Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6758

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
ROT 17/330
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Warenwet, mobiele verkoopwagen is bedrijfsruimte, verweerder heeft opgelegde boetes op rapport van bevindingen mogen baseren. Er zijn geen bijzondere omstandigheden voor matiging van de boetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/330

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: [echtgenote] ,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Janssens.

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van in totaal € 2.100,- wegens zeven overtredingen van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen (het Warenwetbesluit) in verbinding met Verordening (EG) 852/2004.

Bij besluit van 15 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Op 25 augustus 2016 omstreeks 14:15 uur is een blauw wit gekleurde mobiele verkoopwagen op een parkeerplaats op de hoek van de [adres] te [plaats] bezocht door controleambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Eiser, toentertijd handelend onder de naam [naam] , was op dat moment de eigenaar van deze mobiele verkoopwagen.

1.2.

In het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van bevindingen van 29 augustus 2016 is onder meer het volgende geconstateerd. De ruwe houten vloer van de verkoopwagen was in zeer slechte staat en ernstig verontreinigd met oude productresten. De wanden waren ernstig verontreinigd met geel/bruin gekleurd plakkerig vet en oude productresten, de schappen en planken waren ernstig verontreinigd met oude productresten, de afzuigkap was ernstig verontreinigd met zwart aangekoekt gekleurd vuil en druppels zwart gekleurd oud vet en het plafond boven de oven was ernstig verontreinigd met oude productresten en ander vuil. Hieruit blijkt dat is vastgesteld dat mobiele en/of tijdelijke bedrijfsruimten niet zo waren gelegen, ontworpen en geconstrueerd en zo schoongehouden dat de risico’s in verband met verontreiniging van levensmiddelen door dieren en schadelijke organismen zoveel mogelijk werden voorkomen, waardoor in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, hoofdstuk III, punt 1, van Verordening (EG) 852/2004, wat een overtreding is van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit (beboetbaar feit 1).

Ook is in het rapport van bevindingen geconstateerd dat de binnenkant van de Indesit koeling, waarin onafgedekte levensmiddelen werden bewaard, ernstig verontreinigd was met oude productresten en ander vuil, de waterkoker ernstig verontreinigd was met geel/bruin gekleurd plakkerig vuil, de draai-grill verontreinigd was met geel/bruin aangekoekt vuil, de frituur ernstig verontreinigd was met geel/bruin gekleurd plakkerig vet en de werkbanken die in aanraking kwamen met levensmiddelen verontreinigd waren met oude productresten evenals de pannen. Hieruit is gebleken dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur in de mobiele verkoopwagen niet schoon waren, waardoor in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening (EG) 852/2004, wat een overtreding is van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit (beboetbaar feit 2).

Verder is in het rapport van bevindingen geconstateerd dat er diverse bereidingen van levensmiddelen plaatsvonden in de verkoopwagen (“Ik zag een man in de wagen staan die bezig was met het bereiden en snijden van vlees”). Eiser heeft tegenover de controleambtenaren verklaard dat uit de kraan in de verkoopwagen geen koud en warm water stroomde en dat hij, dat als hij warm water wilde hebben, hij dit met de waterkoker opwarmde. Er is geconstateerd dat eiser aan de kraan draaide maar dat daar niks uitkwam. In de verkoopwagen werden diverse levensmiddelen als tomaten, sla en kruiden bewaard die gewassen moesten worden voordat deze gebruikt konden worden. Hieruit is gebleken dat in de mobiele verkoopwagen en/of tijdelijke bedrijfsruimte geen passende voorzieningen aanwezig waren voor een voldoende persoonlijke hygiëne, voor het schoonmaken en ontsmetten van gereedschap en apparatuur en dat, omdat het schoonmaken van levensmiddelen tot de normale activiteiten van een levensmiddelenbedrijf behoort, geen passende voorziening aanwezig was om dat hygiënisch te laten verlopen. Verder was daarin geen voldoende warm en/of koud water beschikbaar. Hierdoor in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, hoofdstuk III, punt 2 onder a, c, d en e, van Verordening (EG) 852/2004, wat een overtredingen zijn van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit (beboetbare feiten 3a tot en met 3d).

Daarnaast is geconstateerd dat shoarmavlees op de draai-grill in de verkoopwagen werd bereid. De afzuigkap boven de draai-grill was vervuild met zwart gekleurd aangekoekt vuil, stof en vetdraden die loshingen. Er is vermeld dat de controleambtenaar vanuit zijn deskundigheid heeft geconstateerd dat loshangend vuil los kon komen, onder meer door beweging van de mobiele verkoopwagen, waardoor het direct op de rol met shoarmavlees kon vallen. Hieruit is gebleken dat in de mobiele verkoopwagen en/of tijdelijke bedrijfsruimte de levensmiddelen zo geplaatst waren dat de risico’s in verband met verontreiniging niet werden voorkomen, waardoor in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, hoofdstuk III, punt 2, onder h, van Verordening (EG) 852/2004, wat een overtreding is van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit (beboetbaar feit 4).

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser bij de uitoefening van bedrijfsactiviteiten van zijn onderneming in de mobiele verkoopwagen meerdere hygiënevoorschriften, zoals neergelegd in het Warenwetbesluit, in verbinding met Verordening (EG) 852/2004, heeft overtreden (beboetbare feiten 1 tot en met 4). Voor de beboetbare feiten 1, 2 en 4 is steeds een boete opgelegd van € 525,-, en voor de beboetbare feiten 3a tot en met 3d wegens samenhang eenmaal een boete van € 525,-. In totaal bedraagt het boetebedrag € 2.100,-. Verweerder heeft na een beoordeling van eisers financiële situatie geen aanleiding gezien voor matiging.

3. Eiser bestrijdt de feitelijke waarnemingen in het rapport van bevindingen van

29 augustus 2016 niet. Hij voert - verkort en zakelijk weergegeven - aan dat de mobiele verkoopwagen niet als bedrijfsruimte kan worden aangemerkt en dat hij nog niet open was op het moment van de controle maar dat hij de wagen aan het inspecteren was na een sluiting wegens drie tropisch warme dagen om vervolgens te gaan schoonmaken. Hij stelt dat het vlees dat hij ten tijde van de inspectie aan het bereiden was voor eigen gebruik was. Eiser vindt de opgelegde boetes te hoog. Hij heeft erop gewezen dat hij als gevolg van de boete moest stoppen met zijn bedrijf waar hij vijf jaar lang dag en nacht mee bezig is geweest.

4.1.

Artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 852/2004 bepaalt dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, zich houden aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.

4.2.

Hoofdstuk III (Voorschriften voor mobiele en/of tijdelijke bedrijfsruimten (bv. Tenten, marktkramen, winkelwagens), ruimten die voornamelijk als particuliere woning worden gebruikt maar waar regelmatig levensmiddelen worden bereid voor het in de handel brengen, en automaten) van Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 852/2004 bevat (onder meer) de volgende bepalingen:

1. Bedrijfsruimten en automaten moeten voor zover dit redelijkerwijs haalbaar is, zo zijn gelegen, ontworpen en geconstrueerd en zo worden schoongehouden en onderhouden dat de risico’s in verband met verontreiniging van levensmiddelen door dieren en schadelijke organismen zoveel mogelijk worden voorkomen.

2. Meer in het bijzonder moet, indien nodig, aan de onderstaande voorschriften worden voldaan:

a) er moeten passende voorzieningen aanwezig zijn voor een voldoende persoonlijke hygiëne (waaronder voorzieningen voor het hygiënisch wassen en drogen van de handen, hygiënische sanitaire voorzieningen en kleedruimtes);

b) (…);

c) indien nodig moeten passende voorzieningen voor het schoonmaken en ontsmetten van gereedschap en apparatuur voorhanden zijn;

d) wanneer het schoonmaken van levensmiddelen tot de normale activiteiten van een levensmiddelenbedrijf behoort, moeten passende voorzieningen aanwezig zijn om dat hygiënisch te laten verlopen;

e) er moet voldoende warm en/of koud drinkbaar water beschikbaar zijn;

f) (…);

g) (…);

h) de levensmiddelen moeten zo geplaatst zijn dat de risico’s in verband met verontreiniging zoveel mogelijk worden voorkomen.

4.3

Hoofdstuk V (Voorschriften inzake uitrusting) van Bijlage II bij Verordening (EG) 852/2004 bevat (onder meer) de volgende bepaling:

1. Alle artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking

komen moeten:

a. a) afdoende worden schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken

en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging

wordt vermeden.

5. De rechtbank stelt voorop dat eisers beroep is gericht tegen de in bezwaar gehandhaafde boete van € 2.100,- wegens de hiervoor vermelde zeven overtredingen van de hygiënewetgeving. Een bevel tot sluiting van de mobiele verkoopwagen dat op

25 augustus 2016 aan eiser, naar hij stelt, is gegeven, maakt geen deel uit van deze beroepsprocedure en kan dan ook niet ter beoordeling staan.

6.1.

De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat de mobiele verkoopwagen van eiser moet worden aangemerkt als een bedrijfsruimte. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat ten tijde van de controle op 25 augustus 2016 levensmiddelen werden verwerkt voor de verkoop. Eiser was bezig met het bereiden en snijden van vlees. In de koeling lagen diverse levensmiddelen als tomaten, sla en een zak patat. Op de draai-grill stond een rol shoarmavlees. Hieruit blijkt dat er sprake is van een levensmiddelenbedrijf, nu er levensmiddelen in voorraad worden gehouden om in de handel te worden gebracht. Eisers stelling in beroep dat het vlees dat op 25 augustus 2016 werd bereid voor eigen gebruik was bestemd, kan de rechtbank niet volgen. Eiser heeft immers ten tijde van de inspectie op

25 augustus 2016 verklaard dat het vlees dat hij aan het bereiden was bestemd was voor de verkoop. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze tegenover een controleambtenaar van de NVWA afgelegde verklaring. Ook de stelling van eiser dat productie van etenswaar en koeling daarvan bij hem thuis professioneel plaatsvond, en dat in de mobiele verkoopwagen uitsluitend werd gebakken en uitgereikt, maakt niet dat de mobiele verkoopwagen niet als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. In zijn hoedanigheid van exploitant van een levensmiddelenbedrijf was eiser gehouden de hygiënevoorschriften uit Hoofdstuk III van Bijlage II van Verordening (EG) nr. 852/2004, die van toepassing zijn op mobiele en/of tijdelijke bedrijfsruimten, na te leven.

6.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van hetgeen de controleambtenaren van de NVWA ten tijde van de inspectie op 25 augustus 2016 met betrekking tot de hygiënische staat van de mobiele en/of tijdelijke bedrijfsruimte van eiser en de artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking kwamen, hebben opgenomen in het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van bevindingen van

29 augustus 2016. Uit de omschrijving van de feitelijke situatie in het rapport van bevindingen blijkt dat evident niet is voldaan aan een aantal eisen van de algemene hygiënevoorschriften van Hoofdstuk III van Bijlage II van Verordening (EG) nr. 852/2004. Uit die omschrijving volgt dat, anders dan eiser heeft aangevoerd, het aangetroffen vuil niet kon worden aangemerkt als dagvuil of als vuil dat was ontstaan omdat de mobiele verkoopwagen wegens tropische hitte drie dagen gesloten zou zijn geweest. De omstandigheid dat de mobiele verkoopwagen ten tijde van de geconstateerde overtredingen mogelijk nog niet geopend was, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Ook in dat geval was eiser, zoals verweerders gemachtigde ter zitting terecht heeft opgemerkt, gehouden in zijn mobiele verkoopwagen voormelde hygiënevoorschriften na te leven. In hetgeen eiser in het beroepschrift en ter zitting heeft aangevoerd over de wijze waarop de mobiele verkoopwagen en de artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur dagelijks werden schoongemaakt, ziet de rechtbank evenmin aanleiding tot twijfel aan het rapport van bevindingen van 29 augustus 2016.

6.3.

Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd aan eiser boetes op te leggen ter zake van de op 25 augustus 2016 geconstateerde overtredingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken.

7.1.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat de opgelegde boetes onevenredig hoog zijn.

7.2.

Op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is bepaald, niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

7.3.

Op grond van vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College, bijvoorbeeld de uitspraken van 5 april 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5955 en van 24 december 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BL4453) heeft de wetgever met het systeem van gefixeerde boetebedragen al een afweging gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Gelet op dit door de wetgever gekozen stelsel van uniforme - niet al te hoge - boetebedragen, waarbij in beginsel wordt geabstraheerd van de omstandigheden waaronder de overtreding wordt begaan, moet - uit een oogpunt van hanteerbaar en consistent straftoemetingsbeleid - sprake zijn van zeer bijzondere en zwaarwegende omstandigheden, wil gebruikmaking van de matigingsmogelijkheid geboden zijn.

7.4.

In wat eiser in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb op grond waarvan verweerder de opgelegde boetes had moeten matigen. De omstandigheid dat eiser als gevolg van de boetes zijn bedrijf moest stoppen is niet een dergelijke omstandigheid. Verweerder heeft eisers financiële situatie beoordeeld en daaruit volgt dat de liquiditeitsratio en de solvabiliteitsratio niet berekend konden worden omdat eisers onderneming niet over vlottende activa beschikte en eiser geen schulden had maar dat eiser samen met zijn echtgenote over een inkomen ruim boven de bijstandsnorm beschikte. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien voor matiging van het totaalbedrag aan opgelegde boetes. De rechtbank heeft bij het voorgaande in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat eiser met verweerder een betalingsregeling heeft getroffen.

8. Het beroep van eiser is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.