IEB Holding, althans ongerechtvaardigde verrijking van de aandeelhouders van IEB Holding per 19-10- 2011, althans nadeelopheffing ten gunste van Sera c.s.;

2. IEB c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door Sera c.s. geleden vermogensschade, met begroting van de schade in goede justitie op basis van art. 612 eerste volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)., vanaf 19-10-2011 te vermeerderen met over het schadebedrag te berekenen wettelijke handelsrente althans met wettelijke rente, alsmede te vermeerderen met een in goede justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke kosten ex art. 6:96 lid 2 onder c BW, vanaf 14-08-2015 te vermeerderen met wettelijke handelsrente althans met wettelijke rente, te betalen op een namens Sera c.s. aan IEB c.s. te verstrekken bankrekeningnummer met vermelding van IBAN en BIC betalingsgegevens;

3. IEB c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een in goede justitie te bepalen bedrag aan geliquideerde proceskosten, alsmede te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en IEB c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met een in goede justitie te bepalen bedrag aan nasalaris advocaat, alsmede te vermeerderen met de in goede justitie te bepalen explootkosten van betekening van dit vonnis, alsmede te vermeerderen met wettelijke rente over de proceskosten, de betekeningskosten en de nakosten vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling, te betalen op een namens Sera c.s. aan IEB c.s. te verstrekken

bankrekeningnummer;

meer subsidiair

1. voor recht te verklaren dat IEB c.s. hoofdelijk groepsaansprakelijk, althans hoofdelijk aansprakelijk, althans aansprakelijk zijn tot betaling van de door Sera c.s. geleden vermogensschade, op grond van onrechtmatige groepsdaad, althans onrechtmatige daad, althans toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de Aandeelhoudersovereenkomst met schending van art. 6:2 BW, althans (partiële) nietigverklaring, vernietiging, ontbinding of wijziging van de Verkoopovereenkomst, althans (partiële) nietigheid van de Verkoopovereenkomst wegens strijd met de goede zeden en/of de openbare orde, althans bedrog met betrekking tot de aandelenwaardering van EB Holding, althans misbruik van omstandigheden, althans bedreiging met enig nadeel, althans verschoonbare dwaling met betrekking tot de waarde van de aandelen IEB Holding, althans ongerechtvaardigde verrijking van de aandeelhouders van IEB Holding per 19-10-2011, althans nadeelopheffing

ten gunste van Sera c.s.;

2. IEB c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door Sera c.s. geleden vermogensschade, op te maken bij staat op basis van art. 612 tweede volzin Rv., vanaf 19-10-2011 te vermeerderen met over het schadebedrag te berekenen wettelijke handelsrente althans met wettelijke rente, alsmede te vermeerderen met een in goede justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke kosten ex art. 6:96 lid 2 onder c BW, vanaf 14-08-2015 te vermeerderen met wettelijke handelsrente althans met wettelijke rente, te betalen op een namens Sera c.s. aan IEB c.s. te verstrekken bankrekeningnummer;

3. IEB c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een in goede justitie te bepalen bedrag aan geliquideerde proceskosten, alsmede te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en IEB c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met een in goede justitie te bepalen bedrag aan nasalaris advocaat, alsmede te vermeerderen met de in goede justitie te bepalen explootkosten van betekening van dit vonnis, alsmede te vermeerderen met wettelijke rente over de proceskosten, de betekeningskosten en de nakosten vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling, te betalen op een namens Sera c.s. aan IEB c.s. te verstrekken bankrekeningnummer;

verder subsidiair

1.Kato en [gedaagde 10] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Sera c.s., binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, van een bedrag gelijk aan de helft van het positieve verschil tussen a) de verkoopopbrengst van het aandelenpakket van Sera Europe in IEB Holding per 19-10-2011 en b) de in goede justitie vast te stellen economische waarde van het aandelenpakket van Kato in IER Holding per 28-11-2013, althans Kato en [gedaagde 10] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Sera c.s., binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, van een in goede justitie vast te stellen bedrag aan schadevergoeding, met begroting van de schade op basis van art. 612 eerste volzin Rv., in beide gevallen vanaf 28-11-2013 althans vanaf 09-12-2013 te vermeerderen met de over zodanig bedrag te berekenen wettelijke handelsrente althans met wettelijke rente, alsmede te

vermeerderen met een in goede justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke kosten ex art. 6:96 lid 2 onder c B.W., vanaf 28-11-2013 althans vanaf 09-12-2013 te vermeerderen met wettelijke handelsrente althans met wettelijke rente, te betalen op een namens Sera

c.s. aan Kato en [gedaagde 10] te verstrekken bankrekeningnummer met vermelding van IBAN en BIC betalingsgegevens;

2. Kato en [gedaagde 10] hoofdelijk te veroordelen tot betaling binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een in goede justitie te bepalen bedrag aan geliquideerde proceskosten, alsmede te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en Kato en [gedaagde 10] niet binnen veertien dagen na

aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met een in goede justitie te bepalen bedrag aan nasalaris advocaat, alsmede te vermeerderen met de in goede justitie te bepalen explootkosten van betekening van dit vonnis, alsmede te vermeerderen met wettelijke rente over de proceskosten, de betekeningskosten en de nakosten vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling, te betalen op een namens

Sera c.s. aan Kato en [gedaagde 10] te verstrekken bankrekeningnummer;

uiterst subsidiair

1.Kato en [gedaagde 10] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Sera c.s., binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, van een bedrag gelijk aan de helft van het positieve verschil tussen a) de verkoopopbrengst van het aandelenpakket van Sera Europe in IEB Holding per 19-10-2011 en b) de in goede justitie vast te stellen economische waarde van het aandelenpakket van Kato in IEB Holding per 28-11-2013, althans Kato en [gedaagde 10] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Sera c.s., binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, van een in goede justitie vast te stellen bedrag aan

schadevergoeding, op te maken bij staat op basis van art. 612 tweede volzin Rv., in beide gevallen vanaf 28-11-2013 althans vanaf 09-12-2013 te vermeerderen met de over zodanig bedrag te betekenen wettelijke handelsrente althans met wettelijke rente, alsmede te vermeerderen met een in goede justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke kosten ex

art. 6:96 lid 2 onder c B.W., vanaf 28-11-2013 althans vanaf 09-12-2013 te vermeerderen met wettelijke handelsrente althans met wettelijke rente, te betalen op een namens Sera c.s. aan Kato en [gedaagde 10] te verstrekken bankrekeningnummer met vermelding van IBAN en BIC

betalingsgegevens;

2. Kato en [gedaagde 10] hoofdelijk te veroordelen tot betaling binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een in goede justitie te bepalen bedrag aan geliquideerde proceskosten, alsmede te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en Kato en [gedaagde 10] niet binnen veertien dagen na

aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met een in goede justitie te bepalen bedrag aan na salaris advocaat, alsmede te vermeerderen met de in goede justitie te bepalen explootkosten van betekening van dit vonnis, alsmede te vermeerderen met wettelijke rente over de proceskosten, de betekeningskosten en de nakosten vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling, te betalen op een namens Sera c.s. aan Kato en [gedaagde 10] te verstrekken bankrekeningnummer.

3.2.

Op de stellingen van Sera c.s. wordt hierna, voorzover van belang, nader ingegaan.

4 Het verweer

4.1.

IEB c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing ervan met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad van Sera c.s. in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente over de proces- en nakosten.

4.2.

Op het verweer van IEB c.s. wordt hierna, voorzover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Ten aanzien van de toelaatbaarheid van de vermeerderingen van eis overweegt de rechtbank dat artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) bepaalt dat eiser bevoegd is zijn eis te wijzigen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen en dat de gedaagde bevoegd is hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

Nu geen bezwaar is gemaakt tegen beide eisvermeerderingen zal de rechtbank op de - als hiervoor weergegeven - gewijzigde eis recht doen.

5.2.

Sera c.s. baseert de vorderingen op:

• onrechtmatige (groeps-)daad (art. 6:162 e.v. BW) en/of

• toerekenbare tekortkoming in de nakoming van overeenkomsten (art. 6:74 e.v. BW) en/of

• (een beroep op) rechterlijke - al dan niet partiële - nietigverklaring (art. 3:40-41 BW),

vernietiging, (partiële) ontbinding of wijziging van overeenkomsten (art. 6:248, 6:258, 6:265, 6:267, 6:270, 6:272 BW) en/of

• strijd met de goede zeden/openbare orde (art. 3:40 BW) en/of

• bedreiging (art. 3:44 lid 2 BW) en/of bedrog (art. 3:44 lid 3 BW) en/of

• misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 3 BW);

• dwaling (art. 6:228 BW) en/of

• ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) en/of

• nadeelopheffing (art. 6:230 BW).

Hetgeen door Sera c.s. daartoe is aangevoerd laat zich als volgt verkort en zakelijk weergeven.
Bestuurders - waarbij ook [gedaagde 2] en [gedaagde 8] als feitelijke beleidsbepalers worden aangemerkt - en aandeelhouders van Dieseko hebben als volgt samengespannen om Sera c.s. “uit te roken”:

( i) de managementovereenkomst is ten onrechte opgezegd, en tevens in strijd met de stemovereenkomst tussen [eiser 3] en [gedaagde 10] ;

(ii) bij deze opzegging is het non-concurrentiebeding uit de managementovereenkomst ten onrechte ongewijzigd gebleven;

(iii) als gevolg van deze opzegging ontving Sera c.s. geen inkomsten meer uit de managementovereenkomst; vanwege het non-concurrentiebeding was Sera c.s. ook niet in staat met andere werkzaamheden inkomen te genereren en door IEB werd geen dividend uitgekeerd;

(iv) Sera c.s. kwam daardoor in financiële nood;

( v) Sera c.s. zag zich daardoor gedwongen haar aandelen aan te bieden;

(vi) IEB c.s. was de enige mogelijke koper;

(vii) IEB c.s. wist van de financiële nood en heeft een te lage prijs geboden;

(viii) Sera c.s. was vanwege haar financiële nood genoodzaakt dit bod te accepteren;

(ix) [gedaagde 10] en Kato zijn jegens [eiser 3] verplicht om de meeropbrengst van hun aandelen in Dieseko bij verkoop in 2013 ten opzichte van de opbrengst van die van [eiser 3] in 2011, te delen met [eiser 3] .

5.3.

Uitgangspunt voor de beoordeling van een zaak als de onderhavige is dat partijen in beginsel worden gehouden aan hetgeen zij zijn overeengekomen. In het geschil tussen partijen staat de Verkoopovereenkomst van 19 oktober 2011 centraal. Deze bevat bindende afspraken ter beëindiging of voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent de managementovereenkomst, het prioriteitsaandeel, de gewone aandelen en eventuele overige vorderingen over en weer als bedoeld in artikel 7:900 BW en vervangt vorige overeenkomsten tussen partijen en dus (ook) die van 12 oktober 2011.

5.4.

In de Verkoopovereenkomst heeft Sera c.s. in artikel 9 uitdrukkelijk en onherroepelijk afstand gedaan van alle mogelijke rechten, claims en vorderingen jegens elk van partijen, inclusief jegens hun directe en/of indirecte aandeelhouders alsmede elk van hun groepsmaatschappijen, in verband met de beëindiging van de managementovereenkomst, de verkoop van de aandelen en het prioriteitsaandeel en is aan hen voor alles wat Sera c.s. van hen te vorderen heeft finale kwijting verleend.

Gelet op deze ruime omschrijving geldt deze afstand van recht ook voor [gedaagde 8] en [gedaagde 2] , als een derdenbeding ten gunste van hen als indirecte aandeelhouder, welk beding door hun ondertekening van de Verkoopovereenkomst is aanvaard. De afstandsverklaring van Sera c.s. met finale kwijting ziet derhalve op ieder van IEB c.s..

In artikel 14 van de Verkoopovereenkomst is door de ondertekenaars voorts nog uitdrukkelijk en onherroepelijk afstand gedaan van het recht om de Verkoopovereenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden of vernietigen danwel de gevolgen daarvan te doen wijzigen als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 BW.

Sera c.s. is - in beginsel - aan deze afstand van recht gehouden. Dit geldt temeer daar Sera c.s. in de daaraan voorafgaande maandenlange onderhandelingen is bijgestaan door een financieel deskundige BDO en ook juridisch werd bijgestaan door een advocaat mr. A. van den Heuvel.

5.5.

De hier bedoelde afstand van recht staat dan ook in beginsel in de weg aan toewijzing van de vorderingen van Sera c.s. op grond van een onrechtmatige (groeps-)daad waaronder begrepen bestuurdersaansprakelijkheid (art. 6:162 e.v. BW), toerekenbare tekortkoming in de nakoming van overeenkomsten (art. 6:74 e.v. BW), een beroep op rechterlijke (partiële) ontbinding of wijziging van overeenkomsten (art. 6:248, 6:258, 6:265, 6:267, 6:270 en 6:272 BW), ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) en nadeelopheffing (art. 6:230 BW).
Dit is slechts anders indien de Verkoopovereenkomst (al dan niet partieel) nietig is wegens strijd met de in art. 3:40 BW bedoelde goede zeden of de openbare orde dan wel – tijdig – is vernietigd omdat zij door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW) danwel dwaling (art. 6:228 BW) zou zijn tot stand gekomen. In dat geval houdt immers - mogelijk - ook de hiervoor weergegeven afstand van recht en kwijting geen stand.

5.6.

Een vordering tot vernietiging als bedoeld in art. 3:44 BW of art. 6:228 BW verjaart evenwel op grond van artikel 3:52 BW na drie jaar. Deze termijn vangt aan op het moment dat de invloed van bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling heeft opgehouden te werken dan wel op het moment dat Sera c.s. de bevoegdheid kreeg tot vernietiging.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of anderszins gebleken waaruit kan worden afgeleid dat die termijn is aangevangen op een later tijdstip dan op de datum van de Verkoopovereenkomst zelf. De inhoud van de brief van 27 juni 2011 van de financieel deskundige van Sera c.s. BDO aan Greenfield kan tot geen andere conclusie leiden dan dat Sera c.s. voor het instellen van de hier bedoelde vorderingen - reeds toen - afdoende op de hoogte was. Waar Sera c.s. zich beroept op een door de accountant van Dieseko opgestelde impairment test 2009 (opgemaakt ter voorbereiding op de jaarrekening 2010), geldt dat ook deze blijkens de overgelegde stukken aan Sera c.s. bekend was nu deze in januari 2011 door de PAVA (vergadering van prioriteitsaandeelhouders) is besproken. Geoordeeld moet dan ook worden dat de verjaringstermijn op 19 oktober 2011, toen partijen niets meer met elkaar te maken hadden, is aangevangen. Deze termijn is door - of namens - Sera c.s. niet (tijdig) gestuit, en aldus ongebruikt verstreken op 20 oktober 2013, lang vóór het instellen van de onderhavige vordering (de betekening van de dagvaarding dateert van 15 november 2016).

5.7.

Resteert de vraag of de overeenkomst naar inhoud of strekking nietig is wegens strijd met de goede zeden of openbare orde. In dat geval moet de Verkoopovereenkomst (al dan niet partieel) geacht worden nooit tot stand te zijn gekomen.

5.8.

De openbare orde speelt hier geen rol. Sera c.s. beroept zich erop dat de Verkoopovereenkomst strijdig is met de goede zeden en voert daartoe (ook) in dat verband aan dat zij door samenspanning tussen IEB c.s. als aandeelhouders en bestuurders van Dieseko is “uitgerookt”, dat zij door een onterechte opzegging van de managementovereenkomst in financiële nood is komen te verkeren en aldus door IEB c.s. werd gedwongen althans bewogen haar aandelen aan te bieden en, omdat zij door IEB c.s. bedrogen was over de waarde daarvan, deze tegen een veel te lage prijs te verkopen. De rechtbank begrijpt uit de verwijzing naar een vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake Fairstar dat Sera c.s. zich op het standpunt stelt dat de Verkoopovereenkomst – met de kwijting en afstand van recht - een vrijwaring inhoudt die zo indruist tegen het principe van bestuurdersaansprakelijkheid dat deze als in strijd met de goede zeden nietig is.
Zo een te lage verkoopprijs al wegens strijd met de goede zeden of zelfs de openbare orde tot (partiële) nietigheid van de betreffende Verkoopovereenkomst kan leiden, kan dit naar het oordeel van de rechtbank alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden.

Zodanige omstandigheden zijn noch gesteld noch anderszins uit de stukken gebleken.

5.9.

Sera c.s. beroept zich ter adstructie van de stelling dat de verkoopprijs van haar aandelenpakket (veel) te laag was op de omstandigheid dat ten tijde van de fusieovereenkomst (3 september 2008) de waarde van het aandelenpakket van Sera Europe in Dieseko € 9.750.900,- bedroeg, dat zowel de accountant van Dieseko als BDO vóór de Verkoopovereenkomst een nog hogere bedrijfswaarde berekenden en voorts dat in 2013 een veel hogere verkoopwaarde is gerealiseerd.
Deze onderbouwing kan de conclusie dat in de Verkoopovereenkomst een (veel) te lage prijs is opgenomen niet dragen. De verkoopopbrengst in 2013 is niet redengevend, de waarde van aandelen kan fluctueren en deed dit ook. Dit geldt niet alleen omdat, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, de crisis in 2013 minder zwaar woog dan in 2011 maar ook omdat uit de eigen stellingen van Sera c.s. volgt dat in 2011 gevreesd werd dat de verliezen van Dieseko in 2010 zouden kunnen leiden tot een (al dan niet door Dieseko zelf geregisseerd) faillissement. De verkoopprijs van 2013 kan dan ook niet gelden als maatstaf voor de waarde in 2011. Daar komt bij dat een minderheidsaandelenpakket in het algemeen minder waard is dan het geheel.
Ook de waardering door BDO kan de conclusie dat het 15 % aandelenbelang van Sera c.s. in Dieseko voor een (veel) te lage prijs is verkocht niet dragen. BDO trad op voor Sera c.s. en baseerde de hogere bedrijfswaardering op een EBITDA van € 12.000.000,- vermenigvuldigd met factor 6 minus een bankschuld van € 30.500.000,-. Het bestuur van Dieseko vond dit kennelijk (veel) te hoog en had haar aanbod van € 3.000.000,- voor 15% van de aandelen berekend aan de hand van een op tussentijdse cijfers gebaseerde EBITDA (van € 10.000.000,-) welke goeddeels overeenstemden met de later bekend geworden definitieve jaarcijfers van Dieseko over 2011. Het bestuur van Dieseko hanteerde voor de bedrijfswaardering op basis van die EBITDA de factor 5 verminderd met een bankschuld van € 30.000.000,-. Ook deze bankschuld bleek blijkens de jaarrekening 2011 nagenoeg correct ingeschat.

De door de accountant opgemaakte impairment test (test of goodwill moet worden afgewaardeerd) waar Sera c.s. aan refereert, blijkt dan ook – zoals vaker gebeurt – te zijn uit gegaan van een wat te optimistische toekomstverwachting.

Overigens is onjuist dat Sera c.s. als “bad-leaver” aanspraak zou hebben gehad op een hogere prijs voor haar aandelen. Niet alleen omdat hier geen sprake was van “bad-leaving”. - [eiser 3] legde vrijwillig de directiefunctie neer en de opzegging van de managementovereenkomst vond niet plaats wegens “dringende reden” - maar ook omdat voor een “bad- leaver” geldende bepalingen wel inhouden dat hij verplicht is de aandelen aan de medeaandeelhouders aan te bieden tegen de inlegwaarde of – als dat lager is – de marktwaarde, doch anderzijds geen verplichting voor de medeaandeelhouder bevatten om die aandelen tegen die waarde te kopen.

Hiermee is niet uitgesloten dat dit belang in de aandelen van Dieseko toen hoger kon worden gewaardeerd, maar het stond de (overige) aandeelhouders vrij hun bod niet te verhogen, zoals het ook Sera c.s. vrij stond dit bod op haar aandelen te accepteren.

Uit het voorgaande kan dan ook niet volgen dat de in de Verkoopovereenkomst opgenomen prijs ten opzichte van de waarde van het aandelenpakket zoveel lager was dat het verschil niet alleen in redelijkheid zakelijk niet verklaarbaar of gerechtvaardigd is te achten, maar ook nog in die mate dat een (Verkoopovereenkomst mede inhoudende) afstand van recht onder die omstandigheid, als in strijd met de goede zeden is aan te merken.

5.10.

Dit is niet anders als IEB c.s. wist dat [eiser 3] in financiële nood verkeerde, zoals Sera c.s. naar voren heeft gebracht, en evenmin als dit door de beëindiging van de managementovereenkomst en het niet uitkeren van dividend door IEB was veroorzaakt.

De beëindiging van de managementovereenkomst vond plaats conform contract en conform de inmiddels ontstane situatie waarin [eiser 3] niet langer als directeur of anderszins als manager fungeerde. Dat de opzegging onterecht was blijkt daaruit niet. Evenmin kan betekenis worden toegekend aan de door Sera c.s. in dit verband aangevoerde stemovereenkomst met [gedaagde 10] . Sera c.s. stelt dat een stemming van prioriteitsaandeelhouders plaats vond waarvoor [eiser 3] niet was opgeroepen en dat [gedaagde 10] in strijd met de bij volmacht vastgelegde stemafspraak vóór opzegging stemde, mèt handhaving van het concurrentieverbod.

IEB c.s. heeft dit betwist stellende dat voor de beëindiging van de managementovereenkomst geen besluit van de prioriteitsaandeelhouders (PAVA) nodig was en ook niet genomen is. Sera c.s. is hier niet op teruggekomen.

Nu voor haar standpunt (dat er – in strijd met een stemafspraak – wèl is gestemd over opzegging van de managementovereenkomst) geen steun is in de Aandeelhoudersovereenkomst (een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 10.3 van die overeenkomst die een PAVA besluit vereist, is dit immers niet), moet haar standpunt in deze reeds daarom als (ook na gemotiveerde betwisting) onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd.

Dat de non-concurrentiebedingen zijn gehandhaafd maakt dat niet anders, deze gelden overigens als gangbaar en zijn door [eiser 3] zelf aangegaan.

Ook de beslissing om geen dividend uit te keren is niet relevant. Deze is door [eiser 3] als directeur genomen blijkens een door Sera c.s. ondertekende non dividend-verklaring van 25 september 2008. Nu aan de hand van de producties tevens is aangetoond dat Dieseko in maart 2010 nog een waiver fee (boete) aan de financierende banken heeft moeten betalen wegens overtreding van de voor financiering geldende financiële criteria, valt niet in te zien dat geen dividend werd uitgekeerd om Sera c.s. “uit te roken”. Dat [eiser 3] daarmee in financiële nood kwam te verkeren, komt voor zijn risico.

5.11.

Bovenstaande omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zodanig dat zij tot de conclusie kunnen leiden dat de Verkoopovereenkomst of de daarin opgenomen afstand van recht zodanig indruisen tegen het wezen van bestuurdersaansprakelijkheid dat de Verkoopovereenkomst door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden.

5.12.

Tot slot komt aan de orde de grondslag voor de verder subsidiaire en uiterst subsidiaire vordering tegen [gedaagde 10] en Kato.
Sera c.s. vorderen naar de rechtbank begrijpt nakoming dan wel schadevergoeding en verwijzen voor de onderbouwing van deze (aanvullende) vorderingen naar een aantal specifiek vermelde alinea’s in de dagvaarding waarin sprake is van een tussen hen geldende basisafspraak van “samen uit, samen thuis” en “gelijke monniken, gelijke kappen”, hetgeen tot uiting kwam in hun gelijkwaardige investeringen, aandelenbelang en (daarmee ook) gelijke opbrengsten. Voorts wordt verwezen naar meergemelde volmacht (hiervoor onder 2.6).

5.13.

Een volmacht als deze strekt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de stem van de niet aanwezige partner kan worden gebruikt om negatieve beslissingen (waar de belangen van beide of één van hen kan worden geschaad) te blokkeren, doch schept op zich niet alleen geen verplichting voor het eigen stemgedrag (dit geldt temeer indien tussen hen van een tegengesteld belang sprake is) doch biedt ook – en in dit verband met name – geen en in elk geval onvoldoende steun voor de stelling dat tussen [gedaagde 10] en [eiser 3] was overeengekomen dat een meeropbrengst van de aandelenverkoop van [gedaagde 10] en Kato tussen hen verdeeld zou worden. Dat zij jarenlang op voet van gelijkheid investeerden en gelijke opbrengsten nastreefden en genoten, is daartoe onvoldoende. Naar aanleiding van het besluit tot aandelenverkoop door Sera c.s. was te verwachten dat de opbrengst van het aandelenpakket van [gedaagde 10] en/of Kato daarvan zeer kon afwijken. Dit geldt temeer daar [gedaagde 10] – zoals Sera c.s. stelt – voor een (al dan niet door Dieseko zelf geregisseerd) faillissement vreesde. Deze situatie vergde naar het oordeel van de rechtbank dan ook een specifiek op die situatie toegesneden afspraak. Partijen zijn immers in deze tot en met de investeringen in Dieseko wel “samen uit” gegaan maar door de verkoop van hun aandelen op zeer verschillende tijdstippen niet “samen thuis” gekomen. Sera c.s. stellen bij dagvaarding (1.4.20 en 1.4.21) wel een wat andere afspraak namelijk dat Sera c.s. haar opbrengst zou delen met [gedaagde 10] en Kato, die dat op hun beurt te zijner tijd ook zouden doen, doch Sera c.s. verwijzen in hun toelichting op de (aanvullende) eis uitdrukkelijk niet naar deze alinea’s in de dagvaarding en aan de hier bedoelde afspraak is – kennelijk – ook door Stella c.s. geen uitvoering gegeven. Sera c.s. heeft overigens wel anderszins een voorziening getroffen voor het geval van een waardestijging. In de Verkoopovereenkomst is opgenomen dat Sera c.s. recht had om mee te delen in de meeropbrengst bij verkoop van de aandelen binnen een jaar nadien. Hetgeen thans is aangevoerd voor het bestaan van een – afdwingbare – afspraak dat (alleen?) een meeropbrengst van de aandelenverkoop door [gedaagde 10] en Kato zou worden gedeeld, is onvoldoende om de vordering te kunnen dragen. De rechtbank acht de stelling die aan deze onderdelen van de vordering jegens [gedaagde 10] en Kato ten grondslag ligt dan ook te vaag om tot een bewijsopdracht te geraken. Een en ander nog daargelaten de omstandigheid dat de Verkoopovereenkomst eerdere overeenkomsten en dus ook de volmacht vervangt en voorts de in de Verkoopovereenkomst opgenomen afstand van recht en kwijting ook geacht zouden kunnen worden aan de onderhavige vorderingen in de weg te staan.

5.14.

Dit betekent dat de vorderingen dienen te worden afgewezen. Sera c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van IEB c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten× tarief € 452,00)

Totaal € 1.523,00

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt Sera c.s. in de proceskosten, aan de zijde van IEB c.s. tot op heden begroot op € 1.523,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum waarop dit vonnis is gewezen tot de dag van volledige betaling;

6.3.

veroordeelt Sera c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat IEB c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. van der Hoeven, mr. J.W. Langeler en mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017.
39/182/2053